ECLI:NL:PHR:2010:BK6347
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geldigheid artikel 13 Flora- en faunawet en verworpen verweer legaliteitsbeginsel
In deze zaak is verdachte door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld voor het opzettelijk in bezit hebben van beschermde inheemse dieren, namelijk fazanten, in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet. Verdachte stelde in cassatie onder meer dat het ten laste gelegde feit niet strafbaar was omdat onderdeel b van lid 1 van artikel 13 van Pro de Flora- en faunawet nog niet in werking was getreden. Dit zou volgens hem betekenen dat het verbod niet van kracht was.
De Hoge Raad overweegt dat de tekst van artikel 13, zoals gepubliceerd in het Staatsblad, een redactionele fout bevat die door de rechter mag worden gecorrigeerd in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft namelijk beoogd dat het verbod op het bezit van beschermde inheemse dieren wel degelijk in werking is getreden per 1 april 2002. De stelling van de verdediging dat het legaliteitsbeginsel is geschonden wordt daarom verworpen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft afgewezen om een deskundige te horen over de doeltreffendheid van de door de wetgever voorgeschreven pootringen voor fazanten. De rechter dient niet te oordelen over de innerlijke waarde of billijkheid van de wetgeving. Ook het beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling faalt omdat verdachte zich niet tot een gezaghebbende instantie heeft gewend en eerdere veroordelingen hem hadden moeten wijzen op de strafbaarheid.
De Hoge Raad verwerpt alle middelen en verklaart het beroep van verdachte ongegrond, waarmee de veroordeling en de opgelegde geldboete van € 500,00 en de verbeurdverklaring van 47 fazanten in stand blijven.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor overtreding van artikel 13 Flora- en faunawet.