Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:46

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
24/269
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar WOZ-aanslag na herstelverzuim en redelijke termijn overschreden

Belanghebbende maakte bezwaar tegen WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerendezaakbelasting voor 2018, maar het bezwaar werd driemaal niet-ontvankelijk verklaard door de heffingsambtenaar vanwege het niet herstellen van verzuimen, zoals het ontbreken van een machtiging en het niet specificeren van bezwaargronden.

De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende uiteindelijk ongegrond en kende een vergoeding toe voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende duidelijk had gemaakt dat het niet herstellen van het verzuim tot niet-ontvankelijkheid kon leiden, mede gelet op eerdere niet-ontvankelijkverklaringen. Tevens was voldaan aan de verplichtingen uit artikel 8:42 Awb Pro omtrent het toezenden van stukken, en was belanghebbende niet benadeeld.

De vergoeding voor immateriële schade werd gehandhaafd omdat sprake was van bijzondere omstandigheden, waaronder het ontbreken van concrete bezwaargronden en onduidelijkheid over het financieel belang. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd met handhaving van de vergoeding voor immateriële schade.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/269
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 januari 2024, nummer SHE 22/822, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) beschikkingen gegeven (hierna: de WOZbeschikkingen) en daarbij de waarde van [adres 1] en [adres 2] in [plaats] (hierna: de onroerende zaken) vastgesteld. Tevens zijn de aanslagen onroerendezaakbelastingen en de rioolheffingen voor het jaar 2018 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft op 3 augustus 2018 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de heffingsambtenaar opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op 26 juni 2020 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar voor een tweede keer niet-ontvankelijk verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de heffingsambtenaar opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen.
1.6.
De heffingsambtenaar heeft op 28 maart 2022 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar voor een derde keer niet-ontvankelijk verklaard.
1.7.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.8.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.9.
Belanghebbende heeft in reactie op het verweerschrift een conclusie van repliek ingediend. De heffingsambtenaar heeft vervolgens een conclusie van dupliek ingediend.
1.10.
De zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Voor de zitting heeft [gemachtigde] , de gemachtigde van belanghebbende, laten weten dat er aan de kant van belanghebbende niemand zal verschijnen. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .
1.11.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaken.
2.2.
Het aanslagbiljet, waarbij de waarde van de onroerende zaken is vastgesteld en de aanslagen voor het jaar 2018 zijn bekendgemaakt, vermeldt:
Aanslagbiljetnummer
[aanslagnummer]
Tijdvak
2018
Dagtekening
31 januari 2018
Subjectnummer [nummer]
Belastingsoort
Objectaanduiding
Periode (van/tot)
Grondslag /
WOZ-waarde (€)
Bedrag
WOZ-beschikking
OZB eigenaar woning
Rioolheffing eigenaar
woning
WOZ-beschikking
OZB eigenaar woning
Rioolheffing eigenaar
woning
[adres 1]
Waardepeildatum 01-01-2017,
toestand per 01-01-2018
[adres 1]
01-01-2018 / 01-01-2019
[adres 1]
01-01-2018 / 01-01-2019
[adres 2]
Waardepeildatum 01-01-2017,
toestand per 01-01-2018
[adres 2]
01-01-2018 / 01-01-2019
[adres 2]
01-01-2018 / 01-01-2019
181
181
1
169
169
1
200,29
144,00
187,01
144,01
Totaalbedrag aanslagbiljet €
675,30
2.3.
De gemachtigde van belanghebbende heeft in het bezwaarschrift van 11 februari 2018 geschreven:
“Betreft: bezwaarschrift tegen uw beschikking d.d. 31 januari 2018 met kenmerk [aanslagnummer]
Geachte heer, mevrouw,
Namens [belanghebbende] te [woonplaats] , cliënt, maak ik, op nog nader aan te geven gronden, bezwaar tegen uw opgemelde beschikking. Er wordt om een nadere termijn gevraagd teneinde de gronden aan te vullen.
Cliënt verzoekt in ieder geval om een vergoeding op grond van artikel 7:15 Awb Pro wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarnaast verzoek ik u om telefonisch te worden gehoord ter zake van dit bezwaarschrift. Tot slot verzoek ik u mij namens cliënt om, mede in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor, alle zaakstukken in dit dossier te doen toekomen zodat deze bestudeerd kunnen worden.
Hoogachtend (…)”.
2.4.
De heffingsambtenaar heeft in een brief van 25 februari 2022 aan de gemachtigde van belanghebbende geschreven:
“(…) Ik verzoek u uiterlijk 18 maart 2022 specifiek te duiden tegen welke van de op aanslagbiljet [aanslagnummer] gerichte besluiten u bezwaar maakt (zie HR 18 februari 2022,
ECLI:NL:HR:2022:283). Bij elk besluit waartegen u bezwaar maakt, verzoek ik u het
bezwaar te voorzien van de gronden.
Hoorzitting
Ik nodig u voorts uit voor een telefonische hoorzitting die zal plaatsvinden op vrijdag
25 maart 2022 om 15.00 uur. Graag ontvang ik een telefoonnummer (…)”.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar van 28 maart 2022 geschreven:
“(…) Ik verklaar uw bezwaar niet-ontvankelijk.
U hebt ondanks mijn verzoek daartoe (zie brief van 25 februari jl.) niet aangegeven tegen welk besluit op het aanslagbiljet u precies bezwaar maakt. Het bezwaar is daarom, gelet op HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:283 niet-ontvankelijk. (…)
Ik heb u per brief van 25 februari 2022 uitgenodigd voor een telefonische hoorzitting op vrijdag 25 maart 2022 om 15.00 uur. Ik heb u op dat tijdstip gebeld op het nummer dat op uw website staat vermeld (…) maar kreeg geen gehoor. (…)”.
2.6.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 17 januari 2024 geoordeeld dat de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar in stand kan blijven. Het was al de derde keer dat de heffingsambtenaar hetzelfde bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard wegens het niet herstellen van een verzuim. In de brief van 25 februari 2022 is een ruime termijn van drie weken gegeven om het verzuim te herstellen. Belanghebbende diende er naar het oordeel van de rechtbank ernstig rekening mee te houden dat het niet herstellen van het verzuim tot een onmiddellijke niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar kon leiden. Het beroep van belanghebbende is dan ook ongegrond verklaard. Aan belanghebbende is een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en een vergoeding voor proceskosten in beroep toegekend.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
i) heeft de heffingsambtenaar artikel 8:42 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) nageleefd?
ii) heeft de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
iii) heeft de rechtbank de hoogte van de vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn op een te laag bedrag vastgesteld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en verzoekt het hof zelf in de zaak te voorzien door te doen wat de rechtbank had behoren te doen. De heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Artikel 8:42 Awb Pro
4.1.
In artikel 8:42 Awb Pro is bepaald dat het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter moet toezenden.
4.2.
Belanghebbende betoogt dat de heffingsambtenaar artikel 8:42 Awb Pro heeft geschonden. Belanghebbende heeft tijdens de procedure in beroep op 4 juni 2022 aangevoerd dat de heffingsambtenaar kennelijk niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, maar de heffingsambtenaar was niet genegen om het volledige procesdossier aan de rechtbank te doen toekomen en de rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de heffingsambtenaar hiertoe te verplichten. Het oordeel van de rechtbank is wel gebaseerd op correspondentie en stukken die voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar van 28 maart 2022 zijn uitgewisseld en is daarmee in strijd met artikel 8:42 Awb Pro, aldus belanghebbende. [1]
4.3.
Volgens de heffingsambtenaar is voldaan aan de verplichting van artikel 8:42 Awb Pro. Alle stukken zijn naar aanleiding van de reactie van belanghebbende van 4 juni 2022 voorafgaand aan de zitting bij de rechtbank op 25 oktober 2023 per aangetekende post met dagtekening 22 september 2023 aan de rechtbank toegezonden, aldus de heffingsambtenaar.
4.4.
Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat hij hiermee niet bekend is. Al zou hij hierin moeten worden gevolgd, dan nog geldt het volgende.
4.5.
Naar het oordeel van het hof is belanghebbende niet benadeeld door het kennelijk niet overleggen van stukken in beroep. Uit het standpunt van belanghebbende volgt dat hij zelf al beschikte over (afschriften) van de door hem bedoelde correspondentie en stukken, zodat het niet om voor hem nieuwe of ontbrekende stukken gaat. De heffingsambtenaar heeft deze correspondentie en stukken in hoger beroep overgelegd op 13 augustus 2024 en die stukken zijn diezelfde dag nog via Mijn Rechtspraak met belanghebbende gedeeld. Belanghebbende heeft de stukken dan ook ruim één jaar voorafgaand aan de zitting bij het hof op 31 oktober 2025 kunnen inzien, maar heeft daar niet inhoudelijk op gereageerd. Ook heeft belanghebbende geen enkele conclusie verbonden aan zijn standpunt dat artikel 8:42 Awb Pro zou zijn geschonden. Het hof zal deze correspondentie en stukken dan ook bij de beoordeling in hoger beroep betrekken, waaronder begrepen de brief van de heffingsambtenaar van 25 februari 2022 aan belanghebbende (zie 2.4).
Niet-ontvankelijkheid bezwaar
4.6.
Het bezwaar van belanghebbende is door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard omdat belanghebbende, ondanks het in de brief van 25 februari 2022 gedane verzoek, niet heeft aangegeven tegen welk besluit in het gecombineerd aanslagbiljet bezwaar werd gemaakt.
4.7.
Volgens belanghebbende bestaat geen aanleiding voor de niet-ontvankelijkverklaring omdat de heffingsambtenaar hem in de brief van 25 februari 2022 niet heeft gewezen op de gevolgen die kunnen worden verbonden aan het niet (tijdig) herstellen van het verzuim. Ook kunnen de door de rechtbank genoemde specifieke omstandigheden niet leiden tot de instandhouding van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, aldus belanghebbende.
4.8.
Het hof volgt belanghebbende hierin niet.
4.9.
In artikel 6:5 Awb Pro is bepaald dat het bezwaarschrift ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht en de gronden van het bezwaar bevat. In artikel 6:6 Awb Pro is bepaald dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet aan dit vereiste is voldaan, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4.10.
De Hoge Raad heeft overwogen dat een zorgvuldige behandeling van een bezwaarschrift meebrengt dat het bestuursorgaan, bij het stellen van een fataal bedoelde termijn voor het herstellen van een verzuim, erop dient te wijzen dat overschrijding van die termijn ertoe kan leiden dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Daaraan doet niet af dat artikel 6:6 Awb Pro het doen van die mededeling niet uitdrukkelijk eist. Indien het bestuursorgaan heeft verzuimd die mededeling te doen, zal aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld of de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand kan blijven. [2]
4.11.
In dit geval heeft de heffingsambtenaar in één aanslagbiljet de waarde van zowel [adres 1] als [adres 2] in [plaats] vastgesteld en de aanslagen onroerendezaakbelastingen en de rioolheffingen bekendgemaakt. Belanghebbende heeft hiertegen slechts in algemene bewoordingen en op nader aan te geven gronden bezwaar gemaakt (zie 2.3). De heffingsambtenaar heeft in de brief van 25 februari 2022 verzocht om te specificeren tegen welk van de op het aanslagbiljet genoemde besluiten bezwaar wordt gemaakt, gewezen op een uitspraak van de Hoge Raad van 18 februari 2022 [3] en verzocht om het bezwaar te voorzien van de gronden. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd.
4.12.
De uitspraak van de Hoge Raad van 18 februari 2022 waarnaar de heffingsambtenaar in zijn brief aan belanghebbende van 25 februari 2022 (één week later) verwijst, betreft een procedure waarin belanghebbende zelf partij was en werd vertegenwoordigd door dezelfde gemachtigde als in deze procedure. In geschil was of de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk had verklaard. De Hoge Raad heeft overwogen en beslist:
“(…) 2.3 De heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij brief van 4 april 2019 verzocht het bezwaarschrift binnen drie weken aan te vullen met de gronden. Daarbij is erop gewezen dat het bezwaarschrift niet voldoet aan de eisen die de wet eraan stelt omdat het niet de gronden van het bezwaar bevat, en dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard indien het niet binnen de gegeven termijn nader wordt gemotiveerd. Bij brief van 3 mei 2019 heeft de heffingsambtenaar zijn verzoek herhaald onder het geven van een nieuwe termijn van twee weken.
2.5.1
Voor het Hof was in geschil of de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. (…)
3.2
Aan belanghebbende is door middel van een aanslagbiljet een aantal voor bezwaar vatbare besluiten bekendgemaakt. Het bezwaarschrift keert zich tegen “de aanslag gemeentelijke heffingen” zonder enige specificatie of motivering, zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 6:5, lid 1, aanhef en letters c en d, Awb. Door belanghebbende in de gelegenheid te stellen dit verzuim te herstellen zoals hiervoor in 2.3 is vermeld, heeft de heffingsambtenaar voldaan aan het bepaalde in artikel 6:6 Awb Pro (…) en de uitspraak op bezwaar moet worden bevestigd.”
4.13.
De heffingsambtenaar heeft met de verwijzing naar deze uitspraak van de Hoge Raad in zijn brief van 25 februari 2022 aan belanghebbende weliswaar niet expliciet gewezen op de gevolgen van een termijnoverschrijding, maar wel voldoende duidelijk gemaakt dat een termijnoverschrijding tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar kan leiden. De Hoge Raad heeft de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar van belanghebbende immers in stand gelaten, omdat hij in dat geval in de gelegenheid was gesteld zijn verzuim te herstellen maar dat niet had gedaan. Daarbij komt het volgende. Het bezwaar van belanghebbende is twee keer eerder door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard, de eerste keer omdat een machtiging ontbrak en de tweede keer omdat geen bezwaargronden waren ingediend (zie 1.2 en 1.4). Ook hieruit volgt dat belanghebbende wist, althans had moeten weten dat zijn bezwaar voor een derde keer niet-ontvankelijk kon worden verklaard als hij zijn verzuim niet zou herstellen. Gelet op deze omstandigheden van het geval kan de derde niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand blijven (zie 1.6).
4.14.
Nu sprake is van een niet-ontvankelijk bezwaar, was het horen van belanghebbende door de heffingsambtenaar niet noodzakelijk. Van het eventuele schenden van een hoorplicht is om die reden geen sprake. [4]
Hoogte van de vergoeding van immateriële schade
4.15.
De rechtbank heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen. De rechtbank heeft de omvang daarvan bepaald op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden en in dit geval vastgesteld op in totaal € 350, waarvan de heffingsambtenaar 32/36e dient te betalen (afgerond € 310) en de minister het overige deel (€ 40).
4.16.
Volgens belanghebbende had de rechtbank moeten uitgaan van een omvang van € 500 per halfjaar en had een schadevergoeding van € 3.500 moeten worden toegekend.
4.17.
De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting in hoger beroep betoogd dat er geen aanleiding is voor vergoeding van immateriële schade. Het kan in deze procedure niet om WOZ-waarden gaan. Eén van de twee onroerende zaken is in of rondom de onderhavige periode gekocht voor een hoger bedrag dan waarvoor is beschikt. Voor het overige ziet de discussie niet op de WOZ-waarden, die juist zijn vastgesteld. Het gaat om eenvoudige of gemiddelde woningen en daar is recent materiaal van, aldus de heffingsambtenaar.
4.18.
Het hof overweegt als volgt. De Hoge Raad heeft overwogen dat in belastingzaken, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden wordt verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Van een bijzondere omstandigheid kan sprake zijn indien de procedure over een zeer gering financieel belang gaat. In dergelijke gevallen kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [5]
4.19.
Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van een bijzondere omstandigheid zoals hiervoor bedoeld, zodat de rechtbank had kunnen volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Belanghebbende heeft geen bezwaargronden aangevoerd. Hij heeft in de door hem ingediende stukken niet kenbaar gemaakt wat de redenen zijn om bezwaar te maken en (hoger) beroep tegen in te stellen. Een financieel belang dat hij met betrekking tot deze procedure heeft, is daarom niet vast te stellen.
4.20.
Het is dan ook niet in te zien hoe belanghebbende spanning en frustratie kan ervaren in deze procedure, waarin hij niet duidelijk maakt wat volgens hem in geschil is en waarin hij geen inhoudelijke klacht tegen (één of meer van) de WOZ-beschikkingen en de aanslagen heeft aangevoerd. Hieruit volgt dat de eventuele spanning en frustratie van belanghebbende in dit geval alleen maar de nevenbeslissingen betreft, terwijl het bij een vergoeding van immateriële schade gaat om (aanvang en einde) van de hoofdzaak. Alles wat de heffingsambtenaar in dit verband verder nog heeft aangevoerd hoeft niet te worden besproken (zie 4.17).
4.21.
Het hof dient het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende aanspraak kan maken op een vergoeding van € 350 echter in stand te laten, omdat de heffingsambtenaar hiertegen, volgens hem wegens praktische redenen, geen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
Tussenconclusie
4.22.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.23.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.24.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
J.H.M. van Ooijen M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hoge Raad 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492.
2.Hoge Raad 18 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1614.
3.Hoge Raad 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:283.
4.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 september 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3012.
5.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.