ECLI:NL:GHSHE:2026:672

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
24/821
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.120a Wet IB 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrechtArtikel 6 EVRMAlgemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aftrek rente restschuld voormalige eigen woning wegens vervreemding buiten periode

Belanghebbende was eigenaar van een woning die in 2009 via executieveiling werd verkocht. Hij vorderde aftrek van rente over de restschuld van deze woning in zijn belastingaangifte 2019. De inspecteur weigerde deze aftrek omdat de woning niet in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017 was vervreemd, zoals vereist volgens artikel 3.120a Wet IB 2001.

Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die de aanslag bevestigde, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het hof. Hij voerde aan dat de restschuld pas in de relevante periode was ontstaan en deed een beroep op het vertrouwensbeginsel, mede gebaseerd op voorlopige aanslagen en informatie van de Belastingdienst.

Het hof oordeelde dat de vervreemding van de woning in 2009 viel buiten de genoemde periode en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat belanghebbende voldoende was geïnformeerd over de correctie van de aanslag. Ook werden geen bestuursrechtelijke beginselen geschonden en was er geen sprake van een schending van de AVG. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende geen aftrek van rente over de restschuld kan krijgen omdat de woning vóór de relevante periode is vervreemd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/821
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 19 april 2024, nummer BRE 23/2428, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2019 (hierna: de aanslag) opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende was eigenaar van een woning (hierna: de woning). Ter financiering van de woning zijn belanghebbende en zijn partner een hypotheeklening aangegaan bij een bank.
2.2.
Belanghebbende is op 4 maart 2009 persoonlijk failliet verklaard.
2.3.
De woning is door ING Bank op 6 oktober 2009 verkocht via een openbare verkoop middels een executieveiling. Op 7 oktober 2009 is een akte van gunning opgemaakt.
2.4.
In de aangifte IB/PVV 2009 van belanghebbende is vermeld dat de woning van 1 januari 2009 tot 18 november 2009 kwalificeert als eigen woning.
2.5.
In de door de Belastingdienst ‘vooraf ingevulde aangifte IB/PVV 2009’ (hierna: VIA) staat onder het kopje ‘Bankrekeningen en andere bezittingen’ een schuld per 1 januari 2019 vermeld van € 69.553 met als omschrijving ‘BLG-Hypotheek’.
2.6.
In het kader van het faillissement zijn twee verificatievergaderingen geweest, op 4 december 2012 en 14 oktober 2015.
2.7.
Belanghebbende heeft een aangifte IB/PVV 2019 (hierna: de aangifte) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.638, bestaande uit loon van € 51.489 en een aandeel in de inkomsten uit eigen woning van negatief € 39.851. In totaal is een bedrag van € 39.851 aangegeven als kosten van de eigen woning onder de categorie ‘rente restschuld vroegere eigen woning’.
2.8.
Belanghebbende heeft met dagtekening 26 juni 2020 een voorlopige aanslag IB/PVV ontvangen over het jaar 2019 (hierna: de eerste voorlopige aanslag). Deze aanslag is opgelegd in overeenstemming met de aangifte van belanghebbende. In de eerste voorlopige aanslag staat het volgende:

Deze aanslag is voorlopig
Deze aanslag is uitsluitend gebaseerd op de gegevens uit uw aangifte 2019. De Belastingdienst
gaat uw gegevens nog controleren. De definitieve aanslag kan afwijken van deze voorlopige
aanslag; wellicht moet u het te ontvangen bedrag geheel of gedeeltelijk terugbetalen.”
2.9.
Belanghebbende heeft met dagtekening 21 augustus 2020 een tweede voorlopige aanslag IB/PVV ontvangen (hierna: de tweede voorlopige aanslag). Hierin heeft de inspecteur de ‘rente restschuld vroegere eigen woning’ gecorrigeerd en het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 51.489.
2.10.
De inspecteur heeft belanghebbende op 3 januari 2022 een e-mail gestuurd waarin het volgende is opgenomen:
“(…)
Naar aanleiding van de afhandeling van de aangifte IH 2018, waarin de hypotheekrente nihil is gesteld, neem ik voor de afhandeling IH 2019 eenzelfde standpunt in.
Ik verwijs u hierbij tevens naar de e-mail die ik aan u heb verzonden van 28 juli 2020 en naar de uitspraak op uw bezwaarschrift IH 2018.
In de aangifte heeft u een bedrag van € 39.851 aan betaalde hypotheekrente ingevuld. Uit mijn gegevens blijk niet dat u een bedrag heeft betaald aan hypotheekrente.
Ik zal uw aangifte dan ook wijzigen op dit punt en uw verzamelinkomen vaststellen op € 51.489. (…)”
2.11.
Vervolgens is de definitieve aanslag met dagtekening 27 januari 2022 opgelegd zonder rekening te houden met ‘rente restschuld vroegere eigen woning’.
2.12.
Belanghebbende heeft schermafbeeldingen van de website van de Belastingdienst overgelegd. De tekst op de website van de Belastingdienst luidde, voor zover hier van belang, als volgt:
“Wat betekent een restschuld of overwaarde voor mijn hypotheek?
Blijft u na de verkoop van uw huis zitten met een schuld? Dan hebt u een restschuld.
Of is uw huis juist méér waard dan het bedrag dat u ervoor geleend hebt? Dan hebt u overwaarde.
Kijk bij uw situatie wat dat voor u betekent.
Ik heb een restschuld
Vervelend natuurlijk. Maar ontstond de restschuld in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017? Dan mag u de rente van die schuld nog 15 jaar aftrekken
Is de restschuld ontstaan na 31 december 2017? Dan mag u de rente niet aftrekken.”
2.13.
Op 12 april 2022 heeft belanghebbende van een bezwaarbehandelaar van de Belastingdienst een e-mail ontvangen met de volgende tekst: “
Hierbij is er geen dossier voor uw aanslag H.96.01”.
2.14.
Op 30 mei 2022 heeft de rechtbank [1] uitspraak gedaan in de zaak van belanghebbende met betrekking tot de aanslag IB/PVV 2018 waarin onder meer is geoordeeld dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden voor aftrek van de rente over de restschuld van de woning, omdat de woning in 2009 is verkocht. Dat oordeel is door dit hof op 27 maart 2024 bevestigd. [2] Tevens heeft dit hof geoordeeld dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt. [3]
2.15.
De rechtbank heeft aan belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
Valt de rente over de restschuld van de vervreemde eigen woning aan te merken als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning zoals bedoeld in artikel 3.120a Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?
Kan belanghebbende een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?
Heeft de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?
Heeft de inspecteur foutief en/of onzorgvuldig persoonsgegevens verwerkt, levert dit een schending van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: de AVG) op en moet dit leiden tot vernietiging, dan wel vermindering van de aanslag?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Ten aanzien van de aftrek van rente over de restschuld van de woning
4.1.
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat inspecteur ten onrechte geen aftrek van rente over de restschuld van de woning heeft verleend. De restschuld is volgens hem pas komen vast te staan bij de verificatievergaderingen in het faillissement welke plaatsvonden binnen de periode genoemd in artikel 3.120a, lid 2, Wet IB 2001.
4.2.
Het standpunt van belanghebbende faalt op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 4.6. en 4.7. van de uitspraak van dit hof over de aanslag IB/PVV 2018. Ter zitting voor het hof heeft belanghebbende nader onderbouwd waarom zijns inziens de restschuld pas is ontstaan in de in artikel 3.120a, lid 2, Wet IB 2001 genoemde periode, namelijk van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017. Het betoog van belanghebbende kan hem echter niet baten, aangezien de in dit artikel genoemde periode niet ziet op het moment waarop de restschuld is ontstaan, maar op het moment dat de eigen woning is vervreemd. De vervreemding van de eigen woning in 2009 valt niet in de genoemde periode.
Ten aanzien van het vertrouwensbeginsel
4.3.
Belanghebbende doet een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens hem moet de aftrek van rente over de restschuld worden toegestaan: (i) omdat de eerste voorlopige aanslag is opgelegd in overeenstemming met de aangifte, maar er vervolgens zonder duidelijke aanleiding is afgeweken van de aangifte en belanghebbende niet tijdig is gewezen op de correctie, (ii) vanwege de gegevens in de VIA (zie 2.5.) en (iii) vanwege de informatie op de website van de Belastingdienst (zie 2.12.)
4.4.
Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt. Reeds gelet op hetgeen is vermeld in de eerste voorlopige aanslag (zie 2.8) kon bij belanghebbende redelijkerwijs niet het vertrouwen zijn gewekt dat de aftrek van rente over de restschuld zou worden toegestaan. Verder is belanghebbende anders dan hij stelt wel degelijk geïnformeerd over het voornemen van de inspecteur om bij het vaststellen van de aanslag af te wijken van de aangifte (zie 2.11). Ook de gegevens in de VIA leiden niet tot een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. In de VIA wordt geen fiscale kwalificatie gegeven aan de diverse inkomens- c.q. vermogensbestanddelen en de VIA vormt ook geen standpuntbepaling. Voor wat betreft de informatie op de website van de Belastingdienst faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 4.8 tot en met 4.10 van de uitspraak van dit hof over de aanslag IB/PVV 2018. Het hof voegt daar ten overvloede aan toe dat het beroep op het vertrouwensbeginsel ook faalt omdat het niet zo is dat belanghebbende op basis van de informatie op de website van de Belastingdienst een handeling heeft verricht of juist heeft nagelaten ten gevolge waarvan een hoger bedrag van hem wordt geheven dan hij op basis van die informatie meende als gevolg van die handeling of dat nalaten te moeten betalen. [4] De woning was namelijk reeds vervreemd en de restschuld bestond al voordat belanghebbende kennis had genomen van de informatie op de website van de Belastingdienst.
Ten aanzien van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur
4.5.
Belanghebbende heeft een aantal klachten met betrekking tot de tweede voorlopige aanslag. Die is volgens hem opgelegd in strijd met het zorgvuldigheids-, motiverings- en het rechtzekerheidsbeginsel, omdat belanghebbende voorafgaande aan het opleggen van deze aanslag niet is geïnformeerd door de inspecteur over de reden van opleggen van de tweede voorlopige aanslag. Volgens hem moet de aanslag daarom vernietigd worden.
4.6.
De klachten van belanghebbende kunnen hem niet baten, aangezien in deze procedure niet de tweede voorlopige aanslag ter beoordeling staat, maar de definitieve aanslag. De inspecteur heeft voorafgaande aan het opleggen van deze definitieve aanslag belanghebbende geïnformeerd waarom hij bij het vaststellen van de aanslag zal afwijken van de aangifte (zie 2.10).
4.7.
Belanghebbende heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de inspecteur het gelijkheidsbeginsel, in het bijzonder de zogenoemde meerderheidsregel, heeft geschonden. Dit omdat de aftrek van rente op de restschuld in de jaren 2021 en 2021 wel zou zijn geaccepteerd. De inspecteur heeft gesteld dat de aanslagen over deze jaren geautomatiseerd zijn opgelegd en dat derhalve van een bewuste standpuntbepaling geen sprake is.
4.8.
Het hof is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Het gelijkheidsbeginsel heeft immers geen betrekking op een consistente behandeling van een belastingplichtige, maar op gelijke behandeling van de ene belastingplichtige ten opzichte van een of meer andere belastingplichtigen. [5]
4.9.
Het hof is ook overigens niet gebleken dat de inspecteur de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. De conclusie die belanghebbende lijkt te trekken op basis van de, naar het hof belanghebbende toegeeft onduidelijke, e-mail van 12 april 2022 (zie 2.13) dat er geen zaaksdossier voor de aanslag zou zijn is kennelijk onjuist. De inspecteur heeft immers de op de zaak betrekking hebbende stukken in deze procedure overgelegd.
Ten aanzien van de gestelde schending van de AVG
4.10.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur foutief en/of onvoldoende zorgvuldig persoonsgegevens heeft verwerkt. De persoonsgegevens waarop de inspecteur de aanslag heeft gebaseerd, hebben volgens belanghebbende onvoldoende feitelijke grondslag, zijn onjuist of onvolledig en berusten deels op meningen. Dit levert volgens belanghebbende een schending van de AVG op. Belanghebbende stelt dat “meningen” geen basis mogen zijn voor belastingaanslagen en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting(en). Een belastingaanslag kan volgens belanghebbende uitsluitend berusten op “feiten” ten aanzien waarvan belanghebbende ingevolge artikel 16 van Pro de AVG het recht heeft tot correctie of aanvulling als die “feiten” onjuist of onvolledig zijn. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur in casu “meningen” (aannames) omgezet in financiële persoonsgegevens en deze vervolgens gebruikt om de aan belanghebbende opgelegde belastingaanslagen mee te onderbouwen. Dit is in strijd met de AVG, aldus belanghebbende. Indien “meningen” worden omgezet in belastingaanslagen, levert dit een onrechtmatige daad van de Staat op en is de Staat aansprakelijk voor de schade die daardoor ontstaat. De schending van de AVG moet volgens belanghebbende in dit geval leiden tot vernietiging, dan wel vermindering van de aanslag
4.11.
Het hof is van oordeel dat het standpunt van belanghebbende, inhoudende dat sprake is van het foutief en/of onzorgvuldig verwerken van persoonsgegevens door de inspecteur, hem niet kan baten. Indien zou worden geconstateerd dat de door de AVG beoogde bescherming van de persoonlijke levenssfeer van belanghebbende door de verwerking van persoonsgegevens is geschaad, kan dit niet leiden tot een verlaging van op zichzelf bezien juist berekende aanslag. [6] Hetgeen belanghebbende over de AVG heeft gesteld, laat het hof daarom verder buiten beschouwing.
4.12.
Belanghebbende heeft ook nog gesteld dat de inspecteur artikel 6 EVRM Pro heeft geschonden. Artikel 6 EVRM Pro is echter niet toepasselijk op de procedure met betrekking tot de aanslagen. [7] In deze procedure staat ook geen boete ter beoordeling.
Tussenconclusie
4.13.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.14.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.
4.15.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. [8]
4.16.
Het hof stelt vast dat de rechtbank reeds een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg aan belanghebbende heeft toegekend van € 500. Belanghebbende heeft hiertegen in hoger beroep geen gronden aangevoerd. In hoger beroep is geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het hof is dan ook van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende toe te kennen.
Ten aanzien van het griffierecht
4.17.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.18.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, W.W. Monteiro en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2892.
2.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 27 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1048.
3.Zie de rechtsoverwegingen 4.8 tot en met 4.10 van de in voetnoot 2 genoemde uitspraak.
4.Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1654.
5.Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0398, r.o. 4.
6.Hoge Raad 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748, r.o. 5.4.
7.Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0469, r.o. 3.4.
8.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.