Uitspraak
[X] )te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 23 november 1990 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende, een publiekrechtelijk lichaam ingesteld door een gemeenschappelijke regeling van twaalf gemeenten, kreeg een naheffingsaanslag opgelegd voor omzetbelasting over de periode 1984-1988. De Inspecteur stelde dat onderhoud van sportvelden en zwembaden niet was vrijgesteld van omzetbelasting en hevelde een bedrag na. Het Hof oordeelde dat belanghebbende geen in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen aan het eerdere standpunt van de Inspecteur dat deze prestaties niet belast waren.
De Hoge Raad stelt dat het Hof ten onrechte voorbijging aan het feit dat belanghebbende op basis van eerdere gedragingen van de Inspecteur mocht aannemen dat de kwestie op fiscale merites was beoordeeld. Dit vertrouwen geldt zolang het voor belanghebbende redelijkerwijs niet mogelijk is om de belasting alsnog aan afnemers door te berekenen, waarbij de duur van prijsafspraken en contractuele mogelijkheden van belang zijn.
De Hoge Raad benadrukt dat het niet vereist is dat de Inspecteur de zaak daadwerkelijk fiscaal inhoudelijk heeft beoordeeld, maar dat het voldoende is dat belanghebbende mocht aannemen dat dit het geval was. De uitspraak van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor verdere behandeling met inachtneming van het vertrouwensbeginsel.