ECLI:NL:GHSHE:2026:186

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
24/315
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Wet WOZArt. 47 WbmArt. 50 WbmArt. 59 WbmArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep energiebelasting: samenstel onroerende zaken en teruggaaf energiebelasting

Belanghebbende leverde gas en elektriciteit aan tien ondernemingen met meerdere productielocaties, elk met een eigen aansluiting. De kern van het geschil betrof de vraag of de energiebelasting per aansluiting of per verbruiker (als samenstel van onroerende zaken) moest worden berekend.

Het hof oordeelde dat het Besluit van 28 juni 2019 bindend is voor de inspecteur en dat deze niet mag afwijken van WOZ-beschikkingen die aangeven dat sprake is van één onroerende zaak. Voor vier ondernemingen was dit het geval, waardoor belanghebbende recht heeft op teruggaaf van € 45.844 aan energiebelasting.

Voor de overige zes ondernemingen stelde het hof vast dat geen samenstel van onroerende zaken bestond. Dit werd onderbouwd met criteria uit een arrest van de Hoge Raad, waarbij geografische afstand, zelfstandige gebruiksmogelijkheid en verkoopbaarheid zwaar wogen.

Daarnaast kende het hof een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van vier jaar, en veroordeelde de inspecteur en minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en bevestigt het recht op teruggaaf en vergoeding voor belanghebbende.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en kent teruggaaf van energiebelasting toe voor vier ondernemingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/315
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 januari 2024, nummer BRE 22/3716, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft aangifte gedaan van door haar over het tijdvak februari 2021 verschuldigde energiebelasting en opslag duurzame energie- en klimaattransitie 2021 (hierna: energiebelasting).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de op aangifte voldane energiebelasting. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] , als gemachtigden van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.6.
Beide partijen hebben tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende levert gas en elektriciteit aan (onder meer) tien ondernemingen (de verbruikers) die een tuinbouwbedrijf uitoefenen met meerdere productielocaties die ieder een eigen aansluiting voor energie hebben. Iedere productielocatie is een gebouwd eigendom voor de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ).
De verbruikers zijn:
- [b.v. 2] (hierna: [b.v. 2] )
- [b.v. 3] (hierna: [b.v. 3] )
- [b.v. 4]
- [b.v. 5] (hierna: [b.v. 5] )
- [b.v. 6] (hierna: [b.v. 6] )
- [b.v. 7] (hierna: [b.v. 7] )
- [b.v. 8] (hierna: [b.v. 8] )
- [b.v. 9] (hierna: [b.v. 9] )
- [b.v. 10] (hierna: [b.v. 10] )
- [b.v. 11] (hierna: [b.v. 11] )
2.2.
Als belastingplichtige voor de energiebelasting heeft belanghebbende de verschuldigde energiebelasting voor de verbruikers berekend per aansluiting. De op deze wijze berekende energiebelasting is van de verbruikers geheven.
2.3.
Belanghebbende heeft berekeningen gemaakt van het bedrag aan energiebelasting dat verschuldigd zou zijn indien deze niet per aansluiting maar per verbruiker (dus als één aansluiting) berekend zou worden. Omdat het energiebelastingtarief degressief is, resulteert deze berekeningswijze in een lager bedrag aan verschuldigde energiebelasting.
2.4.
Belanghebbende heeft per verbruiker gedetailleerde informatie overgelegd zoals de EAN-codes, de herziene energiebelastingberekeningen over het tijdvak februari 2021 alsmede foto's en kaartweergaven van de productielocaties.
2.5.
De inspecteur heeft een waarneming ter plaatse laten uitvoeren bij alle verbruikers en de bevindingen daarvan per verbruiker in een rapport vastgelegd en overgelegd.
[b.v. 2]
2.6.
is gespecialiseerd in de teelt van asters en chrysanten, die worden gekweekt in kassen op drie locaties in de gemeente [gemeente 1] : [adres 1] en [adres 2] in [plaats 1] en [adres 3] in ’ [plaats 2] . De bloemen worden op de locaties geteeld en op een centrale plek verwerkt. Op elk van de locaties is het bedrijfslogo van [b.v. 2] zichtbaar. De locaties zijn afzonderlijk af te sluiten. Op de locaties bevinden zich kweekkassen, kantoorruimtes, kantines en toiletvoorzieningen. [adres 1] beschikt ook over een verwerkingsruimte en opslag. De onderlinge afstand bedraagt ongeveer 3,5 kilometer, 3 kilometer en 5,7 kilometer hemelsbreed. In 2022 heeft [b.v. 2] de locatie aan [adres 3] afgestoten.
[b.v. 3]
2.7.
kweekt gerbera’s op twee locaties in [plaats 1] , gemeente [gemeente 1] : [adres 4] en [adres 5] . De bloemen worden op beide locaties gekweekt. De locatie [adres 4] is de hooflocatie en beschikt over een laboratorium voor veredeling. Beide locaties zijn afsluitbaar en beschikken over kassen, een hal waar de bloemen worden ingepakt, een kantoor, kantine en toiletten. De locaties zijn van elkaar gescheiden door wegen en tussen gelegen percelen van derden. Hemelsbreed liggen de locaties 500 meter uit elkaar. Het bedrijfslogo van [b.v. 3] is op beide locaties zichtbaar.
[b.v. 7]
2.8.
[b.v. 7] is gespecialiseerd in de rozenteelt. Zij oefent haar bedrijf uit op drie locaties: [adres 6] en [adres 7] in [plaats 1] , gemeente [gemeente 1] en [adres 8] in [plaats 3] in de gemeente [gemeente 2] . De afstand tussen [adres 6] en [adres 7] is ongeveer drie kilometer en tussen [adres 6] en [adres 8] is ongeveer 3,6 kilometer. De afstand tussen [adres 7] en [adres 8] is ongeveer 5,3 kilometer. Tussen de locaties liggen wegen en percelen in eigendom en gebruik bij derden.
De drie locaties beschikken over kassen, kantoorruimtes, toiletten en kantines en zijn afsluitbaar. De locatie op [adres 6] is de hoofdlocatie daar bevindt zich ook een verwerkingshal voor verzending naar de veiling. Op de locaties is het bedrijfslogo van [b.v. 7] zichtbaar.
[b.v. 8]
2.9.
is gespecialiseerd in de rozenteelt. [b.v. 8] teelt haar rozen op twee locaties op [adres 9] en [adres 10] in [plaats 4] , gemeente [gemeente 1] . De locaties liggen hemelsbreed ongeveer één kilometer uit elkaar. Tussen de locaties bevinden zich wegen en percelen in eigendom en gebruik bij derden. Beide locaties beschikken over kassen, productielocaties en verwerkingshallen en zijn afsluitbaar. De locatie op de [adres 9] is de hoofdlocatie en beschikt ook over een kantoor. Op de locaties is het bedrijfslogo van [b.v. 8] zichtbaar. [b.v. 8] heeft op enig moment de locatie op [adres 10] afgestoten.
[b.v. 9]
2.10.
kweekt potlelies op twee locaties: [adres 11] in [plaats 3] en [adres 12] in [plaats 5] . Hemelsbreed is de afstand tussen deze locaties ongeveer 5,4 kilometer. Tussen de locaties bevinden zich wegen en percelen in eigendom en gebruik bij derden. Beide locaties beschikken over kassen, productielocaties, technische ruimtes en toiletten en zijn afsluitbaar. De locatie Veenakkerweg is de hoofdlocatie en beschikt ook over een kantoor. Op de locaties is het bedrijfslogo van [b.v. 9] zichtbaar.
[b.v. 6]
2.11.
De heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente 2] heeft [b.v. 6] bij brief van 29 januari 2020 laten weten dat met betrekking tot de onroerende zaken [adres 13] in [plaats 6] en [adres 14] in [plaats 3] sprake is van een samenstel in de zin van artikel 16 Wet Pro WOZ. Hij heeft per waardepeildatum 1 januari 2020 een WOZ-beschikking gegeven voor alleen de [adres 14] .
[b.v. 5]
2.12.
De heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente 2] heeft [b.v. 5] bij brief van 18 maart 2020 laten weten dat met betrekking tot de onroerende zaken [adres 15] en [adres 16] in [plaats 7] sprake is van een samenstel in de zin van artikel 16 Wet Pro WOZ. Hij heeft per waardepeildatum 1 januari 2020 een WOZ-beschikking gegeven voor alleen [adres 16] in [plaats 7] .
[b.v. 11]
2.13.
De heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente 3] heeft [b.v. 11] bij brief van 29 juni 2020 laten weten dat de onroerende zaken [adres 17] , [adres 18] in [plaats 8] en [adres 19] in [plaats 9] een samenstel vormen en als één onroerende zaak als gedefinieerd in artikel 16 Wet Pro WOZ aangemerkt kan worden. De heffingsambtenaar heeft per waardepeildatum 1 januari 2020 een WOZ-beschikking gegeven voor alleen [adres 17] .
[b.v. 10]
2.14.
Bij uitspraak op bezwaar van 1 februari 2021 heeft de heffingsambtenaar van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (SVHW) waar de gemeente [gemeente 4] onder valt, geoordeeld dat ten aanzien van de onroerende zaken [adres 20] , [adres 21] en [adres 22] en [adres 23] te [plaats 10] sprake is van een samenstel als bedoeld in artikel 16 Wet Pro WOZ. De heffingsambtenaar heeft per waardepeildatum 1 januari 2020 de onderneming [de BV] een WOZ-beschikking opgelegd voor alleen [adres 21] .

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
- Heeft belanghebbende met een beroep op het besluit van 28 juni 2019 [1] (hierna: het Besluit) recht op teruggaaf van energiebelasting?
- Is sprake van een samenstel van onroerende zaken als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, Wet WOZ, zodat per gebruiker sprake is van één aansluiting?
3.2.
Belanghebbende heeft ter zitting ten aanzien van [b.v. 4] haar standpunt dat sprake is van een samenstel uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot teruggaaf van energiebelasting. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Op grond van artikel 50 Wet Pro belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm) wordt een energiebelasting geheven vanwege de levering van aardgas of elektriciteit via een aansluiting aan de verbruiker. Een aansluiting kan bestaan uit meerdere leveringspunten energie. De verschuldigde energiebelasting wordt op grond van artikel 59, eerste lid, Wbm per aansluiting berekend.
4.2.
Het begrip aansluiting is gedefinieerd in artikel 47, eerste lid, onderdeel f, Wbm:
"aansluiting: een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken op een Nederlands distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd,- een aansluiting kan bestaan uit een of meer leveringspunten."
4.3.
Artikel 16 Wet Pro WOZ luidt (voor zover van belang):
"Voor de toepassing van de wet wordt als één onroerende zaak aangemerkt.-
a. een gebouwd eigendom;
b. een ongebouwd eigendom;
c. een gedeelte van een in onderdeel a of onderdeel b bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d. een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a of onderdeel b bedoelde eigendommen of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren."
Beroep op het besluit
4.4.
De Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft in het Besluit het volgende beleid bekend gemaakt:
"4.1. Begrip aansluiting; onroerende zaak
Onder een aansluiting wordt verstaan een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak op een Nederlands distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd (artikel 47, eerste lid, onderdeel f, van de wet). Voor het begrip onroerende zaak wordt verwezen naar artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de wet WOZ. Als uit een door de gemeente afgegeven WOZ-beschikking blijkt dat sprake is van één onroerende zaak, wordt daar in de energiebelasting bij aangesloten. Dat is slechts anders wanneer vanwege de toepassing van artikel 16, onderdeel f, van de wet WOZ sprake is van WOZ-beschikkingen van twee of meer aaneengesloten gemeenten. Bij openbare infrastructurele voorzieningen en bij evenementen kan het voorkomen dat een WOZ-beschikking ontbreekt, waardoor onduidelijkheid bestaat over de berekening van de energiebelasting."
4.5.
Belanghebbende beroept zich op het Besluit. Zij betoogt dat het Besluit beleid vormt waar de inspecteur aan is gebonden en dat dit betekent dat de inspecteur dient aan te sluiten bij door heffingsambtenaren afgegeven WOZ-beschikkingen als daaruit blijkt dat sprake is van een samenstel van onroerende zaken. De inspecteur stelt daartegenover dat hij bij een in zijn opvatting onjuiste WOZ-beschikking de bevoegdheid heeft om daarvan af te wijken, omdat in het Besluit wordt aangesloten bij “een onroerende zaak” en niet bij “een object”. Aangezien in het onderhavige geval sprake is van meerdere onroerende zaken mag de inspecteur beoordelen of de beschikking juist is of niet. De latere wijziging van het Besluit per 28 december 2023 is een verduidelijking, aldus de inspecteur. Ook onder de tekst die in 2021 gold, kon de inspecteur afwijken.
4.6.
Het hof stelt voorop dat ten tijde van de afdracht energiebelasting februari 2021 het Besluit van kracht was. Het Besluit vormt geldend en gepubliceerd beleid waar belanghebbende een beroep op kan doen en de inspecteur aan is gebonden. Het hof volgt de inspecteur niet in zijn lezing van het Besluit. Naar het oordeel van het hof laat de tekst van het Besluit niet toe dat de inspecteur bij een door een heffingsambtenaar gegeven WOZ-beschikking waaruit volgt dat sprake is van één onroerende zaak en dus sprake is van een samenstel van onroerende zaken, daarvan kan afwijken indien hij het niet eens is met de gegeven beschikking omdat die naar zijn opvatting onjuist is [2] . Het hof wijst erop dat in de tekst die in 2021 gold geen voorbehoud is opgenomen voor gevallen waarin de inspecteur tot een ander oordeel komt dan de heffingsambtenaar over de toepassing van artikel 16, onderdelen a tot en met e, Wet WOZ. Belanghebbende mocht dus uitgaan van de lezing dat een gegeven WOZ-beschikking in de energiebelasting wordt gevolgd. Een belastingplichtige kan immers op beleidsregels vertrouwen ook als die regels in strijd zijn met een juiste wetstoepassing [3] . Weliswaar gaat het er hier niet om dat de regel op zichzelf in strijd is met een juiste wetstoepassing, maar dat de toepassing door de heffingsambtenaar dat mogelijk wél is. Het hof ziet niet in dat dat gelet op de tekst van het Besluit tot een ander oordeel moet leiden. Dit geldt ook in het geval van [b.v. 10] . Bij die onderneming is de WOZ-beschikking niet gegeven aan [b.v. 10] maar aan [b.v. 12] Het hof acht beslissend dat ook in dat geval sprake is van een WOZ-beschikking voor één onroerende zaak.
4.7.
Belanghebbende betoogt verder dat uit het Besluit volgt dat voor de energiebelasting moet worden uitgegaan van één onroerende zaak en dus van één aansluiting wanneer de heffingsambtenaar, zoals bij [b.v. 7] en [b.v. 8] , een verklaring heeft afgegeven dat in zijn opvatting sprake is van een samenstel van onroerende zaken in de zin van artikel 16, onderdeel d, Wet WOZ, een zogeheten samenstelverklaring. Dit betoog kan niet slagen, aangezien de tekst van het Besluit geen aanknopingspunten biedt voor deze lezing. Het hof gaat, gelet op de tekst van het Besluit, uit van de WOZ-beschikking en beschouwt de samenstelverklaring niet als beslissend. Aangezien de heffingsambtenaar in die gevallen vervolgens meerdere WOZ-beschikkingen heeft gegeven, leidt het Besluit er niet zonder meer toe dat sprake is van één onroerende zaak. Het hof zal hieronder beoordelen of op grond van de omstandigheden van deze gevallen sprake is van een samenstel van onroerende zaken.
4.8.
Dit betekent ook dat de omstandigheid dat de heffingsambtenaar in de samenstelverklaring van [b.v. 11] heeft vermeld dat de verklaring alleen voor de energiebelasting is afgegeven, niet beslissend is, omdat de heffingsambtenaar vervolgens een WOZ-beschikking heeft gegeven voor één onroerende zaak. Die WOZ-beschikking is niet gegeven voor de energiebelasting maar stelt de WOZ-waarde per waardepeildatum vast en ligt ten grondslag aan (onder meer) de heffing van onroerendezaakbelasting.
4.9.
Het hof stelt vast dat belanghebbende voor [b.v. 5] , [b.v. 6] , [b.v. 10] en [b.v. 11] WOZ-beschikkingen per waardepeildatum 1 januari 2020 heeft overgelegd waaruit blijkt dat sprake is van één onroerende zaak, zie 2.12, 2.11, 2.14 respectievelijk 2.13. Op grond van het Besluit is dan sprake van één aansluiting. Dit betekent dat belanghebbende ten aanzien van de aansluitingen van deze ondernemingen recht heeft op teruggaaf van energiebelasting ten bedrage van:
Onderneming
Teruggaaf m.b.t. de levering van elektriciteit
Teruggaaf m.b.t. de levering van gas
Totaal
[b.v. 5]
€ 3.754
€ 5.824
€ 9.578
[b.v. 6]
€ 5.880
€ 8.011
€ 13.891
[b.v. 10]
€ 7.450
€ 7.418
€ 14.868
[b.v. 11]
€ 7.507
€ 7.507
In totaal
€ 45.844
Samenstel
4.10.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 september 2025 [4] (hierna: het arrest van 12 september 2025), onder meer, het volgende geoordeeld:
"De Hoge Raad stelt het volgende voorop.
4.2.1
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 16, aanhef en letter d, van de Wet WOZ volgt dat het bij deze bepaling gaat om objecten die bestaan uit twee of meer gebouwde dan wel ongebouwde eigendommen die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen en door één en dezelfde (rechts)persoon worden gebruikt. Daarbij is opgemerkt dat aan de hand van de omstandigheden in concrete gevallen zal moeten worden beoordeeld of onroerende zaken bij elkaar horen of niet.3 Dit betekent dat alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, in ogenschouw moeten worden genomen om te beoordelen of sprake is van een samenstel van eigendommen.4
4.2.2
Omstandigheden als hiervoor in 4.2.1 bedoeld, kunnen onder meer zijn: (i) de geografische samenhang tussen de eigendommen5 (zijn de eigendommen aaneengesloten of zijn er daartussen andere objecten gelegen?), (ii) de afstand tussen de eigendommen indien zij niet aaneengesloten zijn,6 (iii) de organisatorische samenhang tussen het gebruik van de eigendommen,7 (iv) de mogelijkheid dat de eigendommen afzonderlijk van elkaar worden verkocht,8 (v) de mogelijkheid om de eigendommen onafhankelijk van elkaar te gebruiken, (vi) de uiterlijke kenmerken van de eigendommen,9 en (vii) de voor derden waarneembare samenhang tussen de eigendommen10. Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld welke van deze omstandigheden relevant zijn en welk gewicht daaraan toekomt voor de beoordeling of van een samenstel van eigendommen kan worden gesproken.
4.2.3
Het voorgaande brengt mee dat het niet goed mogelijk is nadere, algemene regels over het begrip samenhang te formuleren. Het brengt ook mee dat een oordeel van de feitenrechter over de vraag of – op basis van alle omstandigheden van het geval – sprake is van een samenstel van eigendommen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie slechts beperkt toetsbaar is.
4.3
Het middel berust op de veronderstelling dat op grond van het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058, voor het antwoord op de vraag of sprake is van een samenstel van eigendommen, beslissend is of de verschillende locaties dienstbaar zijn aan elkaar en of zij voor hetzelfde organisatorische doel worden aangewend. Deze veronderstelling berust op een verkeerde lezing van dat arrest. Zoals in onderdeel 6.9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal terecht wordt opgemerkt, heeft de Hoge Raad in het hiervoor vermelde arrest niet in het algemeen voor in een bedrijf aangewende (gedeelten van) eigendommen geoordeeld dat voor beantwoording van de vraag of sprake is van een samenstel van eigendommen, uitsluitend beslissend is of het bedrijf als één samenhangend geheel moet worden beschouwd, waarbinnen alle (gedeelten van) eigendommen voor één organisatorisch doel worden aangewend. De Hoge Raad heeft dat criterium geformuleerd in het kader van de door de belanghebbende in die zaak in haar bedrijf aangewende (gedeelten van) eigendommen, die onmiskenbaar een geografisch samenhangend geheel vormden. Aldus heeft de Hoge Raad zijn oordeel toegespitst op de in die zaak relevante omstandigheden van het geval.
Voetnoten:
3Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 43.
4Vgl. HR 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3060, rechtsoverweging 3.2, en HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1328, rechtsoverweging 2.3.2.
5HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058, rechtsoverweging 3.1.3.
6Vgl. Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 43.
7HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058, rechtsoverweging 3.1.3.
8HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1328, rechtsoverweging 2.3.2.
9HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1328, rechtsoverweging 2.3.2.
10HR 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3060, rechtsoverweging 3.2."
4.11.
Belanghebbende betoogt dat voor elk van haar cliënten sprake is van een samenstel als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, Wet WOZ. Belanghebbende betoogt dat ondanks de omstandigheid dat de kassen van een glastuinbouwbedrijf niet op één terrein zijn gelegen, dit geen belemmering is om te concluderen dat sprake is van een samenstel. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat fysieke afstand geen belemmering vormt voor het vormen van een samenstel, aldus belanghebbende. Belanghebbende leidt uit de rechtspraak, met name het zogenoemde Schiphol-arrest [5] af dat beslissend is of de eigendommen door het desbetreffende bedrijf worden gebruikt voor een organisatorisch doel. De inspecteur bestrijdt dit standpunt en betoogt dat voor geen van de glastuinbouwbedrijven sprake is van een onmiskenbaar geografisch samenhangend geheel en dat ook uit de overige omstandigheden geen samenstel volgt. Volgens de inspecteur liggen met name commerciële motieven ten grondslag aan de overwegingen van de glastuinbouwbedrijven om hun bedrijfsproces centraal of decentraal in te richten. De locaties kunnen nog steeds zelfstandig draaien, zijn niet onlosmakelijk met elkaar verbonden en kunnen los van elkaar worden verkocht, aldus de inspecteur.
4.12.
Het hof zal nu beoordelen of bij [b.v. 2] , [b.v. 3] , [b.v. 7] , [b.v. 8] en [b.v. 9] sprake is van een samenstel van eigendommen als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, Wet WOZ. Bij de beoordeling of sprake is van een samenstel van eigendommen die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen, moeten alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Daarbij zal het hof met name de zeven criteria die de Hoge Raad in zijn arrest van 12 september 2025 aangeeft, als richtsnoer gebruiken.
[b.v. 2]
4.13.
Uit de overgelegde foto’s blijkt dat de drie onroerende zaken alleen over openbare wegen kunnen worden bereikt. De afstand tussen de onroerende zaken bedraagt meer dan drie kilometer. De onroerende zaken zijn onderling niet via zijwegen of op andere wijze met elkaar verbonden. Tussen de onroerende zaken bevinden zich wegen en percelen met kasopstanden, woonhuizen, en andere gebouwde en ongebouwde eigendommen die in eigendom en gebruik zijn bij derden. De onroerende zaken zijn voorts elk afzonderlijk voor het productieproces van een glastuinbouwbedrijf uitgerust en operationeel. Zij beschikken over eigen kassen, kantoorruimtes, kantines en toiletvoorzieningen. De onroerende zaken kunnen afzonderlijk van elkaar worden verkocht en afzonderlijk van elkaar worden gebruikt. Het hof ziet daarvoor bevestiging in de omstandigheid dat de locatie op [adres 3] in 2022 is verkocht.
[b.v. 3]
4.14.
Uit de overgelegde foto’s blijkt dat de twee onroerende zaken alleen over openbare wegen kunnen worden bereikt. De afstand tussen de onroerende zaken bedraagt hemelsbreed weliswaar ongeveer 500 meter. Toch volgt uit de foto’s in het dossier dat de afstand tussen de ingangen van de locaties op de [adres 4] en de [adres 5] aanmerkelijk groter is dan de afstand tussen het begin van het ene perceel en het eind van het andere. De onroerende zaken zijn onderling niet via zijwegen of op andere wijze met elkaar verbonden. Tussen de onroerende zaken bevindt zich een weg en een perceel met kasopstanden, en andere gebouwde en ongebouwde eigendommen die in eigendom en gebruik zijn bij derden. De onroerende zaken zijn voorts elk afzonderlijk voor het productieproces van een glastuinbouwbedrijf uitgerust en operationeel. Zij beschikken over eigen kassen, kantoorruimtes, kantines en toiletvoorzieningen. De onroerende zaken kunnen afzonderlijk van elkaar worden verkocht en afzonderlijk van elkaar worden gebruikt.
[b.v. 7]
4.15.
Uit de overgelegde foto’s blijkt dat de drie onroerende zaken alleen over openbare wegen kunnen worden bereikt. De afstand tussen de onroerende zaken bedraagt tussen de drie en meer dan vijf kilometer. De onroerende zaken zijn onderling niet via zijwegen of op andere wijze met elkaar verbonden. Tussen de onroerende zaken bevinden zich wegen en percelen met kasopstanden, woonhuizen, en andere gebouwde en ongebouwde eigendommen die in eigendom en gebruik zijn bij derden. De onroerende zaken zijn voorts elk afzonderlijk voor het productieproces van een glastuinbouwbedrijf uitgerust en operationeel. Zij beschikken over eigen kassen, kantoorruimtes, kantines en toiletvoorzieningen. De onroerende zaken kunnen afzonderlijk van elkaar worden verkocht en afzonderlijk van elkaar worden gebruikt.
[b.v. 8]
4.16.
Uit de overgelegde foto’s blijkt dat de twee onroerende zaken alleen over openbare wegen kunnen worden bereikt. De afstand tussen de onroerende zaken bedraagt meer dan een kilometer. De onroerende zaken zijn onderling niet via zijwegen of op andere wijze met elkaar verbonden. Tussen de onroerende zaken bevinden zich wegen en percelen met kasopstanden, woonhuizen, en andere gebouwde en ongebouwde eigendommen die in eigendom en gebruik zijn bij derden. De onroerende zaken zijn voorts elk afzonderlijk voor het productieproces van een glastuinbouwbedrijf uitgerust en operationeel. Zij beschikken over eigen kassen, kantoorruimtes, kantines en toiletvoorzieningen. De onroerende zaken kunnen afzonderlijk van elkaar worden verkocht en afzonderlijk van elkaar worden gebruikt. Het hof ziet daarvoor bevestiging in de omstandigheid dat de locatie op de [adres 10] is afgestoten.
[b.v. 9]
4.17.
Uit de overgelegde foto’s blijkt dat de twee onroerende zaken alleen over openbare wegen kunnen worden bereikt. De afstand tussen de onroerende zaken bedraagt meer dan vijf kilometer. De onroerende zaken zijn onderling niet via zijwegen of op andere wijze met elkaar verbonden. Tussen de onroerende zaken bevinden zich wegen en percelen met kasopstanden, woonhuizen, en andere gebouwde en ongebouwde eigendommen die in eigendom en gebruik zijn bij derden. De onroerende zaken zijn voorts elk afzonderlijk voor het productieproces van een tuinbouwbedrijf uitgerust en operationeel. Zij beschikken over eigen kassen, kantoorruimtes, kantines en toiletvoorzieningen. De onroerende zaken kunnen afzonderlijk van elkaar worden verkocht en afzonderlijk van elkaar worden gebruikt.
4.18.
Het hof is, op gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden in onderling verband bezien, van oordeel dat bij geen van de ondernemingen de onroerende zaken bij elkaar horen en een samenstel vormen als bedoeld in artikel 16, onderdeel d, Wet WOZ. De omstandigheid dat volgens belanghebbende sprake is van organisatorische samenhang, aangezien zaken als inkopen, verkopen en de klimaataansturing centraal worden gecoördineerd, het eindproduct op één locatie wordt opgehaald, het personeel gedurende de dag van locatie kan wisselen en de onroerende zaken centraal worden aangestuurd, maakt dit oordeel niet anders. Gelet op hetgeen in 4.13. tot en met 4.17. is overwogen, acht het hof dat in deze gevallen niet van voldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen. Het hof acht de omstandigheden dat geen sprake is van een geografische samenhang tussen de onroerende zaken, de onroerende zaken op geruime afstand van elkaar liggen, zij onafhankelijk van elkaar zijn te gebruiken en afzonderlijk kunnen worden verkocht, zwaarder wegen. Niet aannemelijk is geworden dat de onroerende zaken bij elkaar horen. Ook het betoog van belanghebbende dat de voor derden duidelijk waarneembare (uiterlijke) kenmerken erop duiden dat de onroerende zaken bij dezelfde onderneming in gebruik zijn, is niet van voldoende gewicht.
Ten aanzien van het verzoek om (immateriële) schadevergoeding
4.19.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil.
4.20.
Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. Het verzoek om een immateriële schadevergoeding is voor het eerst voor het hof gedaan. In dat geval heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in een zodanig geval er dan ook toe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn, welke overschrijding is te wijten aan het bestuursorgaan en/of de rechtbank, wordt gecompenseerd. [6]
4.21.
Het bezwaarschrift tegen de afdracht is op 11 mei 2021 door de inspecteur ontvangen. De rechtbank heeft op 18 januari 2024 uitspraak gedaan en het hof doet op 28 januari 2026 uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn van in totaal vier jaar is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden, die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond. Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg met acht maanden is overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn niet verder overschreden. Het hof stelt vast dat van compensatie wegens een voortvarende behandeling in hoger beroep geen sprake is.
4.22.
Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. De bezwaarfase heeft negen maanden geduurd en dus drie maanden te lang, de vergoeding voor de bezwaarfase bedraagt daarmee afgerond € 375 (3/8 x € 1.000). De beroepsfase heeft 23 maanden geduurd en was dus vijf maanden te lang. De vergoeding voor de beroepsfase bedraagt afgerond € 625 (5/8 x € 1.000) en moet door de minister worden vergoed. Het hof heeft daarom de minister in het geding betrokken.
Tussenconclusie
4.23.
De slotsom is dat gelet op 4.9. het hoger beroep grond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.24.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 365 respectievelijk € 559 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.25.
Het hof kent geen vergoeding van de kosten van bezwaar toe omdat belanghebbende niet heeft verzocht om vergoeding van de kosten van bezwaar voordat de inspecteur op bezwaar heeft beslist. [7]
4.26.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
4.27.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 4 (punten) [8] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 3.736.
4.28.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • bepaalt dat van de op aangifte voldane belasting € 45.844 wordt teruggegeven;
  • veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 375;
  • veroordeelt de minister tot vergoeding van de schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 625;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 924 vergoedt;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 3.736;
  • bepaalt dat, voor zover de in hoger beroep toegekende (proces)kostenvergoeding, de vergoeding van griffierecht of de vergoeding van schade niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, W.W. Monteiro en H.J. Cosijn in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Nr. 2019-98996, Stcrt. 2019, nr. 36800.
2.Vgl. Hoge Raad 11 juli 2019, ECLI:NL:2019:1039.
3.Hoge Raad 12 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX3264.
5.Hoge Raad 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AD6058.
6.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.3.
7.Artikel 7:15, lid 3, Awb.
8.1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij de rechtbank, 1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij het hof, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.