ECLI:NL:PHR:2007:BA0487
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt schending redelijke termijn maar wijst niet-ontvankelijkheid OM af in ontnemingszaak
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem in een ontnemingsprocedure tegen een veroordeelde handelaar in verdovende middelen. De Hoge Raad behandelt onder meer de vraag of het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden wegens schending van het recht op een redelijke termijn en of het hof onrechtmatig heeft gehandeld door een andere methode van voordeelsberekening toe te passen dan waar de verdediging op was voorbereid.
De Hoge Raad bevestigt dat de totale duur van de procedure, ruim acht jaar, de redelijke termijn overschrijdt en dat het hof terecht een periode van inactiviteit van ongeveer drie jaar aan het OM toerekent. Desondanks is niet voldaan aan de uitzonderlijke omstandigheden die niet-ontvankelijkheid van het OM rechtvaardigen. Het belang van de maatschappij bij ontneming weegt zwaarder dan het belang van de veroordeelde bij een snellere procedure.
Ten aanzien van de berekeningswijze van het wederrechtelijk verkregen voordeel oordeelt de Hoge Raad dat het hof niet gebonden is aan de vordering of de methode van vermogensvergelijking, maar een andere, klassieke methode mag toepassen mits de verdediging hier redelijkerwijs op bedacht had kunnen zijn. De verdediging kon dit voorzien, mede omdat het financieel verslag ook een klassieke berekening bevatte. De Hoge Raad verwerpt het middel dat het hof onrechtmatig zou hebben gehandeld.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof, inclusief de toegepaste korting van tien procent op het ontnemingsbedrag wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft terecht het OM niet-ontvankelijk verklaard ondanks termijnoverschrijding en de toegepaste ontnemingsberekening bevestigd.