ECLI:NL:GHSHE:2026:1872

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
20-001435-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 41 SrArt. 45 SrArt. 55 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep poging tot doodslag met verwerping noodweer(exces) en putatief noodweer(exces)

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd en de verdachte veroordeeld voor poging tot doodslag op meerdere personen. De verdachte werd vrijgesproken van poging tot moord wegens gebrek aan bewijs voor voorbedachten rade. Het hof verwierp het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer(exces) omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de vader of broer van de verdachte.

De feiten betreffen een schietincident op 26 mei 2020 waarbij verdachte met een vuurwapen meerdere malen schoot op een groep personen en een rijdende auto, waarbij twee slachtoffers zwaargewond raakten. Het hof achtte bewezen dat verdachte met voorwaardelijk opzet handelde en veroordeelde hem tot 11 jaar en 6 maanden gevangenisstraf, lager dan de eis van 18 jaar maar hoger dan de rechtbankstraf van 9 jaar.

Daarnaast werden schadevergoedingsmaatregelen toegewezen aan twee benadeelde partijen, respectievelijk € 22.960,05 en € 24.678,54, inclusief materiële en immateriële schade. Het hof legde ook de mogelijkheid van gijzeling op indien betaling uitblijft. De strafvermindering werd mede bepaald vanwege overschrijding van de redelijke termijn in beide instanties.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 11 jaar en 6 maanden gevangenisstraf voor poging tot doodslag met toewijzing van schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001435-24
Uitspraak : 16 juli 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 mei 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-177213-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
thans verblijvende in P.I. Dordrecht te Dordrecht.
Hoger beroep
De rechtbank heeft verdachte ter zake van:
de eendaadse samenloop van:
feit 1
poging tot doodslag, meermalen gepleegd, en
feit 2
poging tot doodslag, meermalen gepleegd
veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaren met aftrek van voorarrest.
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de onder feit 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord. Ten aanzien van feit 2 heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Tevens heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en heeft ter zake schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de verdachte ter zake van de onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 18 jaren met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] toe te wijzen en ter zake schadevergoedingsmaatregelen op te leggen.
De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende:
- de geldigheid van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg (met verzoek tot terugwijzing);
- de strafbaarheid van de verdachte;
- de straf;
- de vorderingen van de benadeelde partijen.
Geldigheid onderzoek ter terechtzitting eerste aanleg en verzoek tot terugwijzing
De verdediging heeft betoogd dat het beroepen vonnis nietig is, omdat voor het bewijs gebruik is gemaakt van de eigen waarneming van de rechter die niet tijdens het onderzoek ter terechtzitting is medegedeeld en de verdediging zich derhalve daarover niet heeft kunnen uitlaten. Er is sprake geweest van een verrassingsbeslissing, aldus de verdediging.
Het hof begrijpt dit verweer aldus dat in de visie van de verdediging het bezigen van een eigen waarneming door de rechter, welke waarneming is geschied zonder dat partijen zich daarover hebben kunnen uitlaten, vanuit het oogpunt van een behoorlijke procesorde van zo een wezenlijke betekenis is dat niet-naleving daarvan nietigheid van de behandeling en daarmee nietigheid van de beslissing met zich brengt en dat dit dus tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank moet meebrengen.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt:
Art. 423, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt als volgt:
“1. Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen, behoudens terugwijzing op grond van het tweede lid.
2. Indien de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist en het onderzoek daarvan gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, doet het gerechtshof de zaak zelf af, tenzij terugwijzing naar dezelfde rechtbank door de advocaat-generaal of de verdachte ter terechtzitting is verlangd. Terugwijzing vindt ook zonder uitdrukkelijk gebleken verlangen van de verdachte plaats indien de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is en de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte niet in persoon is gedaan of betekend en zich geen andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. In geval van terugwijzing doet de rechtbank recht met inachtneming van ’s hofs arrest.”
Deze bepaling betekent het volgende.
Wanneer op de hoofdzaak door de rechtbank is beslist en sprake is van een verzuim dat zich heeft voorgedaan bij de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg en dat tot nietigheid leidt, behoort het hof ingevolge art. 423, eerste lid, Sv, na een nieuwe behandeling van de zaak in hoger beroep, de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en de zaak zelf af te doen. Het hof behoort in een dergelijk geval de zaak dus niet terug te wijzen naar de rechtbank op de grond dat de verdachte een aanleg heeft gemist. Op de hoofdregel neergelegd in art. 423, eerste lid, Sv wordt in lid 2 een uitzondering gemaakt voor het geval dat de rechtbank naar het oordeel van het hof ten onrechte niet in de hoofdzaak heeft beslist. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als de rechtbank de dagvaarding, naar het oordeel van het hof, ten onrechte nietig heeft verklaard. Op verzoek van de advocaat-generaal of de verdachte wijst het hof de zaak dan terug naar de rechtbank. Wanneer de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is, vindt ook zonder een dergelijk verzoek terugwijzing plaats in het in de tweede volzin van lid 2 omschreven geval.
Aan art. 423, tweede lid, Sv ligt als beginsel ten grondslag “dat een verdachte in aan hoger beroep onderworpen zaken aanspraak heeft op berechting in twee feitelijke instanties”. Het hoger beroep vormt een herkansing en stelt het hof in staat de in eerste aanleg gemaakte fouten te herstellen. Voor de situatie dat de rechtbank ten onrechte niet in de hoofdzaak heeft beslist, zou – bij gebrek aan de in lid 2 neergelegde uitzondering – de verdachte dan wel het openbaar ministerie worden beroofd van een eerste aanleg. De uitzondering in art. 423, tweede lid, Sv is enkel van toepassing als de rechtbank ten onrechte niet in de hoofdzaak heeft beslist.
Naast de in art. 423, tweede lid, Sv geregelde uitzonderlijke gevallen heeft de Hoge Raad in zijn “kernroljurisprudentie” (vgl. HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3021 en HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:981) een uitbreiding aan de werking van lid 2 gegeven voor het geval de rechtbank ten onrechte wél in de hoofdzaak heeft beslist en wel alleen in de situatie dat zich een zodanig gebrek heeft voorgedaan in de samenstelling van het gerecht dat de behandeling van de zaak niet heeft plaats gevonden door een onpartijdige rechterlijke instantie als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden […], alsmede wanneer de rechter ter terechtzitting aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen omdat een van de overige personen die een kernrol vervullen bij het onderzoek ter terechtzitting aldaar niet is verschenen, terwijl hij niet op de bij de wet voorgeschreven wijze op de hoogte is gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat die dag hem tevoren bekend was. De gedachte hierachter lijkt te zijn dat indien een verzuim heeft geresulteerd in de afwezigheid van een “kernrolspeler” tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg waarbij de rechter ten onrechte in de hoofdzaak heeft beslist, terugwijzing door het hof moet plaatsvinden, omdat anders materieel tekort wordt gedaan aan het beginsel van berechting in twee feitelijke instanties dat ten grondslag ligt aan art. 423 Sv Pro. Terugwijzing volgt alleen als is voldaan aan deze door de Hoge Raad geschetste voorwaarden.
Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat ook indien en voor zover zich het door de verdediging bedoelde verzuim met betrekking tot de eigen waarneming van de rechtbank heeft voorgedaan en dit op grond van de wet tot nietigheid zou moeten leiden, dit dus niet tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank kan leiden, maar dat het hof het vonnis van de rechtbank dient te vernietigen en zelf de zaak dient af te doen. Het uitgangspunt is namelijk dat vormverzuimen bij de behandeling in eerste aanleg bij een voortbouwend appel bij de behandeling in hoger beroep worden hersteld.
Het verzoek tot terugwijzing van de zaak van de verdediging wordt verworpen. Het hof zal de zaak zelf afdoen en daarmee opnieuw recht doen.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank .
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 26 mei 2020 te [plaats] , gemeente Voerendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen heeft geschoten in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] , waarbij een of meerdere kogel(s) de buik en/of enkel, althans het lichaam, van die [slachtoffer 3] en/of de knie, althans het lichaam, van die [slachtoffer 4] zijn binnengedrongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 26 mei 2020 te [plaats] , gemeente Voerendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 5] opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een (vuur)wapen heeft geschoten in de richting van een (rijdende) (personen)auto met voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 5] als inzittenden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Vrijspraak
a.
Met de rechtbank en de verdediging maar anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte, bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het bestanddeel ‘voorbedachten rade’, dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord.
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezenverklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder als de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat – als vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad – het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in wat voor en tijdens het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in zo’n geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad. (Vgl. o.m. HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963 en HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644.)
Het hof is van oordeel dat de inhoud van het procesdossier wel aanwijzingen bevat die zouden kunnen worden gebruikt voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’, maar dat daartegenover uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep even zovele aanwijzingen vallen te putten die een contra-indicatie opleveren voor het aannemen van die voorbedachten rade. Gelet op het te dezen te hanteren toetsingskader – meer in het bijzonder de voor het bewijs van de voorbedachten rade aan te leggen bewijslat – acht het hof het voorhanden bewijs in deze zaak niet toereikend om wettig en overtuigend bewezen te achten dat met voorbedachten rade is gehandeld. De door de advocaat-generaal genoemde feiten en omstandigheden brengen het hof niet tot een ander oordeel.
b.
Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal maar met de verdediging is het hof ten aanzien van de onder feit 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag van oordeel dat dit enkel kan worden bewezen ten aanzien van [slachtoffer 5] en niet ten aanzien van de overige daarin genoemde personen. In zoverre spreekt het hof de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrij. Het hof overweegt daartoe dat het op de camerabeelden heeft waargenomen dat slechts één persoon als bestuurder in de auto stapt waarop vervolgens door de verdachte wordt geschoten. Uit de overige inhoud van het dossier volgt dat dit [slachtoffer 5] is geweest.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.
hij op 26 mei 2020 te [plaats] , gemeente Voerendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] , waarbij kogels de buik en enkel van die [slachtoffer 3] en de knie van [slachtoffer 4] zijn binnengedrongen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2.
hij op 26 mei 2020 te [plaats] , gemeente Voerendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 5] opzettelijk, van het leven te beroven, meermalen, met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van een rijdende personenauto met voornoemde [slachtoffer 5] als inzittende, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Poging tot doodslag
Ten aanzien van de onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair bewezenverklaarde poging tot doodslag overweegt het hof nog het navolgende.
Verdachte heeft met een vuurwapen meerdere malen in de richting van een groep wegrennende personen geschoten alsmede in de richting van een wegrijdende auto met daarin één inzittende.
Het is een algemene ervaringsregel dat een dergelijke handelwijze de aanmerkelijke kans in het leven roept dat een persoon of personen uit de wegrennende groep en/of de persoon in de wegrijdende auto door een kogel uit het vuurwapen van verdachte dodelijk wordt getroffen. Deze handelwijze van verdachte moet naar het oordeel van het hof naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van een persoon of personen uit die wegrennende groep en de persoon in de wegrijdende auto dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft daarmee voorwaardelijk opzet gehad op de dood en heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan de onder 1 impliciet subsidiair en de onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag.
De strafbaarheid
Noodweer(exces)
Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer c.q. noodweerexces. Daartoe is kort gezegd aangevoerd dat er sprake was van een dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van zijn vader of broer waartegen handelen door verdachte geboden was.
Juridisch kader
Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van art. 41 Sr Pro.
Uit de omschrijving van noodweer in art. 41 Sr Pro volgt dat het bij deze strafuitsluitingsgrond gaat om de verdediging van limitatief opgesomde rechtsgoederen: "lijf, eerbaarheid of goed". Onder die rechtsgoederen is het enkele huisrecht niet begrepen. Voorts volgt uit art. 41 Sr Pro dat het beschermde rechtsgoed bij de verdachte zelf of bij een ander kan worden aangerand. Noodweer strekt dus verder dan zelfverdediging.
In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De in dat verband – tot terughoudendheid nopende – maatstaf luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.
Noodweerexces kan in beeld komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", dus wanneer aan alle voorgaande eisen is voldaan behalve aan de proportionaliteitseis. Wat de subsidiariteitseis betreft, verdient opmerking dat voor een beroep op noodweerexces geldt dat er wel een noodzaak tot verdediging moet zijn of moet zijn geweest. Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:
a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien
b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Een beroep op noodweer kan niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
(vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456)
Feitelijke toedracht
De verdachte heeft verklaard dat hij een langslepend conflict heeft met de familie [familienaam] . Op 26 mei 2020 was de verdachte met zijn zoon aan een motor aan het sleutelen toen er een persoon binnenkwam die door de verdachte werd herkend als lid van de familie [familienaam] . De verdachte is met deze persoon in gesprek geraakt wat uiteindelijk in een vechtpartij is uitgemond waarbij over en weer is geslagen. Op enig moment is de ruzie bijgelegd, heeft men elkaar de hand geschud en is de verdachte naar het huis van zijn ouders gereden.
Toen de verdachte in de woning van zijn ouders was, zag hij op camerabeelden dat een aantal auto’s arriveerden bij de oprit van de woning en dat daaruit een aantal personen stapten. Deze werden door de verdachte direct herkend als zijnde vrienden en leden van de familie [familienaam] . De verdachte zag op de camerabeelden dat zijn vader naar de poort bij het begin van de oprit van de woning liep, dat er een woordenwisseling plaatsvond tussen personen uit de groep [familienaam] en zijn vader en dat deze laatste ook naar de groep gebaarde dat ze weg moesten gaan. Ook zag hij dat enkele leden van de groep [familienaam] herhaaldelijk de poort openden en weer sloten.
Omdat de verdachte het niet vertrouwde, heeft hij in de woning een vuurwapen gepakt, deze bij zich gestoken en is achter een heg bij de oprit van de woning gaan zitten waar hij zicht had op de poort en de groep [familienaam] . De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de groep voor hem kwam en dat hij zich daarom niet aan de groep [familienaam] heeft laten zien omdat dit als de spreekwoordelijke “rode lap op een stier” zou kunnen werken.
Volgens de verdachte was er op dat moment geen sprake van een dreiging met geweld maar was er alleen sprake van een verbale dreiging.
De verdachte heeft verder verklaard dat hij op enig moment zag dat er iemand uit de groep [familienaam] , naar een auto liep die op de doorgaande weg geparkeerd stond, de kofferbak daarvan opende, een pistool daaruit haalde, deze doorlaadde en deze bij zich stak.
De verdachte is daarop de woning binnengerend om de daar aanwezigen te waarschuwen om niet naar buiten te gaan omdat er vuurwapens in het spel waren. De verdachte zag vervolgens in de woning op camerabeelden dat de groep de poort binnenkwam en zijn vader uit beeld wegliep en dat hij kort daarna schoten hoorde. Omdat hij dacht dat de groep [familienaam] het op zijn vader of broer had gemunt, is de verdachte met het wapen in zijn hand naar buiten gerend, de oprit op, richting de poort en heeft daar op personen uit de groep [familienaam] en een wegrijdende auto geschoten, dit om - naar eigen zeggen - de groep [familienaam] te “verjagen”. De verdachte heeft op dat moment zijn vader noch zijn broer bij de poort gezien.
Het hof heeft de camerabeelden van het incident ter terechtzitting bekeken en daarin grotendeels een bevestiging gevonden van hetgeen de verdachte heeft verklaard omtrent hetgeen zich op de oprit en bij de poort van de woning van de vader heeft afgespeeld. De feitelijke toedracht van het incident zoals door de verdachte geschetst is, met de navolgende kanttekeningen, onder meer door de eigen waarneming van het hof van de camerabeelden van de oprit en de poort, voldoende aannemelijk geworden. De eerste kanttekening die het hof wil maken is dat hij, in aanvulling op hetgeen de verdachte heeft verklaard, op die camerabeelden heeft waargenomen dat op het moment dat de verdachte via de oprit richting de poort rende met in zijn handen een vuurwapen en dat vuurwapen meermalen afvuurde, alle leden van de groep [familienaam] , op één persoon na, zich niet meer op de oprit of bij de poort van de woning bevonden maar zich inmiddels hadden verplaatst naar de overkant danwel het midden van de doorgaande weg en dat de aandacht van de groep klaarblijkelijk op iets anders is gericht dan op het erf en/of (de woning) (van de) vader van de verdachte. Daarvoor noch ten tijde van dit specifieke moment is sprake van een daadwerkelijke aanranding of dreigende aanranding in de richting van de verdachte, zijn vader of zijn broer waarneembaar. De tweede kanttekening is dat het hof uitdrukkelijk in het midden laat of op die beelden waarneembaar is of en zo ja wat door een persoon uit de groep [familienaam] op enig moment uit de kofferbak van een auto werd gehaald en dus ook of die omstandigheid, zoals de verdachte heeft verklaard, voldoende aannemelijk is geworden. Het hof acht dat, zoals hierna zal blijken, voor de beoordeling van het verweer van de verdediging uiteindelijk niet van belang.
Wordt aan de voorwaarden voor aanvaarding van het verweer voldaan?
Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de hiervoor geschetste feitelijke toedracht niet voldoet aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op noodweer.
Uit die feitelijke toedracht volgt immers op geen enkele wijze dat op het moment dat de verdachte met het vuurwapen in zijn handen via de oprit richting de poort rende, er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn vader of broer of van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een dergelijke aanranding. De vader noch de broer van de verdachte bevonden zich op dat moment bij de poort en evenmin blijkt van een confrontatie of dreigende confrontatie tussen de groep [familienaam] en de vader of broer van de verdachte op dat moment. Integendeel, de groep [familienaam] bevond zich al niet meer op de oprit van de woning, maar had zich verplaatst naar het midden en de overkant van de doorgaande weg en had de aandacht op iets anders gevestigd. Het handelen van de verdachte dient in dit verband daarom eerder als aanvallend dan als verdedigend te worden aangemerkt, getuige ook zijn eigen verklaring dat hij de groep [familienaam] ging “verjagen”.
Het hof herhaalt dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op de grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als verdediging, maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien. Noodweer impliceert immers verdedigend optreden en daarvan was te dezen geen sprake. In een dergelijk geval kan ook een beroep op noodweerexces of op putatief noodweer(exces) niet slagen. (vgl. HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4788)
Het beroep op noodweer slaagt dientengevolge niet.
Noodweerexces
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen.
Putatief noodweer(exces).
Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld vanuit putatief noodweer(exces). Daartoe is aangevoerd dat de verdachte, nadat hij een schot had gehoord, in redelijkheid mocht menen dat zijn vader of broer vanuit de groep [familienaam] werd beschoten en dat hij zijn vader of broer moest verdedigen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het beroep op putatief noodweer c.q. putatief noodweerexces kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, evenmin slagen.
Maar ook overigens faalt het verweer.
Een beroep op putatief noodweer komt uitsluitend voor honorering in aanmerking wanneer de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald ten aanzien van het verkeren in een noodweersituatie. Daarbij is de beoordeling door een objectieve waarnemer ten tijde van het handelen beslissend. Wanneer door of namens de verdachte een beroep is gedaan op putatief noodweer dient het hof eerst te onderzoeken of er inderdaad sprake was van een verschoonbare dwaling aan de kant van de verdachte. Dit is het geval indien de verdachte niet alleen kon maar ook redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456) Bij een vergissing die de objectieve waarnemer niet zou maken, is er geen sprake van een gerechtvaardigd beroep op noodweer en evenmin veel ruimte voor verschoonbare dwaling.
In het licht van deze vooropstelling stelt het hof vast dat de verdachte voorafgaande aan het ten laste gelegde een handgemeen heeft gehad met een lid van de familie [familienaam] en dat hij met die familie een langslepend conflict had. Over het moment dat de groep [familienaam] bij de poort van de woning van zijn vader arriveerde heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat ze voor hem kwamen. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij zich op dat moment niet aan de groep [familienaam] heeft laten zien door zich achter een heg te verschuilen omdat dit anders als een “rode lap op een stier” zou kunnen werken. Tenslotte heeft de verdachte verklaard dat hij voordat hij het schot had gehoord, op de camerabeelden in de woning had gezien dat zijn vader bij de poort wegging en dat toen hij met zijn vuurwapen richting de poort rende, hij zijn vader of zijn broer daar niet heeft gezien.
Het hof is, gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat uit niets blijkt dat de groep [familienaam] bij de woning van de vader van de verdachte arriveerde voor de vader of de broer van de verdachte. Zij kwamen voor niemand anders dan voor de verdachte zelf. Dit was ook voor de verdachte duidelijk gelet op zijn verklaring daaromtrent dat hij wist dat ze voor hem kwamen en het door hem vertoonde gedrag (verstoppen achter een heg en daardoor niet zichtbaar zijn voor de groep). Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte niet kon maar ook redelijkerwijs niet mocht menen dat hij zijn vader of broer moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan. Hieraan doet dus ook niet af dat de verdachte volgens zijn eigen verklaring had gezien dat er door een persoon uit de groep [familienaam] een wapen uit de auto was gepakt en doorgeladen. Er was immers voor de verdachte geen enkele reden om aan te nemen dat dit wapen gebruikt zou gaan worden jegens de vader of broer van de verdachte. In dat verband merkt het hof op dat er al een confrontatie was geweest tussen leden van de groep [familienaam] en de vader van de verdachte bij de poort op korte afstand van elkaar. Die bleef beperkt tot wat verbale uitlatingen vanuit de groep [familienaam] en een wegwezen-gebaar van de zijde van de vader. Van enige daadwerkelijke agressie richting de vader vanuit de groep [familienaam] die zou kunnen nopen tot verdediging of verschoonbaar tot het idee zou hebben kunnen leiden dat verdediging noodzakelijk was, is niet gebleken. Evenmin richting de broer van de verdachte. Het hof betrekt hierbij tevens de verklaring van de verdachte dat hij op de camerabeelden, voordat hij het schot hoorde, had gezien dat zijn vader bij de poort wegging en dat hij zijn vader noch zijn broer bij de poort zag toen hij na het gehoorde schot naar buiten rende.
Het hof verwerpt het beroep op putatief noodweer en daarmee tevens het beroep op putatief noodweerexces.
Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.
Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

De eendaadse samenloop van:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd,

en

poging tot doodslag.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.
De feiten zijn strafbaar.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.
Verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De rechtbank heeft met betrekking tot de strafoplegging onder meer het navolgende overwogen:
“De verdachte heeft bewust gericht met een vuurwapen geschoten op een groep personen op het moment dat deze zich verwijderden van het erf van zijn ouders. Kort tevoren had daar een verbale confrontatie plaatsgevonden die samenhing met een conflict tussen de verdachte en een familielid van [slachtoffer 1] , met wie hij kennelijk al langere tijd in onmin leeft. Wat er ook zij van de aanleiding, heeft de verdachte door met een vuurwapen gericht te schieten het conflict verder doen escaleren. Hij heeft daarmee niet alleen de betrokkenen, maar ook personen die op geen enkele manier bij dit conflict betrokken waren, in levensgevaar gebracht: binnen het schootsveld, slechts enkele meters verwijderd van de slachtoffers, bevonden zich de overbuurman die net thuis kwam, kinderen die achter de heg in de tuin aan het spelen waren en een toevallige passant op de fiets. Dat geen andere personen door kogels zijn getroffen, is een uiterst gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte is te danken.
De gevoelens van onrust en onveiligheid die dergelijke feiten bij de omwonenden en in de
maatschappij veroorzaken, rekent de rechtbank hem zwaar aan.
Door het handelen van de verdachte zijn bovendien twee slachtoffers zwaargewond geraakt.
Slechts snel en adequaat medisch ingrijpen heeft kunnen voorkomen dat het slachtoffer [slachtoffer 3] aan de schotwond in zijn buik is komen te overlijden. Het letsel dat beide slachtoffers aan hun been hebben opgelopen, is fors en de kans op volkomen genezing, in ieder geval bij [slachtoffer 4] , is klein. Zij zullen de rest van hun leven de gevolgen van het handelen van de verdachte met zich dragen en daarmee moeten leven.
Het gemak waarmee de verdachte naar een vuurwapen grijpt om zijn geschillen te beslechten, baart de rechtbank grote zorgen. Het is immers niet de eerste keer dat hij een dergelijk feit pleegt: in 2010 is hij door deze rechtbank veroordeeld voor onder meer een poging tot doodslag, meermalen gepleegd. De rechtbank neemt die eerdere veroordeling in strafverzwarende zin mee in haar oordeel.”
Het hof neemt vorenstaande overwegingen over en maakt deze tot de zijne waarbij het hof aanvullend overweegt dat de eerdere veroordeling waarnaar de rechtbank in haar hiervoor weergegeven overweging verwijst eveneens betrekking heeft op een lid van de familie [familienaam] .
Het hof volgt de advocaat-generaal niet in zijn strafeis (gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren) omdat deze in zijn vordering is uitgegaan van een bewezenverklaring van de onder 1 en 2 impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord en het hof de verdachte daarvan heeft vrijgesproken.
Hoewel het hof, anders dan de rechtbank, de verdachte eveneens heeft vrijgesproken van de onder feit 2 ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 3] , komt het tot een zwaardere straf dan de rechtbank heeft opgelegd.
Het gaat hier om een poging tot doodslag op meerdere personen. Het mag een absoluut wonder heten dat niemand dodelijk is getroffen. Het hof is van oordeel dat gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en in verband met een juiste normhandhaving, alsmede de justitiële voorgeschiedenis van de verdachte, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt van aanzienlijke duur.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de oplegging van een zeer langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf noodzakelijk is en de enige aangewezen optie. Niet alleen om recht te doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten en aan het leed dat de slachtoffers is aangedaan, maar ook om te benadrukken dat het handelen van de verdachte absoluut onaanvaardbaar is en ter bescherming van de maatschappij. Daarbij heeft het hof bij de bepaling van de aan de verdachte op te leggen straf de strafdoelen van vergelding en algemene en speciale preventie op de voorgrond laten staan. Het hof is van oordeel dat uit hetgeen gebeurd is, duidelijk blijkt hoe kwalijk en het ongecontroleerde bezit van vuurwapens is en waar dat toe kan leiden.
Het hof is van oordeel dat het bewezenverklaarde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren rechtvaardigt.
Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof nog het navolgende.
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Het hof gaat in dit geval uit van een termijn van 16 maanden per instantie, nu de verdachte het gehele proces in voorarrest heeft doorgebracht.
Het hof stelt voor de eerste aanleg de aanvang van de termijn op 14 juli 2022, het moment van het eerste politieverhoor. Het einde stelt het hof op de datum van het eindvonnis in eerste aanleg te weten 14 mei 2024. Daarmee is in deze fase de termijn van 16 maanden met 6 maanden overschreden.
De aanvang van de termijn in de fase van het hoger beroep stelt het hof op 27 mei 2025, zijnde de datum waarop verdachte hoger beroep heeft ingesteld. Het einde van deze termijn stelt het hof op 16 juli 2026, zijnde de datum van dit arrest. Daarmee is de redelijke termijn van 16 maanden met 9 maanden overschreden. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat deze overschrijding niet geheel voor rekening van de verdachte dient te komen vanwege de verzochte maar uiteindelijk afgelaste schouw.
Er is dan ook in twee instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Het hof is van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Zonder schending van de redelijke termijn zou, zoals hiervoor door het hof is overwogen,
een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu evenwel de redelijke termijn in twee instanties is geschonden, zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 22.960,05, bestaande uit een bedrag van € 2.960,05 ter zake van materiële schade en een bedrag van € 20.000,- ter zake van immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] als gevolg van verdachtes onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het hof merkt daarbij het volgende op.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet eenvoudig van aard is en dat een behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat daarom de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard. In dat verband is gewezen op het aandeel eigen schuld van de benadeelde partij in het ontstaan van de schade.
Het hof volgt de verdediging niet in dit standpunt en is van oordeel dat van eigen schuld van de benadeelde partij in het ontstaan van de schade geen sprake is. De benadeelde partij is ontvankelijk in de vordering.
Nu de verdediging de inhoud van de vordering van de benadeelde partij verder niet inhoudelijk heeft betwist, gaat het hof uit van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten. Nu de vordering bovendien niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt zal de vordering zowel voor wat betreft het materiële gedeelte als het immateriële gedeelte, overeenkomstig de rechtbank, geheel worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof nog dat de toewijzing is gegrond op het bepaalde in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b onder 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) die aan een benadeelde partij voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht geeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien sprake is van lichamelijk letsel.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 4] is toegebracht tot een bedrag van € 22.960,05, bestaande uit een bedrag van € 2.960,05 ter zake materiële schade en een bedrag ter zake van € 20.000,- ter zake immateriële schade. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 24.678,54, bestaande uit een bedrag
€ 4.678,54 ter zake materiële schade en een bedrag van € 20.000,- ter zake immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] als gevolg van verdachtes onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het hof merkt daarbij het volgende op.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet eenvoudig van aard is en dat een behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat daarom de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard. In dat verband is gewezen op het aandeel eigen schuld van de benadeelde partij in het ontstaan van de schade.
Het hof volgt de verdediging niet in dit standpunt en is van oordeel dat van eigen schuld van de benadeelde partij in het ontstaan van de schade geen sprake is. De benadeelde partij is ontvankelijk in de vordering.
Nu de verdediging de inhoud van de vordering van de benadeelde partij verder niet inhoudelijk heeft betwist, gaat het hof uit van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten. Nu de vordering bovendien niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt zal de vordering zowel voor wat betreft het materiële gedeelte als het immateriële gedeelte, overeenkomstig de rechtbank, geheel worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof nog dat de toewijzing is gegrond op het bepaalde in artikel 6:106 aanhef Pro en onder b onder 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) die aan een benadeelde partij voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht geeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien sprake is van lichamelijk letsel.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 3] is toegebracht tot een bedrag van € 24.678,54. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 55, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Spreekt verdachte vrij van het onder 1 impliciet primair en het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair en 2 impliciet subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
11 (elf) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 22.960,05 (tweeëntwintigduizend negenhonderdzestig euro en vijf cent) bestaande uit € 2.960,05 (tweeduizend negenhonderdzestig euro en vijf cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2020 aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 22.960,05 (tweeëntwintigduizend negenhonderdzestig euro en vijf cent) bestaande uit € 2.960,05 (tweeduizend negenhonderdzestig euro en vijf cent) materiële schade en
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2020 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 134 (honderdvierendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 24.678,54 (vierentwintigduizend zeshonderdachtenzeventig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 4.678,54 (vierduizend zeshonderdachtenzeventig euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2020 tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 24.678,54 (vierentwintigduizend zeshonderdachtenzeventig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 4.678,54 (vierduizend zeshonderdachtenzeventig euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2020 tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 140 (honderdveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Aldus gewezen door:
mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. M.J.A.E. Rijssenbeek, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. van der Meijs, griffier,
en op 16 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. M.J.A.E. Rijssenbeek is buiten staat dit arrest te ondertekenen.