ECLI:NL:HR:1997:AA2096
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat belanghebbende als ondernemer wordt aangemerkt in ondermaatschap bakkerij
Belanghebbende was tot februari 1990 in loondienst bij een vennootschap onder firma (vof) die een bakkerij exploiteert, waarin zijn echtgenote en een derde firmanten waren. Per 1 februari 1990 sloten belanghebbende en zijn echtgenote een overeenkomst van ondermaatschap, waarbij ieder kapitaal en arbeid inbracht en de resultaten gelijkelijk werden verdeeld. De winst van de firma bedroeg in 1990 ƒ 151.228,--, waarvan belanghebbende ƒ 48.000,-- als arbeidsbeloning ontving.
De Inspecteur hield de aanslag op het belastbaar inkomen van belanghebbende op ƒ 47.065,-- in stand, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en stelde het belastbaar inkomen vast op ƒ 28.177,--, waarbij het Hof oordeelde dat belanghebbende als ondernemer in de zin van artikel 6 Wet Pro op de inkomstenbelasting 1964 moet worden aangemerkt.
De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen het oordeel van het Hof. De Hoge Raad overwoog dat de overeenkomst van ondermaatschap inhoudt dat belanghebbende kapitaal en arbeid inbrengt en dat hij rechtstreeks gerechtigd is tot de winst en stille reserves. Hierdoor drijft belanghebbende een onderneming. Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het Hof en wees het cassatieberoep af.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt verworpen en het oordeel van het Hof dat belanghebbende als ondernemer wordt aangemerkt, wordt bevestigd.