Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1353

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
24/988, 24/989 en 24/990
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:45 AwbArt. 8:75 AwbArt. 2 Wet BPMArt. 10 lid 1 Wet BPMArt. 10 lid 2 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen naheffingsaanslagen BPM voor drie gebruikte personenauto’s afgewezen

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen naheffingsaanslagen BPM opgelegd door de inspecteur voor drie gebruikte personenauto’s: twee Ford Mustangs en een Chevrolet Camaro. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en kende belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.

In hoger beroep betwistte belanghebbende onder meer de gehanteerde koerslijsten, de waardevermindering wegens schade en schadeverleden, en de toepassing van de Scandinavische rekenmethode voor de CO2-uitstoot van één auto. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de door haar gebruikte koerslijsten geschikt waren, dat de schade als normale gebruiksschade moest worden aangemerkt en dat de bewijslast voor waardevermindering wegens schadeverleden niet was voldaan.

Verder verwierp het hof het beroep op de Scandinavische rekenmethode voor de CO2-uitstoot, gelet op de geldende EU-regelgeving en jurisprudentie. Ook bevestigde het hof dat de drie zaken samenhangend zijn voor de immateriële schadevergoeding. Het verzoek van de inspecteur om op grond van artikel 8:45 Awb Pro stukken op te vragen werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de naheffingsaanslagen BPM wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/988, 24/989 en 24/990
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 juni 2024, nummers BRE 22/4042, 22/4043 en 22/4450, in het geding tussen belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft naheffingsaanslagen belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ter zake van een:
  • Ford Mustang met kenteken [kenteken 1] (zaak 24/988, hierna: auto 1);
  • Chevrolet Camaro met kenteken [kenteken 2] (zaak 24/989, hierna: auto 2); en
  • Ford Mustang met kenteken [kenteken 3] (zaak 24/990, hierna: auto 3).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met twee bijlagen toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.

2.Feiten

Auto 1
2.1.
Belanghebbende heeft op 9 oktober 2021 aangifte BPM gedaan ter zake van de registratie van een Ford Mustang V6 Coupé met VIN-nummer [nummer 1] naar een te betalen bedrag aan BPM van € 4.269. Belanghebbende heeft bij de aangifte een taxatierapport gevoegd van [bedrijf 1] B.V. van 9 oktober 2021. De taxateur heeft een koerslijst van X-Ray als uitgangspunt genomen, waarin een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van een Ford Mustang Fastback 5.0 GT van € 17.278 staat vermeld. Op deze koerslijstwaarde heeft de taxateur een bedrag van € 8.389 wegens schade in mindering gebracht. De daaruit volgende handelsinkoopwaarde van auto 1 is € 8.889. De zogeheten datum eerste toelating is 1 december 2016. In het taxatierapport is een kilometerstand opgenomen van 80.358.
2.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). De hertaxateur heeft geen koerslijst als uitgangspunt genomen, maar heeft verkoopadvertenties van auto’s van het type Ford Mustang 2.3 als uitgangspunt genomen, waarbij de taxateur de gemiddeld geadverteerde vraagprijzen heeft verminderd met een gestelde verkoopmarge van 25%. De hertaxateur heeft geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. Aldus is de handelsinkoopwaarde van auto 1 door DRZ getaxeerd op € 24.238. Naar aanleiding van de hertaxatie heeft de inspecteur op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 14.523. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 10.259. De inspecteur heeft hierbij de forfaitaire afschrijvingstabel gehanteerd.
Auto 2
2.3.
Belanghebbende heeft op 16 december 2021 aangifte BPM gedaan ter zake van de registratie van een Chevrolet Camaro SS met VIN-nummer [nummer 2] naar een te betalen bedrag aan BPM van € 4.762. Belanghebbende heeft bij de aangifte een taxatierapport gevoegd van [bedrijf 1] B.V. van 16 december 2021. De taxateur heeft een koerslijst van Autotelex Pro als uitgangspunt genomen, waarin een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van een Cadillac CTS 6.2 V8 van € 26.213 staat vermeld. Op deze koerslijstwaarde heeft de taxateur bedragen in mindering gebracht wegens schade van € 8.657, wegens de gevolgen van een eerder schadeverleden van € 2.621 en wegens een koerslijstcorrectie van € 3.932. De daaruit volgende handelsinkoopwaarde van auto 2 is € 11.002. De zogeheten datum eerste toelating is 1 juli 2015. In het taxatierapport is een kilometerstand opgenomen van 107.297.
2.4.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door DRZ. De hertaxateur heeft geen koerslijst als uitgangspunt genomen, maar heeft verkoopadvertenties van auto’s van het type Chevrolet Camaro SS als uitgangspunt genomen, waarbij de taxateur de gemiddeld geadverteerde vraagprijzen heeft verminderd met een gestelde verkoopmarge van 22%. Daarnaast is een nadere correctie van € 11.000 opgenomen, gespecificeerd als “Totaal correctie bedrag volgens Expertise DRZ”. Aldus is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van auto 2 door DRZ getaxeerd op € 28.520. Vervolgens heeft DRZ nog een bedrag van € 406 in mindering gebracht wegens schade omschreven als “onderhoudsboeken en Velg LV + RV”, hetgeen leidt tot een handelsinkoopwaarde van auto 2 van € 28.114. Naar aanleiding van de hertaxatie heeft de inspecteur op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 13.115. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 8.359. De inspecteur heeft hierbij de forfaitaire afschrijvingstabel gehanteerd.
Auto 3
2.5.
Belanghebbende heeft op 3 maart 2022 aangifte BPM gedaan ter zake van de registratie van een Ford Mustang Fastback met VIN-nummer [nummer 3] naar een te betalen bedrag aan BPM van € 3.226. Belanghebbende heeft bij haar aangifte een taxatierapport van [bedrijf 2] B.V. van 3 maart 2022 gevoegd. In dat rapport heeft de taxateur een bedrag wegens schade in aanmerking genomen van € 2.629 en een waardevermindering wegens een schadeverleden van € 8.363, hetgeen leidt tot een handelsinkoopwaarde van auto 3 van € 5.733. Daarnaast is een afgelezen kilometerstand opgenomen van 27.281. De zogeheten datum eerste toelating is 30 juni 2014.
2.6.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door DRZ. De hertaxateur heeft geen waardevermindering wegens schade of schadeverleden in aanmerking genomen. Naar aanleiding van de hertaxatie heeft de inspecteur op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde BPM moet worden vastgesteld op € 8.288. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag van € 5.062. De inspecteur heeft hierbij de forfaitaire afschrijvingstabel gehanteerd.
Bezwaar- en beroepfase
2.7.
De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen bij uitspraken op bezwaar gehandhaafd.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend van € 500, alsmede een proceskostenvergoeding en vergoeding van het griffierecht, alle te betalen door de minister.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1) Zijn de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen opgelegd? Daarbij zijn de volgende sub-vragen te onderkennen:
a) Komt belanghebbende een beroep toe op de koerslijst van X-Ray? (auto’s 1 en 2)
b) Is voldoende rekening gehouden met een waardevermindering vanwege schade (alle auto’s)
c) Dient een waardevermindering in aanmerking te worden genomen vanwege schadeverleden? (auto’s 1 en 3)
d) Komt belanghebbende bij bepaling van de bruto-BPM een beroep toe op de zogenoemde Scandinavische rekenmethode? (auto 2)
2) Heeft de rechtbank de zaken terecht als samenhangend beschouwd bij de bepaling van de hoogte van de immateriëleschadevergoeding?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
3.3.
Daarnaast heeft de inspecteur het hof verzocht om, met toepassing van artikel 8:45 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb), belanghebbende te verplichten om bepaalde documenten te overleggen.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Koerslijst X-Ray
(auto’s 1 en 2)
4.1.
Belanghebbende stelt dat, omdat auto 1 en 2 niet voorkomen in de koerslijsten, gebruik mag worden gemaakt van de taxatiemethode en dat de inkoopwaarde moet worden vastgesteld aan de hand van de koerslijstwaarde van een vergelijkbaar voertuig. Voor beide auto’s heeft belanghebbendes taxateur de inkoopwaarde vastgesteld aan de hand van de koerslijst van X-Ray, waarin voor auto 1 is gekozen voor een Ford Mustang Fastback 5.0 GT en voor auto 2 een Cadillac CTS. Dit zijn volgens de taxateur respectievelijk de meest vergelijkbare auto’s. Als gevolg hiervan dient de inkoopwaarde in onbeschadigde staat voor auto 1 te worden vastgesteld op € 17.278 en voor auto 2 op € 26.213, aldus belanghebbende.
4.2.
De inspecteur stelt dat in dit geval ten behoeve van de waardebepaling gebruik gemaakt kan worden van referentievoertuigen, zoals is gedaan bij de hertaxatie door DRZ. Voor zover er al gebruik gemaakt kan worden van koerslijsten, stelt de inspecteur dat de koerslijst van X-Ray in dit geval onbruikbaar is, omdat er geen (Nederlandse) handelstransacties hebben plaatsgevonden die zijn meegenomen in deze koerslijst en omdat de uit de koerslijst gekozen auto’s op relevante punten niet vergelijkbaar zijn met onderhavige auto’s.
4.3.
Het hof stelt voorop dat de verschuldigde BPM met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt berekend met inachtneming van een vermindering. [1] Deze vermindering is de afschrijving, uitgedrukt in procenten van de som van de catalogusprijs en de BPM op het tijdstip waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. [2] De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van die vermindering rusten op de belastingplichtige. [3] De vermindering heeft tot doel om bij de heffing van BPM ter zake van gebruikte personenauto’s rekening te houden met een (bij benadering) reële waardedaling van het desbetreffende voertuig. [4]
4.4.
De wet- en regelgever heeft voorzien in drie methoden waaruit - met inachtneming van bepaalde voorwaarden - kan worden gekozen om die reële waardedaling aannemelijk te maken, namelijk door een verwijzing naar een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland, onder overlegging van een kopie van de passage uit die koerslijst waaraan de toegepaste afschrijving is ontleend, ofwel door een verklaring van een onafhankelijke, erkende taxateur dat de in het taxatierapport opgegeven waarde door hem naar waarheid is vastgesteld aan de hand van een gedegen fysieke opname van het motorrijtuig, onder vermelding van datum, begin- en eindtijd van deze fysieke opname en naam, adres en woonplaats van degene die de taxatie feitelijk heeft verricht. Indien de belastingplichtige geen gebruik maakt van één van de hiervoor bedoelde opgaven, wordt de afschrijving bepaald aan de hand van de in artikel 8, lid 5, Uitvoeringsregeling BPM voorziene afschrijvingstabel. Hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen brengt mee dat de belastingplichtige die kiest voor één van die methodes, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, de feiten aannemelijk dient te maken die meebrengen (a) dat die methode in zijn geval mag worden toegepast en (b) dat toepassing van die methode leidt tot de door hem verdedigde waardedaling. [5]
4.5.
Het hof is van oordeel dat de voertuigen uit de door belanghebbende aangeleverde koerslijst - gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur - onvoldoende vergelijkbaar zijn met auto 1 respectievelijk auto 2. Voor auto 1 neemt het hof daarbij in aanmerking dat de cilinderinhoud van de motor van deze auto aanzienlijk verschilt van de cilinderinhoud van de referentieauto. Voor auto 2 neemt het hof in aanmerking dat deze auto voor wat betreft de uiterlijke verschijningsvorm wezenlijk verschilt van de Cadillac CTS, welke als referentieauto is gebruikt. Daarmee heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de door haar voorgestelde koerslijst de meest geschikte basis vormt voor de taxatie van de auto’s. Aldus heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat voor auto 1 € 17.278 bedraagt en voor auto 2 € 26.213.
Waardevermindering wegens schade (alle auto’s)
4.6.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslagen voor alle auto’s tot een te hoog bedrag zijn opgelegd, omdat onvoldoende rekening is gehouden met de door belanghebbende gestelde waardevermindering in verband met de schade van de auto’s. In dat kader heeft belanghebbende verwezen naar taxatierapporten die zijn opgesteld door de taxateur van belanghebbende en naar foto’s van de gestelde schade. De inspecteur weerspreekt dit en verwijst daartoe naar de respectievelijke hertaxaties van DRZ.
4.7.
De bewijslast voor een waardevermindering als gevolg van schade rust op belanghebbende. Daarbij heeft te gelden dat normale gebruiksschade niet in mindering kan worden gebracht op de handelsinkoopwaarde van de auto. Op grond van artikel 2, aanhef en letter c, Wet BPM dient onder normale gebruiksschade te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
4.8.
Het hof is van oordeel dat de gepresenteerde schade is aan te merken als normale gebruiksschade, mede in acht genomen de leeftijd van de auto’s (auto 1 is zo’n vijf jaar oud, auto 2 zo’n 6,5 jaar en auto 3 ruim 7,5 jaar) en het aantal gereden kilometers (ruim 80.000 kilometer voor auto 1, ruim 107.000 kilometer voor auto 2 en ruim 27.000 kilometer voor auto 3). Belanghebbende heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
Waardevermindering wegens schadeverleden (auto’s 1 en 3)
4.9.
Belanghebbende stelt dat ter bepaling van de handelsinkoopwaarde van auto’s 1 en 3 een waardevermindering toegepast dient te worden als gevolg van het schadeverleden van beide auto’s. Deze waardevermindering bedraagt voor auto 1 € 4.000 en voor auto 3 € 8.363, aldus belanghebbende.
4.10.
Het hof stelt voorop dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. In dit geval dient belanghebbende aannemelijk te maken dat en in welke mate rekening dient te worden gehouden met waardeverminderingen vanwege het schadeverleden van de auto’s.
4.11.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat auto’s 1 en 3 ten tijde van het doen van de aangifte BPM door het schadeverleden een lagere handelsinkoopwaarde hadden dan door de inspecteur is gehanteerd. De enkele verwijzing naar een zoekresultaat via Google en een uitdraai van het zogeheten systeem [systeem] (beide voor auto’s 1 en 3), respectievelijk een eenregelige opmerking van de taxateur van belanghebbende in het taxatierapport en een overlegde e-mail van de taxateur waarin geen onderbouwing wordt gegeven van het voorgestane bedrag van € 8.363 (beide alleen voor auto 3) zijn daarvoor, gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, onvoldoende. Het hof overweegt daarbij dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het eerdere herstel van de schade nog sporen heeft achtergelaten die de waarde blijvend drukken (zoals bijvoorbeeld laswerk aan het chassis). Evenmin is bekend of bij het herstel onderdelen zijn gebruikt die van een afwijkende kwaliteit zijn (zowel niet in positieve als in negatieve zin). Belanghebbende voldoet daarom niet aan de op haar rustende bewijslast.
Bepaling bruto-BPM – Scandinavische rekenmethode (auto 2)
4.12.
Belanghebbende stelt dat de CO2-uitstoot van auto 2 bepaald dient te worden aan de hand van de zogeheten Scandinavische rekenmethode, de inspecteur bestrijdt dit. De inspecteur heeft, met toepassing van de CO2-uitstoot die in het kentekenregister geregistreerd staat, de uitstoot bepaald op 313 gr/km. Belanghebbende stelt dat de uitstoot, met toepassing van de Scandinavische rekenmethode, vastgesteld moet worden op 294 gr/km, omdat de auto geen typegoedkeuring heeft.
4.13.
De Hoge Raad heeft in een arrest van 3 april 2020 [6] geoordeeld dat wanneer een in het buitenland bevoegde instantie (in dat geval de in Duitsland bevoegde TÜV) de auto heeft gekeurd en op basis daarvan de CO2-uitstoot van de auto heeft bepaald, aangenomen moet worden dat het gaat om een goedkeuring als bedoeld in artikel 6a, lid 2, letter d, Uitvoeringsregeling BPM. Het hof sluit niet uit dat er omstandigheden kunnen zijn als gevolg waarvan moet worden geconcludeerd dat ondanks die vermelding, de vaststelling van de CO2-uitstoot op onjuiste wijze door de in het buitenland bevoegde instantie heeft plaatsgevonden. De bewijslast daarvan rust op degene die dit stelt. [7]
4.14.
Het hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat de CO2-uitstoot van auto’s die afkomstig zijn van buiten de Europese Unie per definitie volgens de Scandinavische methode moet worden vastgesteld. In Verordening 2018/858 [8] , en dan specifiek artikel 44 van Pro deze verordening zijn de regels omtrent de individuele EU-goedkeuring van voertuigen neergelegd. In onderdeel 4 (geheten: “Technische voorschriften”) van Aanhangsel 2, behorende bij deze verordening, worden regels gesteld omtrent testen die gaan over CO2-emissies en brandstofverbruik. Hierin is bepaald dat de CO2-emissie wordt bepaald met behulp van een test uitgevoerd volgens bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008. Die test wordt niet uitgevoerd als kan worden aangetoond dat het voertuig voldoet aan een van de in bijlage I, punt 2, bij die Verordening genoemde California Code Regulations. In dat geval berekenen de lidstaten de CO2-emissie met behulp van de formules in de punten (b) en (c) van de toelichting, die bekend staan als de Scandinavische methode.
4.15.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto voldoet aan de California Code Regulations. Belanghebbende heeft in dit kader nog verwezen naar een sticker van de fabrikant General Motors aan de binnenkant van de linker-voordeur van de auto. Op deze sticker lijkt echter, voor zover de sticker al leesbaar is op de foto, een Arabische tekst te staan, wat eerder een contra-indicatie oplevert dat de auto voldoet aan de California Code Regulations dan dat het dit standpunt onderbouwt. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de CO2-uitstoot door de in Duitsland bevoegde instantie is vastgesteld aan de hand van een test uitgevoerd volgens bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008. Het beroep van belanghebbende op artikel 110 VWEU Pro wordt door het hof verworpen, aangezien er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat Verordening 2018/858 in strijd is met primair EU-recht. Ook van een andere schending van het EU-recht is het hof niet gebleken.
4.16.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voor auto 2 uitgegaan moet worden van een CO2-uitstoot van 313 gr/km en dat de bruto-BPM op het juiste bedrag is vastgesteld.
Immateriëleschadevergoeding – samenhangende zaken
4.17.
In gevallen waarin meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd. In dit verband verdient opmerking dat voor het antwoord op de vraag of de redelijke termijn is overschreden, de bezwaarfase en de beroepsfase tezamen als één fase hebben te gelden. Ook indien zaken die zien op voorwerpen van geschil die met elkaar samenhangen en die in de bezwaarfase niet, maar in de beroepsfase wel gezamenlijk zijn behandeld en beslist, bedraagt de vergoeding van immateriële schade eenmaal € 500 per half jaar. [9] Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. [10]
4.18.
Belanghebbende stelt dat in het kader van de toekenning van een immateriëleschadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn geen sprake is van samenhangende zaken. Zij verwijst daarbij, kort gezegd, naar de verschillen in specifieke kenmerken van de auto’s, zowel met betrekking tot uiterlijke en wezenskenmerken, zoals individuele schade, als met betrekking tot enkele formele punten, zoals datum eerste toelating en registratiedatum.
4.19.
De rechtbank heeft in haar uitspraak geoordeeld:
“De rechtbank merkt de onderhavige bezwaren en beroepen voor wat betreft de immateriëleschadevergoeding en de proceskostenvergoeding aan als samenhangende zaken waarin éénmaal spanning en frustratie is ondervonden. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de zaken in de beroepsfase gezamenlijk zijn behandeld op de zitting van 25 april 2024. Daarnaast hebben de zaken in hoofdzaak betrekking op dezelfde onderwerpen. Het gaat om procedures inzake naheffingsaanslagen Bpm, waarin telkens nagenoeg dezelfde geschilpunten ter discussie staan. Dat in sommige zaken specifieke beroepsgronden zijn aangevoerd, doet niet af aan het samenhangende karakter van de zaken.”
4.20.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. In aanvulling daarop overweegt het hof dat de door belanghebbende aangedragen verschillen weliswaar aanwezig zijn, maar dat deze verschillen niet zonder meer maken dat onderhavige drie zaken in hoofdzaak geen betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. De grief van belanghebbende faalt.
Artikel 8:45 Awb Pro
4.21.
Aangezien het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, ziet het hof geen reden om op grond van artikel 8:45 Awb Pro stukken op te vragen bij belanghebbende.
Tussenconclusie
4.22.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.23.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.24.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers W.W. Monteiro
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 10, lid 1, Wet BPM.
2.Artikel 10, lid 2, Wet BPM.
3.Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3.
4.Hoge Raad 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:323, r.o. 3.1.2.
5.Hoge Raad 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.4.
6.Hoge raad 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:561.
7.Verg. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:602.
8.Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG.
9.HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154, r.o. 2.4.3.
10.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2.