Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1347

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
22/1150
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2 Wet inkomstenbelasting 2001Art. 2 lid 5 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ongegrond: geen bron van inkomen en geen schending gelijkheidsbeginsel bij navorderingsaanslag 2017

Belanghebbende voerde aan dat hij in 2017 een bron van inkomen had via een eenmanszaak in natuurgenezing, met investeringen in een webshop die door onvoorziene omstandigheden verlies leidde. Hij stelde dat meer tijd tot verbetering had kunnen leiden.

De inspecteur betwistte dit en stelde dat de structureel negatieve resultaten sinds 2012 geen objectieve voordeelsverwachting rechtvaardigen. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan de bewijslast om aannemelijk te maken dat zijn activiteiten in 2017 een bron van inkomen vormden, mede door het ontbreken van een ondernemingsplan en het optreden van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

Daarnaast faalde het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat belanghebbende geen feitelijk en rechtens gelijke gevallen aannemelijk maakte, en de genoemde grote bedrijven onder een ander fiscaal regime vallen. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd omdat geen bron van inkomen is vastgesteld en het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 22/1150
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 april 2022, nummer BRE 21/259, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2017 opgelegd (hierna: de navorderingsaanslag). Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (hierna: de rentebeschikking).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende (digitaal) en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is geboren op [datum] 1946. In 2017 verricht belanghebbende werkzaamheden in loondienst en ontvangt hij inkomsten uit vroegere arbeid.
2.2.
Daarnaast verricht belanghebbende, in de vorm van een eenmanszaak, activiteiten in natuurgenezing. De activiteiten van belanghebbende in dit kader bestaan uit het verkopen van vitamines en voedingssupplementen en het geven van advies hierover.
2.3.
Sinds 2012 heeft belanghebbende, volgens de door hem ingediende aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de volgende omzetten, kosten en nettoresultaten per jaar behaald:
Jaar
Omzet (€)
Kosten (€)
Nettoresultaat (€)
2012
6.25
11.785
-/- 5.535
2013
6.667
11.777
-/- 5.110
2014
6.298
13.783
-/- 7.485
2015
7.363
11.505
-/- 4.142
2016
5.476
9.05
-/- 3.574
2017
6.282
9.905
-/- 3.623
2018
4.938
6.96
-/- 2.022
2019
4.468
7.051
-/- 2.583
Begin 2020 is de eenmanszaak uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.
2.4.
Belanghebbende heeft over het jaar 2017 een aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.919. Hij heeft daarbij een verlies van € 3.116 als belastbare winst uit onderneming opgevoerd. De inspecteur heeft dit verlies niet geaccepteerd en het belastbaar inkomen uit werk en woning in de aanslag IB/PVV 2017 vastgesteld op € 38.035. Bij uitspraak op bezwaar van 6 mei 2020 heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd.
2.5.
De inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2017 met dagtekening van 7 mei 2020 verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.961.
2.6.
Met dagtekening van 3 juni 2020 heeft de inspecteur de navorderingsaanslag opgelegd en de in 2.5 bedoelde vermindering teruggedraaid. Tevens is de rentebeschikking van € 153 gegeven. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
I. Is de navorderingsaanslag tot een te hoog bedrag opgelegd? Meer specifiek is in geschil de vraag of de activiteiten van belanghebbende een bron van inkomen vormen.
II. Heeft de inspecteur in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Bron van inkomen
4.1.
Belanghebbende stelt dat sprake is van een bron van inkomen. Hij voert aan dat hij in 2017, vanwege eerdere verliesjaren, heeft geïnvesteerd in een nieuw softwarepakket. Dit pakket diende onder meer voor een webshop, emailbeheer en het vergroten van zijn online zichtbaarheid. Deze extra kosten hebben in dat jaar geleid tot een verlies. Daarnaast heeft hij privéomstandigheden ervaren, waaronder gezondheidsproblemen en financiële en juridische problemen van zijn schoonmoeder en haar partner, die hebben geleid tot een burnout. Hierdoor kon hij het softwarepakket niet volledig benutten en heeft hij geen nieuwe klanten of omzet kunnen genereren. Deze neerwaartse spiraal zette zich ook in de daaropvolgende jaren voort. Belanghebbende stelt dat als de inspecteur hem meer tijd had gegeven, de situatie waarschijnlijk zou zijn verbeterd en hij winst had kunnen maken.
4.2.
De inspecteur betwist dat sprake is van een bron van inkomen. Volgens hem is er geen objectieve voordeelsverwachting, gezien de structureel negatieve nettoresultaten van belanghebbende over de jaren 2012 tot en met 2019. Omdat belanghebbende een onderneming uitoefent die structureel verliesgevend is, heeft hij volgens de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat er toch een redelijke verwachting bestaat dat hij winst zal gaan maken. Hoewel belanghebbende verklaart dat de verliezen het gevolg zijn van privéomstandigheden, heeft hij niet duidelijk gemaakt hoe de onderneming in de toekomst, vrij van bijvoorbeeld ziekte, wel winstgevend zou kunnen zijn.
4.3.
Bij de beoordeling of er sprake is van een bron van inkomen moet op basis van de feiten en omstandigheden worden vastgesteld of een activiteit de kenmerken van een bron van inkomen heeft. Uit vaste rechtspraak volgt dat aan de volgende drie voorwaarden moet worden voldaan om te spreken van een bron van inkomen: [1]
  • de belastingplichtige neemt deel aan het economische verkeer;
  • met die deelname beoogt hij geldelijk voordeel te behalen (het subjectieve element); en
  • dat voordeel kan naar maatschappelijke opvattingen ook redelijkerwijs worden verwacht (het objectieve element).
De vraag of aan deze eisen is voldaan, moet in beginsel worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van het verrichten van de werkzaamheden. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen op die situatie licht werpen en mogen daarom worden betrokken bij de beoordeling. [2]
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in 2017 met zijn werkzaamheden deelnam aan het economische verkeer en daarmee tevens (subjectief) geldelijk voordeel beoogde te behalen. De vraag is of naar maatschappelijke opvattingen ook redelijkerwijs (objectief) voordeel kan worden verwacht. Anders gezegd: is te voorzien dat de activiteiten blijvend verliesgevend of – in de toekomst – winstgevend zullen zijn? Als iemand blijvende verliezen heeft en de winst niet te verwachten is, dan is geen sprake van een bron van inkomen.
4.5.
Gezien de negatieve resultaten brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden moet stellen en, bij betwisting, aannemelijk moet maken die de conclusie rechtvaardigen dat met betrekking tot de werkzaamheden in 2017 sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. Naar het oordeel van het hof is belanghebbende niet in deze bewijslast geslaagd. De cijfers laten zien dat hij sinds 2012 structureel verlies heeft geleden. Belanghebbende heeft geen of onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld waaruit objectief de verwachting kan worden afgeleid dat zijn activiteiten in 2017, in weerwil van de negatieve resultaten in voorgaande jaren, in de toekomst tot positieve opbrengsten zullen leiden. Met de aanschaf van het softwarepakket heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij in 2017 activiteiten heeft ontplooid waarmee hij in dat jaar en daarna redelijkerwijs positieve resultaten kon verwachten. Zo ontbreekt een ondernemingsplan of marktonderzoek dat inzicht geeft in het verdienmodel van de webshop. Anders gezegd: belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat met de activiteiten in de toekomst winst te verwachten is. Het enkele feit dat hij een webshop heeft gestart, is daarvoor onvoldoende. Bovendien heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat na de start van zijn webshop de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit tegen hem is opgetreden vanwege het gebruik van niettoegestane gezondheidsclaims, waardoor hij de website opnieuw heeft moeten inrichten. Het feit dat hij zich vooraf niet heeft geïnformeerd over het gebruik van deze claims, zoals hij ook heeft verklaard, wijst op een onvoldoende uitgewerkt plan voor de webshop.
4.6.
De persoonlijke omstandigheden in dat jaar maken dit niet anders. Belanghebbende heeft niet duidelijk gemaakt hoe de onderneming in de toekomst, vrij van bijvoorbeeld ziekte, winstgevend kan zijn. Zijn stelling dat meer tijd van de inspecteur de situatie zou verbeteren en winst zou opleveren, is niet gebaseerd op concrete feiten of omstandigheden. Integendeel, de cijfers van de jaren daarna laten zien dat dit niet het geval was. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat geen sprake is van een bron van inkomen.
4.7.
Voor zover belanghebbende zich beroept op betalingsproblemen, wijst het hof hem erop dat hij voor een verzoek om een betalingsregeling zich kan wenden tot de ontvanger van de Belastingdienst.
Gelijkheidsbeginsel
4.8.
Belanghebbende stelt dat het gelijkheidsbeginsel in zijn situatie is geschonden. Hij voert aan dat grote bedrijven verliezen kunnen verrekenen en verlieslijdende ondernemingen kunnen overnemen om hun fiscale winst te verlagen, terwijl hem deze mogelijkheden wordt onthouden. Volgens belanghebbende heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van rechtens en feitelijk gelijke gevallen. Hij betoogt dat belastingplichtige ondernemingen vergelijkbaar zijn, ongeacht of dat via de vennootschapsbelasting of de inkomstenbelasting plaatsvindt, en ongeacht of het om een rechtspersoon of een natuurlijk persoon gaat. Daarbij stelt hij dat hij zijn onderneming had kunnen onderbrengen in een rechtspersoon in plaats van als eenmanszaak, waarmee hij dezelfde fiscale mogelijkheden zou hebben gehad.
4.9.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel is vereist dat er sprake is van rechtens en feitelijk gelijke gevallen. Belanghebbende heeft niet inzichtelijk gemaakt of en zo ja, in welke mate belastingplichtigen als de door hem genoemde Hema, Shell en Uber, rechtens en feitelijk in gelijke omstandigheden verkeren als hijzelf. Zijn niet nader onderbouwde stellingen over deze grote bedrijven zijn daartoe onvoldoende. Het hof wijst er voorts op dat de door belanghebbende genoemde bedrijven rechtspersonen zijn, die op grond van artikel 2, lid 5, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 worden geacht een onderneming te drijven en – anders dan belanghebbende – niet vallen onder het toepassingsbereik van artikel 3.2 Wet inkomstenbelasting 2001. Daarnaast overweegt het hof dat ook ondernemingen die onder de inkomstenbelasting vallen onder bepaalde voorwaarden verliezen kunnen verrekenen. In dit geval is echter vastgesteld dat belanghebbende in 2017 geen bron van inkomen had die als onderneming kan worden aangemerkt voor de inkomstenbelasting, zodat een grondslag voor verliesverrekening ontbreekt. Voor de jaren vóór 2017 zijn de verliezen overigens wel geaccepteerd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van rechtens en feitelijk gelijke gevallen, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.
Tussenconclusie
4.10.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.11.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.12.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene Pro wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J. Rietveld, in tegenwoordigheid van S.M.R. Moberts, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
S.M.R. Moberts J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390.
2.HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707.