ECLI:NL:HR:2002:AE6122
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en verwijzing in ontnemingszaak wegens onjuiste toepassing getuigenoproeping en redelijke termijn
In deze zaak betrof het een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin de betrokkene werd veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel, subsidiair hechtenis. De verdediging had verzocht twee financieel-deskundigen als getuigen op te roepen, wat door het hof werd afgewezen met verwijzing naar het ontbreken van noodzaak en het schenden van goede procesorde.
De Hoge Raad stelde vast dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door te oordelen dat artikel 288 Sv Pro niet van toepassing was op het verzoek tot getuigenoproeping na een weigering ingevolge artikel 264 Sv Pro. De wetgeving omtrent ontnemingszaken maakt deze artikelen wel toepasselijk, waardoor het hof het verzoek slechts op de in artikel 288 Sv Pro genoemde gronden had mogen afwijzen.
Verder werd het verweer van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM Pro beoordeeld. Hoewel de behandeling in hoger beroep lang duurde, was er geen sprake van onredelijke vertraging. Wel werd geconstateerd dat in de cassatiefase de redelijke termijn was overschreden, hetgeen bij de verdere behandeling betrokken moet worden.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting en afdoening op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof Arnhem wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het hof 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting.