Uitspraak
x, eerste lid, BWNA (gelijkluidend aan art. 1638
x, eerste lid, BW) op haar als werkgeefster van [verzoeker] rustende verplichtingen.
8 februari 1985.
Hoge Raad
Op 10 februari 1968 liep verzoeker als werknemer van Chicago Bridge een bedrijfsongeval op het raffinaderij-terrein van Lago op Aruba, waarbij hij werd getroffen door een vallend stuk ijzer. Verzoeker vorderde schadevergoeding wegens blijvend letsel aan zijn linkerknie, dat hem belemmerde in zijn arbeid.
De rechtbank wees de vordering toe, maar het hof beperkte de vergoeding aanzienlijk en wees het grootste deel af, stellende dat latere klachten psychisch van aard waren en niet aan het ongeval konden worden toegerekend. Het hof baseerde dit op een medisch rapport dat stelde dat het trauma voortkwam uit onvoldoende medische behandeling.
De Hoge Raad oordeelde dat het uitblijven of vertraging van herstel door medische tekortkomingen in het algemeen aan de werkgever moet worden toegerekend, ook als dit samenhangt met de psychische reactie van de werknemer. Dit betekent dat het hof zijn oordeel moest herzien en nader onderzoek moest doen naar de mate van arbeidsongeschiktheid en de omvang van de schade, inclusief de vraag of smartegeld vanaf eind april 1968 gerechtvaardigd is.
De Hoge Raad vernietigde het hofvonnis en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing, waarbij de kosten van het cassatiegeding aan Chicago Bridge werden opgelegd.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofvonnis en verwijst zaak terug voor nader onderzoek naar arbeidsongeschiktheid en schadevergoeding.