ECLI:NL:HR:2002:AE7634
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in hoger beroep strafzaak Ontgrondingenwet
De verdachte werd door het hof in hoger beroep veroordeeld voor overtreding van een voorschrift van de Ontgrondingenwet en kreeg een geldboete van ƒ 1.800,- opgelegd. De verdachte stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege een overschrijding van de redelijke termijn tussen het vonnis in eerste aanleg en de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat hoewel de termijn van ruim 11 maanden tussen het aanwenden van het rechtsmiddel en de ontvangst van het dossier bij het hof was overschreden, dit geen rechtsgevolgen had omdat het arrest binnen twee jaar na het instellen van het hoger beroep was gewezen. De Hoge Raad stelde echter dat het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd en dat de overschrijding van de redelijke termijn niet gecompenseerd was door bijzondere voortvarendheid.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest voor wat betreft de hoogte van de geldboete en mat deze terug tot € 735,-. Het beroep werd voor het overige verworpen. De Hoge Raad nam daarbij het belang van normhandhaving door de gemeenschap zwaarder dan het belang van de verdachte bij verval van het recht tot strafvervolging na termijnoverschrijding.
Uitkomst: De geldboete wordt verminderd tot € 735 wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.