ECLI:NL:RBUTR:2011:BU3789
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verplichte opname van vakantiedagen bij bedrijfssluiting in strijd met dwingend recht
De zaak betreft een geschil tussen [eiser] en Cofely Nederland N.V. over de toekenning van een bonus over 2009 en de uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen bij beëindiging van het dienstverband. [eiser] vordert onder meer betaling van een bonus, vergoeding van vakantiedagen, wettelijke verhoging, een getuigschrift, incassokosten en proceskosten.
De kantonrechter oordeelt dat de bonusvordering wordt afgewezen omdat de PMO-regeling bij een negatief resultaat van Cofely niet van toepassing is en de bonusuitkering naar discretionaire bevoegdheid van de directie geschiedt. Er is geen bewijs dat Cofely het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.
Ten aanzien van de vakantiedagen stelt de kantonrechter vast dat het Sociaal Plan, aangemeld als CAO, een bepaling bevat die werknemers verplicht vakantiedagen op te nemen bij bedrijfssluiting. Dit is in strijd met artikel 7:638 lid 2 en Pro 7:641 BW en de bedoeling van de wetgever, die een verplichting tot opname van het volledige vakantiedagentegoed bij bedrijfssluiting niet toestaat. Het Sociaal Plan is daarom vernietigbaar voor zover het deze bepaling betreft.
Cofely wordt veroordeeld tot betaling van € 13.722,17 bruto voor 251 niet-genoten vakantiedagen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 november 2010 en een wettelijke verhoging van 20%. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Cofely wordt veroordeeld tot betaling van € 13.722,17 bruto voor niet-genoten vakantiedagen met wettelijke rente en verhoging, terwijl de bonusvordering wordt afgewezen.