ECLI:NL:HR:2000:AA4280
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Mijnssen
- Herrmann
- Van der Putt-Lauwers
- De Savornin Lohman
- Kop
- Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtsgeldigheid afstand van vakantiedagen in beëindigingsovereenkomst
De werknemer was sinds 1970 in dienst bij de werkgever en had onderhandeld over een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een afvloeiingsregeling. In de onderhandelingen werd een 'package deal' overeengekomen, waarin onder meer een afkoopsom, beëindiging van werkzaamheden per 31 december 1990 en beëindiging van het dienstverband per 1 juli 1991 waren opgenomen. De werknemer vorderde vervolgens betaling van niet-genoten vakantiedagen.
De kantonrechter wees deze vordering af, en de rechtbank bekrachtigde dit oordeel na bewijslevering. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de werknemer onvoorwaardelijk afstand had gedaan van zijn aanspraak op uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen binnen de context van de 'package deal'. De Hoge Raad benadrukte dat een dergelijk beding slechts nietig is indien het ten nadele van de werknemer is, hetgeen hier niet het geval was.
De Hoge Raad verwierp ook het verweer dat afstand alleen kan worden gedaan door een ondubbelzinnige, op afstand gerichte verklaring, aangezien de schriftelijke onderhandelingen en overeenkomsten duidelijk maakten dat de werknemer akkoord was gegaan met de regeling. Het cassatieberoep werd verworpen en de werknemer werd veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de werknemer onvoorwaardelijk afstand heeft gedaan van zijn recht op uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen.