Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, werkzaam in loondienst en met inkomsten uit vroegere arbeid, verrichtte daarnaast natuurgeneeskundige activiteiten via een eenmanszaak die verlieslijdend was van 2012 tot 2018. De inspecteur accepteerde het verlies van €3.116 in de aangifte inkomstenbelasting 2017 niet en legde een navorderingsaanslag op.
De rechtbank stelde vast dat de kern van het geschil lag bij de vraag of belanghebbendes activiteiten een bron van inkomen vormden, waarbij vooral de redelijke verwachting van voordeel ter discussie stond. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende, ondanks zijn verlies, niet aannemelijk had gemaakt dat hij redelijkerwijs voordeel kon verwachten, mede omdat hij geen objectief bewijs leverde.
Belanghebbende voerde ook een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan, stellende dat grote bedrijven verliezen mochten verrekenen terwijl kleine ondernemers dat niet konden. De rechtbank verwierp dit omdat de situaties niet vergelijkbaar zijn, gezien het verschil tussen de Wet op de vennootschapsbelasting en de Wet inkomstenbelasting.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter S.A.J. Bastiaansen op 20 april 2022.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag blijft gehandhaafd.