ECLI:NL:PHR:2006:AU9127
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel bij diefstal en afpersing
In deze zaak stond de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, nadat betrokkene was veroordeeld voor gekwalificeerde afpersing en diefstal van kostbare sieraden en horloges. Het gerechtshof had het voordeel vastgesteld op €41.871,54, gebaseerd op een berekening van 20% van de inkoopwaarde van de gestolen goederen, verdeeld over de drie daders.
Betrokkene voerde aan dat het hof ten onrechte niet het daadwerkelijk behaalde voordeel had vastgesteld, omdat een groot deel van de buit was weggegooid nadat de verkoop in Italië mislukte en het restant slechts €2.000,- had opgebracht. De Hoge Raad oordeelde echter dat het reparatoire karakter van de maatregel ex art. 36e Sr vereist dat het voordeel wordt geschat op het voordeel dat redelijkerwijs in het criminele circuit kon worden behaald, ongeacht latere verliezen of waardeverminderingen.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht was uitgegaan van 20% van de inkoopwaarde als schatting van de waarde in het helingscircuit en dat de omstandigheden dat een deel van de buit was weggegooid en dat het goud een laag karaatgehalte had, geen afbreuk deden aan deze redelijke schatting. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en handhaafde de oplegging van de maatregel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de berekening en oplegging van de maatregel tot ontneming van €41.871,54 wederrechtelijk verkregen voordeel.