Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:950

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
24/1618 tot en met 24/1620
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.110 Wet IB 2001Art. 3.119a Wet IB 2001Art. 3.119c Wet IB 2001Art. 3.119g Wet IB 2001Art. 3.120 lid 1 letter a Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over aftrek eigenwoningrente voor jaren 2016 en 2018

Belanghebbende was eigenaar en bewoner van een woning en voerde in zijn aangiften inkomstenbelasting voor 2016, 2018 en 2020 renteaftrek op verschillende leningen op. De inspecteur corrigeerde deze aftrekposten en legde navorderingsaanslagen en aanslagen op, die belanghebbende betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.

Het hof oordeelde dat voor de lening bij [N.V.] uit 2006 slechts een renteaftrek van €8.485 per jaar aannemelijk was, omdat belanghebbende niet kon aantonen dat hij meer rente had betaald. Voor de ABN AMRO leningen stelde het hof vast dat het saldo vrijwel gelijk bleef, wat duidt op opnamen en dus geen eigenwoningschuld meer was. Wel werd het vertrouwensbeginsel toegepast voor de jaren 2016 en 2018, omdat de inspecteur in 2011 de aftrek in de bezwaarfase had toegestaan en sindsdien geen wijziging had doorgevoerd.

Voor 2020 kon het vertrouwensbeginsel niet worden toegepast vanwege de omzetting van de leningen naar een Interbank lening en gewijzigde omstandigheden. Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor 2016 en 2018, verminderd de aanslagen en belastingrente, en bepaalde dat de inspecteur het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoedt. Het hoger beroep werd gegrond verklaard.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep gegrond voor 2016 en 2018, vermindert de aanslagen en belastingrente en past het vertrouwensbeginsel toe, maar handhaaft de uitspraak voor 2020.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1618 tot en met 24/1620
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 september 2024, nummers BRE 23/3345 tot en met 23/3347, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de volgende belastingaanslagen opgelegd:
-een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016 [1] ;
- de aanslag IB/PVV 2018 [2] ;
- de aanslag IB/PVV 2020 [3] .
Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Belanghebbende is, zonder bericht, niet verschenen. Namens de inspecteur zijn verschenen, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij bericht van 14 november 2025 heeft uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Dit bericht is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Uit het systeem (Mijn Rechtspraak) volgt dat op 14 november 2025 om 15:04 uur een notificatiemail naar het e-mailadres dat belanghebbende heeft opgegeven, [e-mailadres] , is verzonden. Tot de gedingstukken behoren schermprints van de statusinformatie van het verzendbewijs.
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende was in de onderhavige jaren eigenaar en bewoner van de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).
2.2.
Hij heeft in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2016, 2018 en 2020 (hierna: de aangiften) ter zake van de woning het volgende aangegeven:
2016
2018
2020
Huurwaardeforfait
€ 2.865
€ 2.807
€ 2.844
Aftrekbare rente
-€ 19.632
-€ 19.684
-€ 18.568
Inkomsten eigen woning
-€ 16.767
-€ 16.877
-€ 15.724
2.3.
De rentebedragen die belanghebbende in de aangiften heeft vermeld, zijn als volgt onderverdeeld:
2016
2018
2020
ABN AMRO Flexibel Krediet ( [rekeningnummer 1] )
€ 725
€ 724
€ 17
ABN AMRO Privélimiet Plus ( [rekeningnummer 2] )
€ 1.937
€ 1.990
Interbank ( [rekeningnummer 3] )
€ 1.581
Hypotheek [N.V.]
€ 16.970
€ 16.970
€ 16.970
Totaal
€ 19.632
€ 19.684
€ 18.568
De inspecteur heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslag IB/PVV over 2016 en de aanslagen IB/PVV over 2018 en 2020 geen van bovengenoemde bedragen in aftrek geaccepteerd.
2.4.
De lening bij [N.V.] is aangegaan in 2006. [N.V.] was een op Curaçao gevestigde naamloze vennootschap, maar thans is zij gevestigd in [plaats 2] (Nederland).
2.5.
Op 18 augustus 2022 heeft de inspecteur [N.V.] verzocht om informatie te verstrekken in het kader van een derdenonderzoek. In reactie daarop heeft [naam] namens [N.V.] op 23 augustus 2022 per e-mail verklaard dat belanghebbende maandelijks € 707,08 rente - ofwel jaarlijks € 8.484,96 - betaalt aan [N.V.] . Als bewijs daarvoor heeft hij foto’s van rekeningafschriften van de bankrekening van [N.V.] bij Rabobank bijgevoegd.
2.6.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende (deels) toegewezen en voor ieder van de onderhavige jaren alsnog een aftrek van € 8.485 eigenwoningrente geaccepteerd. Het belastbaar inkomen uit werk en woning van de onderhavige jaren is als volgt vastgesteld:
2016
2018
2020
Inkomsten uit arbeid
€ 64.973
€ 67.146
€ 73.969
Eigenwoningforfait
€ 2.865
€ 2.807
€ 2.844
Rente eigen woning
- € 8.485
- € 8.485
- € 8.485
Premie inkomensvoorzieningen
- € 401
- € 458
- € 516
Belastbaar inkomen werk en woning
€ 58.952
€ 61.010
€ 67.812
2.7.
Belanghebbende heeft een akte van hypothecaire lening met [N.V.] overgelegd waaruit blijkt dat hij aan [N.V.] een rente van 4% per jaar is verschuldigd. Ook heeft hij jaaroverzichten van de ABN AMRO overgelegd waaruit de betaalde rente op de Privélimiet Plus- en Flexibel Krediet leningen (hierna: de ABN AMRO leningen) blijkt.
2.8.
De relevante voorwaarden van een Flexibel Kredietovereenkomst bij de ABN AMRO zijn:

l. Wat is een Flexibel Krediet?
Een Flexibel Krediet is een doorlopende lening voor particulieren. Doorlopend betekent dat u aan de bank terugbetaalde bedragen weer kunt lenen.
2. Gebruik van uw Flexibel Krediet
a. Tot de afgesproken kredietlimiet kunt u maximaal twee jaar geld opnemen vanaf het moment dat uw krediet in onze administratie is opgenomen. Ook kunt u in deze periode bedragen die u heeft terugbetaald weer opnemen. We noemen dit de opnameperiode. Na deze opnameperiode stopt de mogelijkheid om opnames te doen . U kunt na de opnameperiode ook geen opnames meer doen als u uw kredietlimiet nog niet heeft bereikt. Tijdens en na de opnameperiode moet u uw maandbedrag betalen. Dit doet u totdat u uw openstaande leenbedrag van het Flexibel Krediet helemaal heeft terugbetaald. Hoe lang dit duurt na afloop van de opnameperiode is afhankelijk van uw openstaande leenbedrag, de rente en het maandbedrag.
(...)
3. Rente en terugbetalen van uw Flexibel Krediet
a. U betaalt iedere maand een bedrag. Dit maandbedrag bestaat uit een deel rente en een deel terugbetaling. ”
2.9.
De relevante voorwaarden van een Privélimiet Plus kredietovereenkomst bij de ABN AMRO zijn:

1. Wat is een Privélimiet Plus?
Een Privélimiet Plus is een vorm van rood staan. Het is een doorlopende lening op een betaalrekening voor particulieren. Doorlopend betekent dat u aan de bank terugbetaalde bedragen weer kunt lenen.
(...)
3. Rente en terugbetalen van uw Privélimiet Plus
a. U betaalt iedere maand een bedrag. Dit maandbedrag bestaat uit een deel rente en een deel terugbetaling. ”
2.10.
Het Flexibel Krediet en de Privélimiet Plus kredietovereenkomst zijn in december 2019 omgezet in een annuïteitenlening bij de Interbank.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de inspecteur de aftrek eigen woning terecht heeft gecorrigeerd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de (navorderings)aanslagen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Op grond van artikel 3.110 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) bestaan de belastbare inkomsten uit eigen woning uit de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten.
4.2.
Op grond van artikel 3.120, lid 1, letter a, Wet IB 2001 behoren tot de hiervoor bedoelde aftrekbare kosten de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld.
4.3.
Op grond van artikel 3.119a Wet IB 2001 wordt onder eigenwoningschuld verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige:
die zijn aangegaan in verband met een eigen woning;
ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen overeenkomstig artikel 3.119c;
ter zake waarvan aan de verplichting tot aflossing wordt voldaan (aflossingseis), en
ter zake waarvan, ingeval artikel 3.119g van toepassing is, aan de verplichting tot informatieverstrekking, bedoeld in dat artikel, wordt voldaan.
4.4.
Op grond van artikel 10bis.9, lid 1, Wet IB 2001 wordt onder de hiervoor genoemde eigenwoningschuld mede verstaan de bestaande eigenwoningschuld. De bestaande eigenwoningschuld betreft de eigenwoningschuld, bedoeld in artikel 3.119a, lid 1, Wet IB 2001, zoals dat luidde op 31 december 2012, van de belastingplichtige op 31 december 2012. Dat betekent, kort gezegd, dat de aflossingseisen en informatieplicht niet gelden ten aanzien van de eigenwoningschuld voor zover die op 31 december 2012 al bestond.
4.5.
De bewijslast dat een lening tot de eigenwoningschuld moet worden gerekend en dat sprake is van drukkende aftrekbare kosten, rust op belanghebbende.
Lening ‘ [N.V.] ’
4.6.
Belanghebbende stelt zich met betrekking tot deze lening op het standpunt dat in 2016, 2018 en 2020 een bedrag van € 16.970 aan betaalde rente in aftrek mag worden gebracht. De lening betreft een aflossingsvrije hypotheek met een hoofdsom van € 390.415, die is afgesloten op 13 juni 2006. Ter onderbouwing heeft belanghebbende een hypotheekakte overgelegd.
4.7.
De inspecteur stelt zich op het standpunt dat deze lening weliswaar tot de eigenwoningschuld kan worden gerekend, maar dat slechts sprake is van een bedrag van € 8.485 aan aftrekbare rente. Dat is het bedrag aan rente dat volgens de informatie van [N.V.] in de onderhavige jaren van belanghebbende is ontvangen. Belanghebbende heeft verder slechts een hypotheekakte overgelegd die drie jaar na aankoop van de eigen woning is verleden.
4.8.
Het hof stelt voorop dat sprake is van een lening die is afgesloten op 13 juni 2006, zodat aan het onder 4.4 genoemde vereiste is voldaan. In beginsel kan daarom in dit geval sprake zijn van aftrekbare rente. Uit de stukken volgt echter dat slechts een bedrag van € 8.485 aan rente is betaald in de onderhavige jaren. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij meer rente heeft betaald dan dat. Hij heeft bijvoorbeeld geen betalingsbewijzen overgelegd. Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat in 2014 mondeling is afgesproken dat naast de maandelijkse aflossing een bedrag van € 707,08 maandelijks renteloos wordt uitgesteld en wordt terugbetaald bij herfinanciering of verkoop van de woning, brengt dat het hof niet tot een ander oordeel. In dat geval is die uitgestelde rente niet betaald, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend geworden, zie artikel 3.147 Wet IB 2001. De inspecteur heeft voor deze lening terecht een bedrag van € 8.485 aan renteaftrek geaccepteerd.
4.9.
Dat de inspecteur in het verleden het recht op renteaftrek van belanghebbende al eens heeft beoordeeld en heeft geaccepteerd, maakt het voorgaande niet anders. Belanghebbende dient jaarlijks aannemelijk te kunnen maken dat en tot welk bedrag rente is betaald, en daar is hij in dit geval ten aanzien van het meerdere niet in geslaagd.
ABN-AMRO leningen
4.10.
Belanghebbende stelt dat de ABN AMRO leningen in 2002 zijn opgenomen ten behoeve van de bouw van de eigen woning en dat deze leningen daarom als eigenwoningschulden moeten worden gezien. Ten aanzien van de Privélimiet Plus kredietovereenkomst stelt belanghebbende dat de opnamecapaciteit van deze rekening in 2002 op € 0 is gesteld.
4.11.
De inspecteur bestrijdt dat het gaat om eigenwoningschulden en wijst erop dat de saldi van de leningen over de jaren heen gelijk zijn gebleven en dat dit betekent dat belanghebbende opnamen moet hebben gedaan. Immers bij deze leningen betaalt de schuldenaar een maandelijks bedrag van rente en aflossing. Aangezien belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze opnamen zijn gebruikt voor de eigen woning, is de rente niet aftrekbaar, aldus de inspecteur.
4.12.
Naar het oordeel van het hof, heeft belanghebbende met de enkele stelling dat de ABN AMRO leningen in 2002 zijn opgenomen ten behoeve van de eigen woning en dat hij na 2002 geen opnamen meer heeft gedaan, niet aannemelijk gemaakt dat de leningen ook in 2016, 2018 en 2020 nog het karakter van een eigenwoningschuld hebben behouden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het saldo van de leningen over de jaren heen vrijwel gelijk is gebleven en dat dit bij een lening waarop slechts kan worden afgelost betekent dat opnamen moeten hebben plaatsgevonden. Aangezien de ABN AMRO leningen in december 2019 kennelijk zijn omgezet naar één lening bij Interbank, geldt voor deze lening hetzelfde.
Vertrouwensbeginsel
4.13.
Belanghebbende stelt dat in 2011 de ABN AMRO leningen in de bezwaarfase zijn onderzocht en dat uiteindelijk de aftrekpost in de bezwaarfase is goedgekeurd en dat hij daaraan vertrouwen mag ontlenen. De inspecteur erkent dat voor 2011 de aangifte op het punt van de aftrek eigen woning is gecorrigeerd en dat in de bezwaarfase uiteindelijk aftrek voor eigen woning is toegekend. Hij voegt daaraan toe dat dit zonder controle is gebeurd. Verder wijst de inspecteur erop dat ook na 2011 het saldo op deze rekeningen telkens gelijk is gebleven, daarom moet sprake zijn geweest van opnamen. Daarom zijn de omstandigheden gewijzigd en kan dus geen sprake zijn van gewekt vertrouwen.
4.14.
In dit geval is voor in rechte te honoreren vertrouwen meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de aangifte gedurende een aantal jaren bij het vaststellen van de aanslag is gevolgd. Voor zodanig vertrouwen zijn bijkomende omstandigheden vereist die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat de inspecteur zich bewust op een bepaald standpunt heeft gesteld. [4] In dit geval zijn die bijkomende omstandigheden aanwezig. De indruk van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur is gewekt doordat bij de aanslagregeling IB/PVV over 2011 op het punt van de aftrek van rente voor de eigen woning is afgeweken van de aangifte van belanghebbende. Vervolgens is, toen belanghebbende daartegen bezwaar heeft gemaakt, de aftrek in de uitspraak op bezwaar toegekend. Belanghebbende kon daarom redelijkerwijs menen dat de inspecteur bewust het standpunt heeft ingenomen dat belanghebbende recht had op aftrek van rente voor de eigen woning voor de ABN AMRO leningen. De feiten en omstandigheden van 2016 en 2018 wijken niet in rechtens relevante zin af van de feiten die de inspecteur heeft beoordeeld in het kader van de behandeling van het bezwaar betreffende het jaar 2011. Het ging in 2011 namelijk om dezelfde leningen met dezelfde voorwaarden. Ook maakt de omstandigheid dat het bezwaar kennelijk niet is beoordeeld, dit oordeel niet anders omdat het gaat om de indruk die bij belanghebbende kan zijn gewekt. Voor het jaar 2016 heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat hij heeft berust in het oordeel van het hof over de aanslag IB/PVV 2017 [5] waarin het hof eveneens heeft geoordeeld dat de inspecteur de indruk heeft gewekt dat zolang de situatie niet verandert, de lening wordt gerekend tot de eigenwoningschuld en de renteaftrek dan ook zou worden toegestaan, en dat de situatie in 2016 niet verschilt van 2017.
Ter zitting heeft de inspecteur verklaard dat in juni 2020 vragen zijn gesteld over de aangifte IB/PVV 2017 en dat vanaf dat moment sprake kan zijn van het opzeggen van vertrouwen. Aangezien het vertrouwen daarmee niet eerder dan juni 2020 is opgezegd, is de inspecteur daaraan ook voor de jaren 2016 en 2018 gebonden.
4.15.
Met ingang van 2020 heeft belanghebbende de ABNAMRO leningen omgezet in een lening bij Interbank. Belanghebbende op wie ter zake de bewijslast rust, heeft geen enkele informatie verschaft over deze lening. Naar het oordeel van het hof zijn de omstandigheden in 2020 vanwege deze omzetting zodanig gewijzigd dat belanghebbende niet langer een geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel.
4.16.
Het oordeel in 4.14. betekent dat het hoger beroep voor de jaren 2016 en 2018 gegrond is en dat het hof de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en de aanslag IB/PVV 2018 als volgt zal verminderen:
2016
2018
Inkomsten uit arbeid
€ 64.973
€ 67.146
Eigenwoningforfait
€2.865
€ 2.807
Rente eigen woning
- € 11.147
- € 11.199
Premie inkomensvoorzieningen
- € 401
- € 458
Belastbaar inkomen werk en woning
€ 56.290
€ 58.296
Tussenconclusie
4.17.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.18.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50, respectievelijk € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de proceskosten
4.19.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht. Gesteld noch gebleken is namelijk dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, met uitzondering van de beslissingen ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2020 (zaaknummer BRE 23/3347);
  • verklaart de tegen de uitspraken op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroepen voor de jaren 2016 en 2018 gegrond (zaaknummers BRE 23/3345 en BRE 23/3346);
  • vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de jaren 2016 en 2018;
  • vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.290;
  • vermindert de aanslag IB/PVV 2018 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.296;
  • vermindert de beschikkingen belastingrente evenredig;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 188 vergoedt.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt voorzitter, T.A. Gladpootjes en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Dit betreft de zaak die bij het hof bekend is onder het zaaknummer 24/1618 en bij de rechtbank onder het zaaknummer BRE 23/3345.
2.Dit betreft de zaak die bij het hof bekend is onder het zaaknummer 24/1619 en bij de rechtbank onder het zaaknummer BRE 23/3346.
3.Dit betreft de zaak die bij het hof bekend is onder het zaaknummer 24/1620 en bij de rechtbank onder het zaaknummer BRE 23/3347.
4.vgl. Hoge Raad 13 oktober 1999, nr. 33 311, ECLI:NL:HR:1999:BI6540.
5.Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 11 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1620.