ECLI:NL:PHR:2010:BK6326

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02794 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 SrArt. 13 Flora- en faunawetArt. 12 Flora- en faunawetArt. 6 EVRMArt. 29 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM en uitleg artikel 13 Flora- en faunawet inzake bezit beschermde dieren

In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie centraal met betrekking tot de vervolging van verdachte wegens het bezit van 215 ongeringde fazanten, een beschermde inheemse diersoort, in strijd met artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en faunawet.

De verdediging voerde aan dat het verbod op het bezit van deze dieren niet op een wettelijk voorschrift kon worden gebaseerd omdat het relevante deel van artikel 13, eerste lid, nog niet in werking was getreden. De Hoge Raad bevestigde echter dat het onderdeel b van dit artikel niet in werking is getreden, maar onderdeel a wel sinds 1 april 2002. De tekst in het Staatsblad bevatte een redactionele fout die door de rechter gecorrigeerd mocht worden in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.

Verder stelde de verdediging dat de fazanten al vóór de inwerkingtreding van de wet werden gehouden en daarom niet geringd hoefden te zijn. Het hof oordeelde dat een deel van de fazanten inderdaad voor die datum aanwezig was, maar dat de aangetroffen dieren in 2005 niet allemaal vóór 1 april 2002 konden zijn geboren, gelet op de levensduur en fokpraktijken. Ook het verweer dat het OM het vervolgingsrecht had verloren na een waarschuwing in 2003 werd verworpen omdat verdachte geen gevolg had gegeven aan die waarschuwing.

Ten slotte werd het verweer dat de cautie niet was gegeven aan verdachte en zijn echtgenote verworpen, evenals het beroep op schending van de redelijke termijn. De Hoge Raad verwierp alle middelen van cassatie en bevestigde het arrest van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van verdachte wegens overtreding van artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet.

Conclusie

Nr. 08/02794 E
Mr. Machielse
Zitting 8 december 2009
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 5 februari 2008 voor 'Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan', veroordeeld tot een geldboete van € 2000,00 voorwaardelijk. Tevens heeft het hof de verbeurdverklaring uitgesproken van 215 fazanten.
2. Mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, advocaat te Sint-Oedenrode, heeft cassatie ingesteld. Mr. drs. P.A.M. Verkuijlen, eveneens advocaat te Sint-Oedenrode, heeft een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat onderdeel b van lid 1 van artikel 13 van Pro de Flora- en faunawet nog niet in werking was getreden. Dat verweer had de volgende inhoud:
"I. De ontvankelijkheid van het O.M.
Het o.m. is in deze zaak niet ontvankelijk is. Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling (artikel 1 Sr Pro).
In art. 13 van Pro de Flora- en faunawet staat dat de wettekst waar de tenlastelegging op doelt,nog niet in werking is. Ter instructie verwijs ik naar de tekst zoals die voorkomt in het Staatsblad, op de site www.overheid.nl en in de hier boven genoemde uitgaven van Kluwer (bijlagen 1,2,3,10 en 11). De politierechter zegt dat een tekstuitgave van Kluwer niet maatgevend is. In het staatsblad en op de site van de overheid komt echter dezelfde tekst voor.
Justitiabelen mogen er op vertrouwen dat die teksten juist zijn."
3.2. Het hof heeft het verweer verworpen op de volgende gronden:
"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
A
De raadsman heeft zich, op de gronden als nader in zijn pleitnotities verwoord, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu het verbod van het onder zich hebben van inheemse dieren niet op een wet kan worden gebaseerd en derhalve in strijd is met het legaliteitsbeginsel. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verboden gedraging valt onder artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en faunawet en dit onderdeel nog niet (in zijn geheel) in werking is getreden. Dit onderdeel van artikel 13 is Pro in een aantal publicaties, waaronder in de Kluwer-editie en het Staatsblad, onjuist weergegeven. Justiabelen mogen erop vertrouwen dat de wetteksten juist zijn.
B1
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
B2
Het hof stelt voorop dat bij de weergave van artikel 13 van Pro de Flora- en faunawet richtinggevend is de wettekst, zoals deze officieel is gepubliceerd en afgedrukt in het
Staatsblad.
B3
Het eerste lid van art. 13 Flora Pro- en faunawet, zoals afgedrukt in Stb 1998, 402, luidt:
Het is verboden:
a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of
b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren ofte verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of
tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.
Artikel 1 van Pro het Besluit van 12 december 2001 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van een aantal artikelen van de Flora- Faunawet (...), zoals afgedrukt in Stb 2001, 656, luidt, voor zover van belang:
De artikelen (...)13, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, van de Flora- en faunawet treden in werking met ingang van 1 april 2002.
B4
Tot de Kamerstukken betreffende de totstandkoming en inwerkingtreding van de Flora- en faunawet behoort een brief van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, gedateerd 9 februari 2001 (Kamerstukken II, 2000/2001, 23 147, nr. 127) waarin is uiteengezet dat de Europese Commissie de Nederlandse regering heeft verzocht art. 13, eerste lid, onder b, Flora- en faunawet niet in werking te laten treden wegens strijd met het vrije verkeer van goederen. De Commissie heeft, aldus deze brief, vastgesteld dat de uitbreiding van de verbodsbepalingen ten aanzien van niet bedreigde uitheemse diersoorten als opgenomen in art. 13, eerste lid, onderdeel b, van de Flora- en faunawet niet geschikt, niet noodzakelijk en niet evenredig is ter bescherming van het leven van dieren.
Ten aanzien van art. 13 Flora Pro- en faunawet is in deze brief van de Staatssecretaris opgemerkt:
"De Flora- en faunawet bevat een aantal verbodsbepalingen. In artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Flora- en faunawet zijn verbodsbepalingen opgenomen voor het bezit, vervoer en de handel van beschermde inheemse en uitheemse dier- en plantensoorten. Artikel 13, eerste lid, onderdeel b, van de Flora- en faunawet breidt deze verbodsbepalingen uit tot niet beschermdeuitheemse diersoorten. "
B5
Naar het oordeel van het hof wijst reeds de tekst van artikel 13, eerste lid, Flora- en faunawet, zoals afgedrukt in het Staatsblad, uit dat er een misslag van redactionele aard is opgetreden. Het gestelde in de aanhef en onder a is zinledig, indien het niet gevolgd wordt door hetgeen - zoals in het Staatsblad afgedrukt - onder b volgt na het woord "diersoort". De hiervoor genoemde brief van de Staatssecretaris bevestigt dat het eerste lid van artikel 13 Flora Pro- en faunawet aldus gelezen dient te worden, dat de daar omschreven gedragingen verboden zijn indien zij betrekking hebben op hetzij de planten of dieren genoemd onder a, hetzij de dieren genoemd onder b. Na "b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort" had derhalve een nieuwe regel moeten aanvangen.
B6
Aldus gelezen houdt art. 13, eerste lid, Flora- en faunawet in dat het verbod op de daar omschreven gedragingen ten aanzien van de onder a. genoemde planten en dieren in werking is getreden op 1 april 2002. Er is derhalve geen schending van het legaliteitsbeginsel. Het verweer wordt verworpen."
3.3. De oorspronkelijk voorgestelde artikelen 12 en 13 hadden de volgende inhoud:
"Artikel 12
1. Het is verboden:
a. (...)
b. dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, eieren, nesten of produkten van die dieren;
c. (...)
d. dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort die krachtens artikel 4 is Pro aangewezen als soort, behorende tot de categorie van soorten, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, van dat artikel, eieren, nesten of produkten van die dieren, onder zich te hebben.
(...)
Artikel 13
1. Het is verboden dieren en eieren van dieren in de vrije natuur uit te zetten.
2. (...)
3. Het is verboden planten of dieren, behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten, onder zich te hebben, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorradig of voorhanden te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden of af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden.
(...)"
Volgens de Memorie van toelichting bevat het oorspronkelijk voorgestelde artikel 12 bezits Pro-, vervoers- en handelsverboden ten aanzien van alle beschermde inheemse soorten en beschermde uitheemse soorten.(2) Bij de Tweede nota van wijziging zijn de woorden "onder zich hebben" in artikel 12 lid Pro 1, aanhef en onder d op een nieuwe regel geplaatst.(3)
Op suggesties van leden van de Tweede Kamer heeft de Minister bij Nota van wijziging de redactie van art. 12 vereenvoudigd Pro.(4) In de derde Nota van wijziging(5) werd het eerste lid van art. 12 aldus Pro omschreven:
"1. Het is verboden planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of ten toon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben."
De Vierde nota van wijziging stelde weer een verandering in de tekst van art. 13 voor Pro:
"In artikel 13, vierde lid, wordt de zinsnede "soorten die van nature in Nederland voorkomen" vervangen door: beschermde inheemse dier- of plantensoorten."(6)
Inmiddels was een hele vracht amendementen ingediend. Dat leidde ertoe dat het wetsvoorstel weer werd gewijzigd en dat artikel 13 er Pro als volgt kwam uit te zien:
"1. Het is verboden:
a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of
b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of ten toon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.
(...)(7)
Daarna werden door de regering nogmaals wijzigingen voorgesteld, welk wijzigingsvoorstel bij de Tweede Kamer is ontvangen op 3 november 1997(8):
"D
In artikel 13 worden Pro de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid, onderdeel b, wordt de zinsnede beginnend met "te koop te vragen" en eindigend met "of onder zich te hebben" op een nieuwe regel geplaatst."
De dag daarop werd aan de Eerste Kamer het Nader gewijzigd voorstel van wet(9) aangeboden waarin artikel 13 van Pro de volgende inhoud was voorzien:
"1. Het is verboden:
a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of
b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort,
te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of ten toon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.
(...)"
Nadien is het wetsvoorstel niet meer gewijzigd. In de authentieke versie van het Staatsblad waarin de Flora- en Faunawet werd gepubliceerd(10) heeft artikel 13 echter Pro de volgende inhoud gekregen:
"Artikel 13
1. Het is verboden:
a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of
b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben."
Wel heeft de Staatssecretaris nog de in overweging B4 van het arrest van het hof genoemde brief verzonden, waarin is meegedeeld dat gehoor is gegeven aan het verzoek van de Europese Commissie om artikel 13, eerste lid, onder b nog niet in werking te laten treden.
3.4. De steller van het middel betrekt het standpunt dat moet worden uitgegaan van de tekst zoals die in het Staatsblad is verschenen. Uit de hiervoor gereleveerde wetsgeschiedenis kan echter niet anders dan geconcludeerd worden dat de tekst van artikel 13 zoals Pro die officieel is gepubliceerd, niet overeenkomt met de bedoeling van de wetgever. In het verleden hebben zich meer gevallen voorgedaan waarin de Hoge Raad tot de conclusie is gekomen dat in de tekst van een wet een vergissing is geslopen die door de rechter mag worden gecorrigeerd in die zin dat de rechter uit mag gaan van een uitleg van de tekst van de wet zoals die overeenstemt met de duidelijke bedoeling van de wetgever en/of een manifeste vergissing mag negeren.(11)
Dat heeft het hof hier ook gedaan. Het hof heeft artikel 13 Flora Pro- en faunawet uitgelegd op een wijze die overeenstemt met de oorspronkelijke en niet mis te verstane bedoeling van de wetgever. Het standpunt van de verdediging zou ertoe leiden dat het artikel op een geforceerd formele wijze zou worden uitgelegd, waardoor het van iedere redelijke zin zou worden beroofd. Dat het hof daarin niet is meegegaan acht ik volkomen begrijpelijk. Ik merk ten overvloede op dat het feit dat de vogelvereniging heeft verzuimd op haar lijst van vogels waarvoor een ringplicht geldt fazanten zoals die op verdachtes terrein werden gehouden te vermelden, niet met zich kan brengen dat de verplichting om vogelringen aan te brengen dus niet bestaat.
Het middel faalt.
4.1. Het tweede middel klaagt over de overwegingen van het hof waarin het verweer van de verdediging, dat de aangetroffen fazanten al werden gehouden voor de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet op 1 april 2002 en daarom niet ringplichtig waren, heeft verworpen.
4.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat
"hij op 20 december 2005, te Sint-Oedenrode, opzettelijk dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten 215 fazanten, onder zich heeft gehad."
4.3. De verdediging had zich op het standpunt gesteld dat alle inbeslaggenomen ongeringde fazanten geboren zijn voor 1 april 2002 en daarom niet ringplichtig waren. De dieren die in 2004 en 2005 waren geboren zijn vrijwel allemaal geslacht en opgegeten. Voorzover zij niet zijn opgegeten zijn zij geringd.
4.4. Het hof heeft het verweer op de volgende gronden verworpen:
"C
Vervolgens heeft de raadsman, op de gronden als nader in zijn pleitnotities verwoord, betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot (verdere) vervolging had mogen komen.
Ter onderbouwing is door de raadsman aangevoerd:
a) dat de in tenlastelegging genoemde fazanten volwassen waren en al werden gehouden vóór de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet op 1 april 2002, toen er nog geen ringplicht gold;
b) dat in december 2003 verdachte een waarschuwing heeft gekregen dat hij geen ongeringde fazanten mocht houden. Het Openbaar Ministerie heeft na deze waarschuwing het vervolgingsrecht verloren, voor zover het fazanten betreft die verdachte toen reeds onder zich had, nu het voor de verdachte niet mogelijk is de op dat moment aanwezige fazanten achteraf te ringen.
D
Het hof overweegt omtrent de beide onderdelen als volgt.
D1
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de meeste van zijn fazanten gemiddeld ongeveer 1 jaar oud worden. Na ongeveer 1 jaar worden ze geslacht. Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat er op zijn perceel ongeveer 200 fazanten per jaar worden gefokt. Slechts een paar fazanten worden niet geslacht als ze ongeveer 1 jaar oud zijn, doch gehouden ten behoeve van de eierproductie of het maken van soep, aldus verdachte.
Deze oudere fazanten worden aldus verdachte geslacht als ze ongeveer 3 jaar oud zijn, maar het kan ook op jongere leeftijd gebeuren.
D2
Gelet op deze verklaring van verdachte, noch gelet op hetgeen anderszins is aangevoerd, is het voor het hof aannemelijk geworden dat verdachte (een deel van) de op 20 december 2005 aangetroffen 215 ongeringde fazanten reeds vóór 1 april 2002 onder zich heeft gehad. Voor zover het verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie hierop is gestoeld, faalt het.
D3
Met betrekking tot onder C, sub b genoemde aspect overweegt het hof als volgt. Uit het procesverbaal van bevindingen d.d. 1 februari 2006 van de Politie Brabant Noord, District Aa & Dommel, 2 BZG St. Oedenrode, in wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], blijkt dat verbalisant [verbalisant 2] op maandag 15 december 2003 heeft geconstateerd dat verdachte ongeringde fazanten onder zich had. In overleg met justitie is verdachte toen een officiële waarschuwing gegeven "om daar een einde aan te maken".
D4
Indien en voor zover zich onder de op 20 december 2005 aangetroffen fazanten, fazanten bevonden die zich ook reeds ten tijde van de hiervoor genoemde officiële waarschuwing onder verdachte bevonden, betekent dit naar het oordeel van het hof dat verdachte dan voor wat betreft die fazanten, op welke wijze van ook, geen gevolg heeft gegeven aan de opdracht die - zo moet verdachte hebben begrepen - vervat was in de officiële waarschuwing. Onder die omstandigheden kan thans niet met succes worden betoogd dat dan aan het Openbaar Ministerie geen vervolgingsrecht meer toekomt. Slechts indien zou blijken dat het Openbaar Ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken. Het bestaan van een dergelijke situatie is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden."
4.5. De steller van het middel betoogt dat aldus de mogelijkheid open is gebleven dat alle ongeringde fazanten zijn geboren voor 1 april 2002. Deze hoefden niet geringd te worden. Het OM moet maar bewijzen dat er voor de aangetroffen fazanten wel een ringplicht gold. Voorzover het hof de verklaring van verdachte die ter terechtzitting in hoger beroep is afgelegd voor het bewijs bezigt zou dat in strijd zijn, zo begrijp ik strekking van dit onderdeel van het middel, met de regel dat de bewezenverklaring niet louter op de verklaring van verdachte mag berusten.
4.6. Het hof heeft uit de verklaring van verdachte, ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd, afgeleid dat per jaar ongeveer 200 fazanten worden uitgebroed waarvan het grootste deel wordt geslacht als zij ongeveer een jaar oud zijn. Slechts een paar fazanten worden niet geslacht en blijven in leven ten behoeve van de eierproductie. Maar deze worden geslacht als zij ongeveer drie jaar oud zijn. Het hof heeft hieruit kunnen afleiden dat de fazanten die op 20 december 2005 zijn aangetroffen niet al voor 1 april 2002, dus drie jaar en acht maanden eerder, op het terrein van verdachte aanwezig waren. De stelling dat het hof voor deze weerlegging van het verweer niet mocht verwijzen naar de verklaring die verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd faalt reeds omdat de verwijzing naar deze verklaring niet redengevend is voor het bewijs.
De overwegingen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn evenmin onbegrijpelijk, zodat het middel faalt.
5.1. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte gebruik heeft gemaakt voor het bewijs van de verklaring van de echtgenote van verdachte, omdat deze gehoord is zonder dat aan haar de cautie is gegeven.
5.2. Op een verweer van die strekking heeft het hof het volgende geantwoord:
"Hl
De raadsman heeft voorts op de gronden als vermeld in de pleitnota betoogd dat door de verbalisanten is verzuimd aan verdachte en zijn echtgenote tijdig de cautie gegeven, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting.
H2
Het hof zal dit verweer passeren, reeds omdat de uitlatingen van verdachte vóórdat hem de cautie was gegeven niet tot het bewijs zullen worden gebezigd. Voor wat betreft de echtgenote van verdachte stelt het hof vast dat niet blijkt dat zij op enig moment als verdachte is aangemerkt, zodat haar op grond van artikel 29 van Pro het Wetboek van Strafvordering de cautie niet medegedeeld hoefde te worden. Voorts wordt nog overwogen dat een eventuele schending van de 'cautieplicht' ten aanzien van verdachtes echtgenote, niet verdachte zelf raakt in enig rechtens te beschermen belang."
5.3. De steller van het middel voert aan dat voor verbalisanten niet duidelijk kon zijn door wie de fazanten werden gehouden. Daarom hadden zij duidelijkheid moeten verschaffen of de echtgenote van verdachte als getuige dan wel als verdachte werd gehoord.
5.4. Reeds de eerste door het hof gegeven grond voor verwerping van het verweer, voorzover dat betrekking heeft op het horen van de echtgenote van verdachte, kan de afwijzing van het verweer zelfstandig dragen. Ik verwijs de steller van het middel naar HR 20 juli 1995, DD 95.402.
Het middel faalt.
6.1. Het laatste middel klaagt over de overwegingen van het hof m.b.t. de redelijke termijn. Het bestreden arrest houdt dienaangaande het volgende in:
"Op te leggen straf of maatregel
De gedingstukken geven het hof aanleiding ambtshalve te onderzoeken of het in artikel 6 EVRM Pro bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier geschonden.
De economische politierechter heeft op 21 september 2006 vonnis gewezen. Op 22 september 2006 heeft de verdachte tegen het beroepen vonnis hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het dossier op 6 juni 2007, na het instellen van het hoger beroep ter griffie van het hof binnengekomen. Derhalve is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn geschonden.
De overschrijding is evenwel dermate gering, dat er geen enkele aanleiding is om aan dat oordeel enig rechtsgevolg te verbinden. Het hof zal daarom met deze constatering volstaan.
Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief is gedetineerd, de termijn waarbinnen de zaak in hoger beroep is behandeld en de mate van
voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld."
6.2. Ik stel voorop dat dit overwegingen zijn die niet zijn uitgelokt door enig verweer van de verdediging. Kennelijk heeft de verdediging geen aanleiding gezien te betogen dat verdachte langer dan redelijk is onder de druk van een dreigende strafvervolging heeft moeten leven.
6.3. In eerste aanleg is vonnis gewezen negen maanden na de dag waarop het feit is gepleegd, op welke datum op zijn vroegst de redelijke termijn is kunnen beginnen te lopen. Tussen het instellen van het hoger beroep en de datum waarop het dossier ter griffie van het hof is ontvangen zijn acht maanden en 15 dagen verstreken. Het hof heeft vervolgens arrest gewezen na één jaar en vier en een halve maand.
6.4. Dus alleen met het inzenden van de stukken na het instellen van het hoger beroep is meer tijd gemoeid geweest dan vanuit het oogpunt van de redelijke termijn geoorloofd is. Gelet op het kader dat de Hoge Raad in HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis heeft geschetst, meer bepaald in rechtsoverweging 3.6.2 onder C, en het feit dat in feitelijke aanleg geen beroep op schending van de redelijke termijn is gedaan, geven de overwegingen van het hof geen blijk van een verkeerde uitleg. Tot een nadere motivering was het hof onder deze omstandigheden niet gehouden.
7. De voorgestelde middelen falen. Het eerste tot en met het vierde middel kunnen naar mijn oordeel met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met zaaknummer 09/00148.
2 Kamerstukken II 1992/93, 23147, 3, pagina 67/68.
3 Kamerstukken II 1996/97, 23147, nr. 10.
4 Kamerstukken II 1996/97, 23147, nr. 12, pagina 44.
5 Kamerstukken II 1996/97, 23147, nr. 13.
6 Kamerstukken II 1997/98, 23147, nr. 14.
7 Kamerstukken II 1997/98, 23147, nr. 125.
8 Kamerstukken II 1997/98, 23147, nr. 126.
9 Kamerstukken I 1997/98, 23147, nr. 104, gedateerd 4 november 1997.
10 Stb. 1998, 402.
11 HR 31 maart 1998, DD 98.240; HR 24 september 2002, LJN AE6122; HR 16 september 2003, LJN AG3126; HR 15 juni 2004, NJ 2005, 5 m.nt. Buruma; HR 30 augustus 2005, LJN AT7546; HR 30 oktober 2007, NJ 2008, 146 m.nt. Keijzer.