ECLI:NL:GHSHE:2026:236

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
: 23/1057
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 lid 3 AWRArt. 27e AWRArt. 2:19 lid 1 e BWArt. 2:19a BWArt. 40 Handelsregisterwet 2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof bevestigt belastingaanslag na ontbinding BV en wijzigt pensioen- en dividendwaardering

Belanghebbende emigreerde naar Zuid-Afrika en hield aandelen in een BV waarvan de feitelijke leiding in Nederland bleef. De BV werd ambtshalve ontbonden in 2015. De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting 2015 op wegens fictieve afkoop van een pensioenaanspraak en inkomsten uit aanmerkelijk belang. De rechtbank had de aanslag verminderd, maar het hof vernietigt dit deels en wijzigt de pensioenvoorziening naar €63.672.

Het hof oordeelt dat de BV formeel in 2015 is ontbonden, ondanks eerdere administratieve doorhaling in 2012, en dat de aanslag binnen de wettelijke termijn is opgelegd. De stelling van ambtelijk verzuim of verjaring wordt verworpen. De pensioenvoorziening is niet overgedragen aan een Zuid-Afrikaanse verzekeraar, en de waarde ervan moet worden belast in 2015.

De dividenduitkering wordt bevestigd op €640.925 na verrekening van de pensioenvoorziening en de verkrijgingsprijs van de aandelen. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de winstreserves in 2015 voldoende waren. Het hof kent belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijzigt de pensioenvoorziening in de aanslag en bevestigt de dividendbelasting, kent een immateriële schadevergoeding toe en veroordeelt de inspecteur in proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/1057
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
voorheen wonend in [plaats 1] (Zuid-Afrika), thans wonend in [plaats 2] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 juni 2023, nummers BRE 20/5553, 20/5944 en 20/5945, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2015 opgelegd (hierna: aanslag IB 2015). Ook is bij beschikking belastingrente en revisierente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2024 in ’s-Hertogenbosch. Voorafgaand de zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende schriftelijk laten weten dat hij niet zal verschijnen. Namens de inspecteur zijn verschenen [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is geboren op [datum] 1960 en woonde vanaf 4 maart 2002 tot en met 27 december 2021 in Zuid-Afrika.
2.2.
Belanghebbende hield tot 14 april 2009 100% van de aandelen in [bedrijf 1] B.V. (hierna: de BV) en vanaf 14 april 2009 10% van de aandelen in de BV.
2.3.
De inschrijving van de BV in het handelsregister is op 14 juni 2012 door Kamer van Koophandel (hierna: KvK) ambtshalve doorgehaald wegens opheffing van de vestiging. De KvK heeft de BV op 22 mei 2015 ontbonden. [1]
2.4.
In een uittreksel van het handelsregister van de KvK van 27 mei 2016 staan, voor zover relevant, de volgende gegevens uit de jaarrekening over de boekjaren 2008, 2009 en 2010. Daarna zijn geen jaarstukken meer gedeponeerd:
Boekjaar
2010
2009
2008
Balansdatum (…)
31-12-2010
31-12-2009
31-12-2008
Vorderingen (…)
730.246
731.698
841.187
Totaal activa
855.457
843.108
841.588
Overige reserves (…)
766.533
758.682
745.079
Voorzieningen (…)
63.672
63.672
65.493
Totaal passiva
855.457
843.108
841.588
2.5.
Belanghebbende heeft, na daartoe door de inspecteur te zijn uitgenodigd op 29 februari 2016 en te zijn herinnerd op 5 augustus 2016, op 7 september 2016 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting over het jaar 2015 (nihilaangifte).
2.6.
De inspecteur heeft belanghebbende op 8 mei 2017 om informatie verzocht en op 19 juni 2017 een informatiebeschikking aan belanghebbende opgelegd. Het door belanghebbende hiertegen gemaakte bezwaar en het daarna ingestelde beroep zijn ongegrond verklaard. Op 6 september 2018 heeft belanghebbende de door de inspecteur gevraagde informatie verstrekt.
2.7.
De inspecteur heeft op 6 september 2018 aan belanghebbende het voornemen kenbaar gemaakt om van de aangifte af te wijken. De inspecteur heeft in een brief van 10 oktober 2018 aan belanghebbende geschreven dat hij geen reactie op dit voornemen had ontvangen en, in verband met het verstrijken van de termijn voor het vaststellen van de aanslag ter behoud van rechten, de aanslag in afwijking van de aangifte had vastgesteld. In de brief van de inspecteur staat:
“(…) Volgens de VPB-aangifte van de BV over 2009 staat op de fiscale balans per 31 december 2009 een pensioenvoorziening van € 63.672.
De BV heeft over 2010 en de volgende jaren geen VPB-aangifte ingediend (…) Uitgaande van de waarde van de pensioenaanspraak op de fiscale balans van de BV per 31 december 2009 van € 63.672 stel ik de waarde in het economisch verkeer van de aanspraak en het belastbare bedrag op (minimaal) € 130.000.
Per 31 december 2009 was de schuld aan de BV € 713.319 en waren de winstreserves € 760.956. De BV heeft over 2015 geen aangifte VPB gedaan. Nu ook verder geen stukken door u zijn overgelegd met betrekking tot onder meer de schuld aan de BV, stel ik mij op het standpunt dat op het tijdstip van de ontbinding van de BV per 22 mei 2015 de vordering op de aandeelhouder nog aanwezig was. (…)
De schuld was volgens de Vpb-aangifte per 31 december 2009 € 713.319 (…) Bij ontbinding van de BV is de schuld aan de BV kennelijk niet afgelost maar prijsgegeven door de BV (…) De (verkapte) winstuitdeling stel ik, nu u verder geen gegevens hebt verstrekt, op minimaal het bedrag van de schuld per 31 december 2009, derhalve € 713.319. De verrekening met de pensioenaanspraak stel ik op € 63.672. Het resterende bedrag is afgerond € 650.000.”
2.8.
De inspecteur heeft met dagtekening 9 november 2018 de aanslag IB 2015 aan belanghebbende opgelegd. Bij de aanslag IB 2015 is een bedrag van € 130.000 als waarde van de pensioenaanspraak belast als inkomen uit werk en woning (box 1) en is revisierente geheven (20% van € 130.000). Tevens is een bedrag van € 650.000 (het afgeronde verschil tussen de vordering van € 713.319 en de pensioenreserve van € 63.972) aangemerkt als dividenduitkering. De inspecteur heeft dat bedrag gebruteerd tot (€ 650.000 x 100/85 =) € 765.000 en belast als inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2), tegen een belastingtarief van 25%. Tevens is belastingrente in rekening gebracht.
2.9.
De inspecteur heeft de aanslag IB 2015 en de beschikking belastingrente en revisierente bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.10.
De rechtbank heeft de aanslag IB 2015 verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.972 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 640.925 (€ 650.000 minus verkrijgingsprijs van de aandelen in de BV van € 9.075), te belasten tegen een tarief van 10%, de daarbij gegeven beschikking belastingrente evenredig verminderd en de revisierente verminderd naar een bedrag van € 12.794. Aan belanghebbende is een vergoeding voor proceskosten en immateriële schade toegekend.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
i) is sprake van omkering van de regels van stelplicht en bewijslast?
ii) heeft de ontbinding van de BV in 2015 plaatsgevonden?
iii) is sprake van ambtelijk verzuim of verjaring? Zo nee,
iv) is de aanslag IB 2015 terecht en naar een juist bedrag opgelegd?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot het alsnog gegrond verklaren van zijn bezwaar. De inspecteur concludeert tot bekrachtiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Vooraf en ambtshalve
4.1.
De rechtbank heeft uitspraak gedaan in drie zaken. Het hoger beroep van belanghebbende richt zich tegen één zaak, over de aanslag IB 2015 (nummer BRE 20/5553). De andere twee zaken zien op een ander belastingjaar (2013) en zijn in hoger beroep niet aan de orde (nummers BRE 20/5944 en 20/5945).
Ten aanzien van het geschil
Bewijslast en informatiebeschikking
4.2.
De inspecteur heeft een informatiebeschikking opgelegd die onherroepelijk is komen vast te staan. Dat betekent dat in beginsel de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is. [2] De rechtbank heeft na de ongegrondverklaring van het beroep tegen de informatiebeschikking een nieuwe termijn gesteld waarbinnen belanghebbende alsnog aan zijn verplichtingen kon voldoen. Belanghebbende heeft dat ook gedaan. Hieruit volgt dat de omkering van de bewijslast op deze grond buiten toepassing dient te blijven. [3] Dit is volgens de inspecteur ook niet in geschil.
Bewijslast en aangifte IB
4.3.
Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte inkomstenbelasting kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, als aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. [4]
4.4.
De rechtbank heeft overwogen dat de inspecteur op de zitting desgevraagd heeft verklaard dat er geen reden is voor omkering van de bewijslast en de rechtbank is hem daarin gevolgd, omdat niet is gebleken dat belanghebbende zich ervan bewust moest zijn dat door het doen van de aangifte van nihil een aanzienlijk belastingbedrag niet zou worden geheven. De inspecteur en belanghebbende hebben tegen dit oordeel geen grief gericht. Het hof onderschrijft dit oordeel en maakt dat tot de zijne. Dit betekent dat aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast moet worden beoordeeld of de aanslag IB 2015 terecht en naar een juist bedrag is opgelegd.
Ontbinding BV in 2015
4.5.
De rechtbank heeft overwogen en beslist dat de BV in 2015 is ontbonden, omdat in dat jaar de ontbinding door de KvK is gepubliceerd in de Staatscourant.
4.6.
Volgens belanghebbende had de rechtbank moeten uitgaan van 14 juni 2012, het moment waarop de KvK de inschrijving van de BV wegens opheffing van de vestiging ambtshalve heeft doorgehaald. De BV is op dat moment ontbonden, omdat niet summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de BV op 14 juni 2012 over baten beschikte. De administratieve verwerkingstijd van bijna drie jaar die nodig was om tot een formele uitschrijving te komen kan niet aan hem worden tegengeworpen, aldus belanghebbende. Het hof volgt belanghebbende hierin niet.
4.7.
In de wet is, samengevat, bepaald dat een rechtspersoon wordt ontbonden door een beschikking van de KvK. [5] In dit geval is niet in geschil dat zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan de KvK tot ontbinding van de BV kon overgaan.
4.8.
De BV is op 14 juni 2012 doorgehaald door de KvK wegens opheffing van de vestiging. Dit is slechts een (administratieve) maatregel die ertoe strekt te waarborgen dat het handelsregister juist, actueel en volledig is. [6] Als gevolg van een ambtshalve doorhaling blijft de rechtspersoon bestaan en kan die opnieuw worden ingeschreven, tot het moment van ontbinding.
4.9.
De KvK heeft de BV bij beschikking van 22 mei 2015 ontbonden en per die datum uitgeschreven uit het handelsregister. De beschikking is op 2 juni 2015 gepubliceerd de Staatscourant. Dit betekent dat de BV in 2015 is ontbonden.
4.10.
Anders dan belanghebbende betoogt is in dit geval niet relevant of de BV op de datum van de ambtshalve doorhaling (in 2012) niet over baten zou beschikken. De afwezigheid van baten is pas relevant op het moment van ontbinding (in 2015). In de wet is immers bepaald dat als de rechtspersoon ‘op het tijdstip van ontbinding’ geen baten meer heeft, alsdan ophoudt te bestaan. [7]
4.11.
Het hof zal bij de verdere beoordeling van het geschil uitgaan van een ontbinding van de BV in 2015, zoals ook de rechtbank heeft gedaan.
Ambtelijk verzuim of verjaring
4.12.
Volgens belanghebbende is hij al in 1999 naar Zuid-Afrika geëmigreerd.
4.13.
De rechtbank heeft overwogen dat de inspecteur heeft gesteld dat bij de emigratie van belanghebbende geen conserverende aanslag ter zake van zijn aanmerkelijk belang in de BV is opgelegd. Volgens belanghebbende betekent dit dat sprake is van ambtelijk verzuim en heeft de inspecteur zijn (na)vorderingsrecht verwerkt. Daarnaast is volgens hem sprake van onbegrijpelijke stilstand. De inspecteur is pas eind 2018 overgegaan tot het opleggen van de aanslag IB 2015 op grond van cijfers die al in 2009 bekend waren. Belanghebbende heeft gedurende 17 jaren (1999-2016) niets van de inspecteur vernomen. In deze periode was het dagelijks bestuur van de BV overgedragen, in de veronderstelling dat werd voldaan aan alle verplichtingen. Het toezicht houden vanuit Zuid-Afrika was geen praktisch haalbare zaak en er was geen intentie om naar Nederland te remigreren, het pensioen zou in Zuid-Afrika worden genoten. Het heffingsrecht van de inspecteur is dan ook vervallen door verjaring, aldus belanghebbende.
4.14.
Het hof volgt belanghebbende hierin niet. De inspecteur had de mogelijkheid [8] om een conserverende aanslag op te leggen over het fictieve vervreemdingsvoordeel als gevolg van het feit dat belanghebbende door zijn emigratie naar Zuid-Afrika ophield binnenlands belastingplichtige te zijn. [9] Het feit dat van die mogelijkheid geen gebruik is gemaakt leidt niet tot ambtelijk verzuim en neemt niet weg dat de inspecteur de aanslag IB 2015 aan belanghebbende kan opleggen. Het belastbare feit is in dit geval niet de emigratie van belanghebbende, maar de ontbinding van de BV in 2015. Uit de wet volgt niet dat een conserverende aanslag is vereist voorafgaand aan een aanslag over een later belastingjaar, in de wetsgeschiedenis is de heffing door middel van een conserverende aanslag juist gescheiden gehouden van de heffing door middel van een aanslag: [10]
“Als sprake is van te conserveren inkomen, ontvangt de belanghebbende dus twee aanslagen over hetzelfde jaar: één gewone aanslag en één conserverende aanslag. (…)
In de «gewone» aanslag (…) wordt, globaal gezegd, de belasting over het gewone, niet te conserveren, inkomen opgenomen (…)
de belasting over het te conserveren inkomen wordt geheven bij wege van een – separate - conserverende aanslag.”
4.15.
De inspecteur heeft de aanslag IB 2015 opgelegd binnen de daarvoor bestaande termijn. [11] De BV is ontbonden in 2015 en de inspecteur heeft belanghebbende op 29 februari 2016 uitgenodigd tot het doen van aangifte. Belanghebbende heeft na een herinnering van de inspecteur van 5 augustus 2016 de aangifte op 7 september 2016 gedaan. De inspecteur heeft op 8 mei 2017 om informatie verzocht en op 19 juni 2017 een informatiebeschikking opgelegd. Belanghebbende heeft na bezwaar en beroep hiertegen de gevraagde informatie op 6 september 2018 verstrekt. De inspecteur heeft diezelfde dag (6 september 2018) het voornemen kenbaar gemaakt om van de aangifte af te wijken en op 10 oktober 2018 geschreven dat hij, bij het uitblijven van een reactie hierop, de aanslag in afwijking van de aangifte had vastgesteld. De aanslag IB 2015 is met dagtekening 9 november 2018 aan belanghebbende opgelegd. Alles wat belanghebbende verder nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Aanslag IB 2015
4.16.
De inspecteur heeft de aanslag IB 2015 opgelegd omdat volgens hem als gevolg van de ontbinding van de BV in 2015:
- sprake was van een (fictieve) afkoop of vervreemding van de aanspraak op pensioen, die moet worden aangemerkt als loon en in de heffing moet worden betrokken (box 1); [12] - belanghebbende inkomsten uit aanmerkelijk belang (dividenden) heeft ontvangen (box 2). [13]
Box 1 (pensioen)
4.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat in deze procedure moet worden uitgegaan van een pensioenvoorziening op de balans van de BV van € 63.672. Volgens belanghebbende is deze voorziening in 2012 overgedragen aan [pensioenverzekeraar] (hierna: [pensioenverzekeraar] ), een Zuid-Afrikaanse (pensioen)verzekeraar. Belanghebbende verwijst ter onderbouwing hiervan in hoger beroep met name naar de informatie die hij op 6 september 2018 aan de inspecteur heeft verstrekt (overgelegd als ‘Productie A’, met bijlagen).
4.18.
Uit de door belanghebbende overgelegde stukken, waaronder begrepen de hiervoor genoemde productie A, volgt niet dat dat de pensioenvoorziening op de balans van de BV is overgedragen bij [pensioenverzekeraar] . De ‘Benefit Statement as at 31/12/2016’ van [pensioenverzekeraar] vermeldt weliswaar de naam van belanghebbende, een ‘Date Joined’ van 1 augustus 2012, een ‘Normal Retirement Date’ van 30 september 2023 en bevat financiële informatie over zijn ‘Fund Credit for the period 30/06/2016 to 31/12/2016’, maar iedere verwijzing naar of relatie met betrekking tot (betalingen door of namens) de BV ontbreekt. Dit geldt ook voor de ongedateerde tabellen met een kolom ‘My savings and Investments’. Daaruit volgt niets anders dan een bedrag aan totale ‘Retirement savings’ in Zuid-Afrikaanse rand. Het lag op de weg van belanghebbende om zijn stelling dat de pensioenvoorziening is overgedragen aan [pensioenverzekeraar] nader te onderbouwen. De door hem gegeven toelichting en in het geding gebrachte stukken zijn daarvoor onvoldoende. Ieder bewijs van overdracht, zoals een betaling of bevestiging, ontbreekt. Het kan dan ook niet worden vastgesteld dat de pensioenvoorziening door de BV aan [pensioenverzekeraar] is overgedragen.
4.19.
De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat de pensioenvoorziening op het moment van ontbinding van de BV in 2015 aanwezig was en dat belanghebbende die aanspraak toen heeft prijsgegeven of afgekocht, zodat de waarde van de pensioenaanspraak in 2015 is belast. De rechtbank achtte het aannemelijk dat belanghebbende de waarde van de pensioenaanspraak heeft genoten door verrekening met zijn schuld aan de BV. Het hof ziet in hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft betoogd geen aanleiding om hierover anders te oordelen. Het hof sluit zich bij dit oordeel aan en maakt dat tot de zijne.
4.20.
Belanghebbende heeft in hoger beroep nog betoogd dat het de intentie was om het pensioen in Zuid-Afrika te genieten, maar dat dit voornemen veranderde na het overlijden van zijn zoon, gecombineerd met de groeiende onrust in Zuid-Afrika. Hij is in 2021 geremigreerd naar Nederland, is weer Nederlands ingezetene en bereikt in 2027 de pensioengerechtigde leeftijd. De pensioenvoorziening is niet prijsgegeven, maar nog aanwezig en zelfs toegenomen. Als genietingsmoment komt 2027 in aanmerking, de uitkeringen zullen dan onder het Nederlandse belastingstelsel vallen en op dat moment kunnen worden belast. Het jaar 2015 is daarom niet relevant, aldus belanghebbende.
4.21.
Het hof verwerpt dit betoog. De waarde van de pensioenvoorziening op de balans van de BV staat los van de pensioenvoorziening bij [pensioenverzekeraar] . Uit het voorgaande volgt dat deze voorziening, als gevolg van de ontbinding van de BV en de verrekening met de schuld van belanghebbende aan de BV, in de aanslag IB 2015 moet worden betrokken.
4.22.
De inspecteur is op grond van de balans van de BV per 31 december 2009 uitgegaan van een waarde van de pensioenvoorziening van € 63.672 en heeft de waarde in het economisch verkeer hiervan en het belastbare bedrag op (minimaal) € 130.000 gesteld. De rechtbank heeft in het dictum van de uitspraak de aanslag IB 2015 verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.972, terwijl dit € 63.672 had moeten zijn. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank in zoverre vernietigen en het inkomen in box 1 verminderen tot € 63.672. De wettelijk verschuldigde revisierente zal worden verminderd tot € 12.734 (20% van € 63.672) en de beschikking belastingrente zal dienovereenkomstig worden verminderd.
Box 2 (dividend)
4.23.
De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat de BV in 2015 de vordering op belanghebbende van € 713.319 voor het overige, voor zover niet verrekend met de pensioenaanspraak, heeft prijsgegeven omdat belanghebbende aandeelhouder was, zodat dat bedrag door hem als dividend is genoten. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de laatst bekende winstreserves van de BV volgens de inspecteur € 760.956 bedroegen en overwogen dat belanghebbende geen enkel bewijs had bijgebracht waaruit kon worden afgeleid dat zijn schuld aan de BV of de winstreserves in 2015 lager waren dan in 2009.
De rechtbank heeft de stelling van de inspecteur gevolgd dat het dividend van afgerond € 650.000 (het bedrag aan winstreserves van de BV in 2015 na verrekening van de pensioenaanspraak) niet gebruteerd hoefde te worden. De rechtbank heeft hierop de door belanghebbende gestelde verkrijgingsprijs van de aandelen in de BV van € 9.075 in mindering gebracht en het inkomen in box 2 verminderd tot € 640.925, te belasten tegen een tarief van 10%.
4.24.
De hoogte van de vordering van de BV op belanghebbende van € 713.319 en de verkrijgingsprijs van de aandelen in de BV van € 9.075 zijn in hoger beroep niet in geschil. Ook is niet in geschil dat dividend moet worden belast tegen een tarief van 10%. [14]
4.25.
Volgens belanghebbende heeft de inspecteur de winstreserves gebaseerd op een momentopname uit 2009, zonder gegevens over de financiële situatie in 2015. De rechtbank heeft dit bedrag in aanmerking genomen en overwogen dat belanghebbende geen bewijs heeft bijgebracht waaruit kan worden afgeleid dat de winstreserves in 2015 lager waren dan in 2009. Dat betekent dat sprake van een onrechtmatige omkering van de bewijslast, aldus belanghebbende.
4.26.
Het hof volgt belanghebbende hierin niet. De inspecteur heeft aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk gemaakt dat in 2015 sprake is van een bedrag aan winstreserves van tenminste € 713.319. Op de balans van de BV stond per 31 december 2009 een bedrag aan reserves van € 758.682 en dat bedrag is per 31 december 2010 opgelopen tot € 766.533 (zie 2.4). Gesteld noch gebleken is dat nadien sprake is geweest van een winstuitdeling of onttrekking van bedragen aan het vermogen van de BV. Vanaf 2010 zijn geen jaarstukken meer gedeponeerd. Volgens belanghebbende zijn de jaarcijfers van 2011 nog wel samengesteld, maar daarvan is niet gebleken. Volgens de inspecteur is geen aangifte vennootschapsbelasting over 2015 gedaan. Bij gebreke van dit alles en bezien in het licht van de balans van de BV per ultimo 2009 en 2010, is aannemelijk dat de winstreserves van de BV in 2015 voldoende waren om de vordering van de BV op belanghebbende prijs te geven. De rechtbank heeft dan ook terecht aannemelijk geacht dat belanghebbende € 713.319 als dividend heeft genoten. Na verrekening van dit bedrag met de pensioenaanspraak van € 63.672 resteert een bedrag van afgerond € 650.000. Tot slot is sprake van een fictieve vervreemding van de aandelen als gevolg van de ontbinding van de BV, leidend tot een negatief vervreemdingsvoordeel van € 9.075 (de overdrachtsprijs van nihil verminderd met de verkrijgingsprijs van € 9.075). [15] Dit negatief vervreemdingsvoordeel komt in mindering op het bedrag van € 650.000, zodat een inkomen in box 2 resteert van € 640.925.
Tussenconclusie
4.27.
De slotsom is dat het hoger beroep gedeeltelijk gegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.28.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.
4.29.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. [16] Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond.
4.30.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in deze procedure met (afgerond) vijf maanden is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding.
4.31.
Daarom is het hof van oordeel dat de overschrijding van (afgerond) een half jaar reden vormt voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500, waartoe de minister wordt veroordeeld.
Ten aanzien van het griffierecht
4.32.
Het hof is van oordeel dat aanleiding bestaat om het griffierecht aan belanghebbende te laten vergoeden, omdat het hoger beroep gedeeltelijk gegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten
4.33.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gedeeltelijk gegrond is.
4.34.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 (punt) [17] x € 934 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak; evidente tel- en rekenfouten) [18] is € 233,50.
4.35.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover de aanslag IB 2015 is verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.972, de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig is verminderd en de revisierente is verminderd tot een bedrag van € 12.794;
  • vermindert de aanslag IB 2015 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.672 en wijzigt de daarbij gegeven beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
  • vermindert de beschikking revisierente tot een bedrag van € 12.734;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep van in totaal € 136 vergoedt, te betalen op een bankrekening op naam van belanghebbende;
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 500;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 233,50.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, M. Harthoorn en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Staatscourant 2015 nr. 14527, Ontbindingen Kamer van Koophandel, 2 juni 2015.
2.Artikel 25, lid 3, en artikel 27e Algemene wet rijksbelastingen (hierna: AWR).
3.Artikel 27e AWR.
4.Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083 en Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.
5.Artikel 2:19, lid 1, letter e, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 2:19a BW.
6.Artikel 40 Handelsregisterwet Pro 2007.
7.Artikel 2:19, lid 4 t/m 7, BW.
8.Conclusie van A-G Koopman van 19 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1015, onder 4.8.
9.Artikel 4.16, lid 1, letter h, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).
10.Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 74.
11.Artikel 11, lid 3, AWR.
12.Artikel 19b, lid 1, letter b, Wet op de loonbelasting 1964 en artikel 3.80 en 3.81 Wet IB 2001.
13.Artikel 4.12 Wet IB 2001.
14.Artikel 10, lid 2, onder b, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Zuid-Afrika tot het (…) tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, Pretoria, 10-10-2005.
15.Artikel 4.16, lid 1, letter g, Wet IB 2001.
16.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
17.1 punt voor het hoger beroepschrift.
18.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.