ECLI:NL:PHR:1998:AA2544
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over ondernemerschap bij maatschap en stille reserves in inkomstenbelasting
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het hof 's-Hertogenbosch over de inkomstenbelasting 1991. Belanghebbende en haar echtgenoot, gehuwd buiten gemeenschap van goederen, hebben een maatschapsovereenkomst gesloten waarbij de echtgenoot zijn tandartspraktijk inbracht en belanghebbende werkzaamheden verrichtte zoals administratie en assistentie.
Het geschil draait om de vraag of belanghebbende winst uit onderneming genoot. Het hof oordeelde bevestigend, stellende dat belanghebbende door haar deelname in de maatschap een onderneming dreef, ondanks het voorbehoud van de echtgenoot op stille reserves en goodwill.
De Hoge Raad stelt dat voor ondernemerschap vereist is dat de belastingplichtige mede gerechtigd is tot de stille reserves en goodwill, omdat dit het risico en de aanspraak op het liquidatieoverschot weerspiegelt. Het voorbehoud van de echtgenoot kan ertoe leiden dat belanghebbende geen ondernemer is. De Hoge Raad acht het noodzakelijk dat een feitenrechter hierover beslist en vernietigt daarom het hofarrest, verwijzend voor verdere behandeling.
De conclusie bevat uitgebreide jurisprudentie en literatuur over de betekenis van stille reserves, maatschapsrecht en ondernemerschap in fiscale zin. Ook wordt de verhouding tussen arbeid, kapitaal, winstverdeling en aansprakelijkheid besproken. De zaak benadrukt het belang van de feitelijke uitvoering en de contractuele rechten bij de beoordeling van ondernemerschap voor de inkomstenbelasting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere feitenvaststelling over het ondernemerschap van belanghebbende.