ECLI:NL:HR:1998:AA2450
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over fiscale behandeling van prijsgegeven pensioenrechten en koopsomvermindering bij aandelenverkoop
Belanghebbende en zijn echtgenote, aandeelhouders van een vennootschap, verkochten in 1991 hun aandelen en deden daarbij afstand van pensioen- en lijfrenterechten ten gunste van de vennootschap. Het hof oordeelde dat deze prijsgegeven rechten als inkomsten uit aanmerkelijk belang moesten worden gezien en verwerkte ook een koopsomvermindering uit 1994 in de winstberekening van 1991.
In cassatie stelde de weduwe van belanghebbende dat het hof ten onrechte het bedrag van f 346.051 als inkomsten had aangemerkt, terwijl dit als winst uit aanmerkelijk belang moest worden behandeld. De Hoge Raad gaf haar gelijk en vernietigde het hofarrest op dit punt. De Staatssecretaris stelde dat de koopsomvermindering in 1994 niet in 1991 verwerkt mocht worden, een middel dat door de Hoge Raad werd verworpen omdat het een uitvoering betrof van een balansgarantie en niet een nieuwe overeenkomst.
De Hoge Raad vernietigde het hofarrest en de inspecteursaanslag, stelde de aanslag vast op een belastbaar inkomen van f 510.507, belast naar het tarief van artikel 57a lid 2, en veroordeelde de Staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten aan de weduwe. De uitspraak bevestigt de fiscale behandeling van prijsgegeven rechten en de toepassing van balansgaranties bij aandelenverkoop.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van f 510.507, belast naar artikel 57a lid 2 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.