ECLI:NL:PHR:2003:AE8795
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ondernemingsvermogen en buitenvennootschappelijke vermogensetikettering bij man-vrouw-vennootschap onder firma
Belanghebbende en zijn echtgenote, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, drijven samen een vennootschap onder firma (v.o.f.) met een winstverdeling van 50:50. Belanghebbende kocht een winkelpand met bovenwoning en bracht het bedrijfsgedeelte tegen vergoeding in de v.o.f. in, terwijl hij het pand geheel tot zijn buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen rekende. Het geschil betrof de vraag of dit pand in zijn geheel tot het buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen mocht worden gerekend.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid het civiel- en fiscaalrechtelijke kader rond ondernemingsvermogen binnen een huwelijksgemeenschap, waarbij het pand formeel op naam van één echtgenoot staat, maar het gebruik aan de v.o.f. wordt ter beschikking gesteld. Jurisprudentie en literatuur tonen aan dat het ondernemingsvermogen fiscaalrechtelijk wordt toegerekend aan de ondernemer, ook als het vermogen deel uitmaakt van de huwelijksgemeenschap. Het bestuur van het pand blijft bij de echtgenoot die het pand heeft gekocht, ook als het gebruik aan de onderneming wordt gegeven.
De Hoge Raad concludeert dat belanghebbende het pand tot zijn buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen mag rekenen. De bestuursregeling van artikel 1:97 lid 2 BW Pro is niet van toepassing omdat het pand slechts ter beschikking is gesteld en niet dienstbaar is gemaakt aan het beroep of bedrijf van de echtgenote. Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek.