ECLI:NL:HR:2004:AR3021
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontnemingsmaatregel ondanks requisitoir Advocaat-Generaal en verduidelijkt mindering schadevergoeding
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. De betrokkene was door het hof veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de Staat, subsidiair tot vervangende hechtenis. De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis, maar alleen voor zover vervangende hechtenis was opgelegd, en het beroep voor het overige verworpen.
De betrokkene voerde aan dat de gehele ontnemingsvordering moest worden afgewezen omdat de Advocaat-Generaal dit had geëist. De Hoge Raad verwierp dit verweer en stelde dat een requisitoir tot afwijzing niet gelijkstaat aan het ontbreken van een vordering van het openbaar ministerie. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat het hof terecht bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening hield met de hoofdelijkheid van de schuld aan de benadeelde partij en slechts een derde deel van de toegewezen vordering in mindering bracht.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis alleen voor zover vervangende hechtenis was opgelegd, vanwege de toepasselijkheid van nieuwe wettelijke bepalingen, en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd het hofsoordeel bevestigd en werd duidelijkheid verschaft over de toepassing van artikel 36e, zesde lid, Sr bij hoofdelijkheid en mindering van schadevergoedingen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontnemingsmaatregel en vernietigt het vonnis alleen voor zover vervangende hechtenis is opgelegd.