Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1241

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/203
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:228 BWArt. 53 lid 1 Successiewet 1956Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslag schenkbelasting ondanks onjuiste tenaamstelling en afwijzing beroep op dwaling

De inspecteur legde meerdere aanslagen schenkbelasting op met onjuiste tenaamstelling, waarna uiteindelijk een correcte aanslag werd opgelegd aan de juiste belastingplichtige. Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld en dat de aanslag vernietigd moest worden. Het hof oordeelde dat sprake was van een systeemfout en dat de inspecteur steeds pogingen had gedaan om de tenaamstelling te corrigeren, waardoor geen ernstige onzorgvuldigheid was vastgesteld.

Daarnaast stelde belanghebbende subsidiair dat de schenking was gedaan onder dwaling over fiscale gevolgen, onderbouwd met een akte van rectificatie. Het hof verwierp dit beroep op dwaling omdat de betrokken partijen niet meer in leven waren en onvoldoende bewijs was geleverd dat zij zich tijdens leven op dwaling hadden beroepen. Ook werd overwogen dat vernietiging van de schenkingsovereenkomst niet automatisch leidt tot vernietiging van de aanslag schenkbelasting.

Ten aanzien van de redelijke termijn stelde het hof vast dat de termijn in bezwaar en beroep niet was overschreden, maar dat in hoger beroep een lichte overschrijding van circa drie maanden was opgetreden. Daarom kende het hof een immateriële schadevergoeding van € 500 toe aan belanghebbende, te betalen door de Staat. De proceskosten in hoger beroep werden vastgesteld op € 467. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep van belanghebbende af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de aanslag schenkbelasting en wijst het beroep op dwaling af, met een beperkte immateriële schadevergoeding aan belanghebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/203
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] (in hoedanigheid van enig erfgenaam van [erflater] ), te [woonplaats] ,
hierna belanghebbende
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (de rechtbank) van 24 januari 2024, nummer BRE 22/3585 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft op 1 maart 2022 een aanslag schenkbelasting opgelegd ten name van [erflater] naar een belastbare schenking van € 319.572.
1.2.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaart beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 49 geheven. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 17 maart 2026 een pleitnota ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026 in ‘s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen de gemachtigde [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 2] , [inspecteur 1] en [inspecteur 3] .
1.6.
Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende met nummer 24/202 betreffende een verzoek om kostenvergoeding in verband met de hem opgelegde aanslag schenkbelasting van 22 juli 2021. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd wordt geacht te zijn aangevoerd in de andere zaak, tenzij hetgeen is aangevoerd uitsluitend op die ene zaak betrekking heeft.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is één proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
De vader van [erflater] (hierna: [zoon] ) is op 19 juli 2018 overleden en heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Het testament bevat een ouderlijke boedelverdeling ten behoeve van zijn echtgenote [moeder] (hierna: [moeder] ). De nalatenschap bedraagt € 255.596. Het erfdeel van [zoon] is vastgesteld op € 127.798, verhoogd met wettelijke rente vanaf 19 juli 2018.
2.2.
Op 9 april 2019 heeft [moeder] aan [zoon] een appartement geschonken (hierna: de schenking). Ter zake van de schenking is aangifte schenkbelasting gedaan. Het appartement werd op het moment van de schenking bewoond door de zoon en zijn partner, belanghebbende. De WOZ-waarde van het appartement bedroeg € 325.000. [moeder] is op 17 december 2019 overleden en [zoon] op 10 augustus 2020. Belanghebbende is de enige erfgenaam van zijn partner.
2.3.1.
De inspecteur heeft ter zake van de schenking op 9 april 2020 een voorlopige aanslag schenkbelasting opgelegd ten name van “ [naam 1] ” (hierna: de voorlopige aanslag).
2.3.2.
Belanghebbende heeft op 6 januari 2021 bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag. Zijn gemachtigde heeft per emailbericht van 1 april 2021 de inspecteur erop gewezen dat de tenaamstelling van de voorlopige aanslag onjuist is. De gemachtigde heeft tevens verzocht om verrekening van het bedrag van de aanslag met de vordering die [zoon] op moeder had vanwege de onderbedeling uit de nalatenschap van vader. Verder heeft op 19 mei 2021 een gesprek plaatsgevonden tussen de gemachtigde en de inspecteur, dat is aangemerkt als hoorgesprek en waarvan de inspecteur een verslag heeft opgemaakt.
2.3.3.
Bij uitspraak op bezwaar van 14 juli 2021 heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en heeft hij het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.
2.4.
Belanghebbende heeft bij akte van rectificatie, opgemaakt op 17 augustus 2021, het volgende verklaard:

Verklaart:
(…)
De heer [naam 2] beroept zich als erfgenaam onder algemene titel namens de schenkster en begiftigde op rechtsdwaling als bedoeld in artikel 6:228, lid 1, aanhef en letter c Burgerlijk Wetboek. Partijen hadden op het moment van het sluiten van de overeenkomst een onjuiste voorstelling van de fiscale gevolgen, meer in het bijzonder dat het niet verrekenen van het vaderlijk erfdeel, tot een behoorlijk fiscaal nadeel leidt. Deze gevolgen hebben zij bij het sluiten van de overeenkomst niet onderkend en gewild.
Rectificatie van de akte:
De schenkster en begiftigde hebben gedwaald met betrekking tot de fiscale gevolgen van de schenking en om deze reden wordt bij deze de akte van schenking van 9 april 2019 gerectificeerd.
Het vaderlijk erfdeel van de begiftigde wordt per 9 april 2019 verrekend met de schenking van het appartementsrecht.
Het vaderlijk erfdeel is € 128.730 (€ 127.798, verhoogd met de wettelijke rente van 19 juli 2018 tot 9 april 2019 van € 932 (266/365 x 2%)).
Tot het bedrag van € 128.730 is geen sprake van een schenking, dit betreft een verrekening van het vaderlijk erfdeel van de begiftigde.
Deze rectificatie heeft een terugwerkende kracht naar 9 april 2019.”
2.5.1.
Vervolgens heeft de inspecteur op 22 juli 2021 per abuis op naam van “Erven [naam 1] ” een definitieve aanslag schenkbelasting opgelegd (hierna: de definitieve aanslag).
2.5.2.
Belanghebbende heeft namens “Erven [naam 1] ” tegen de definitieve aanslag bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar op 8 december 2021 wegens de onjuiste tenaamstelling gegrond verklaard en de definitieve aanslag vernietigd. Daarbij heeft hij aan belanghebbende een kostenvergoeding van € 265 toegekend (één punt voor de proceshandeling “indienen van het bezwaar” x factor 1 voor het gewicht van de zaak, volgens tarief 2021).
Belanghebbende heeft tegen de kostenvergoeding beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het verzoek om hogere kostenvergoeding afgewezen en het verzoek om vergoeding van wettelijke rente toegewezen. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld, bij het hof geregistreerd onder het nummer 24/202.
2.6.
De inspecteur heeft op 7 februari 2022 nogmaals een definitieve aanslag schenkbelasting voor de schenking opgelegd, met wederom een onjuiste tenaamstelling. De inspecteur heeft vóór dagtekening van deze aanslag aan belanghebbende bericht dat die aanslag wegens de onjuiste tenaamstelling wordt vernietigd.
2.7.
Daarna heeft de inspecteur op 1 maart 2022 bij een zogenoemde penaanslag een definitieve aanslag schenkbelasting opgelegd aan [zoon] . Hierin is vermeld dat de schenking is gedaan door [meisjesnaam] ( [moeder] ). De voor de schenking verschuldigde schenkbelasting is door de inspecteur, conform de ingediende aangifte, berekend over een schenking van € 325.000, verminderd met de reguliere kindvrijstelling van € 5.428 (jaar 2019). Over de belastbare schenking van € 319.572 heeft de inspecteur € 51.441 aan schenkbelasting berekend. Vervolgens is het bedrag aan schenkbelasting verminderd met de over de schenking geheven overdrachtsbelasting (€ 6.392), waardoor het te betalen bedrag aan schenkbelasting € 45.049 bedraagt.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de in 2.7 vermelde aanslag ten onrechte is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de aanslag moet worden vernietigd vanwege een onjuiste tenaamstelling of wegens handelen van de inspecteur in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de aanslagregelende fase waarbij meerdere malen een aanslag is opgelegd met een onjuiste tenaamstelling en subsidiair of verrekening kan plaatsvinden met het vaderlijk erfdeel, waarbij belanghebbende een beroep doet op dwaling van de bij de schenking betrokken partijen. Belanghebbende beantwoordt de vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag en subsidiair tot vermindering van de aanslag na verrekening van het vaderlijk erfdeel tot een belastbare verkrijging van € 190.842 alsmede tot het toekennen van een forfaitaire proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand volgens de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.3.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Tenaamstelling
4.1.
Tussen partijen staat vast dat de aanslagen van 9 april 2020, 22 juli 2021 en 7 februari 2022 voorzien waren van een onjuiste tenaamstelling. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat dit ook het geval is met de onderhavige aanslag van 1 maart 2022. Het hof volgt belanghebbende niet in die stelling. De aanslag is onmiskenbaar te naam gesteld van de begiftigde en op de geleidebrief is de naam van de schenkster vermeld. De omstandigheid dat schenkster en begiftigde niet meer in leven zijn en dat daarom de aanslag aan het adres van belanghebbende is gericht maakt de aanslag niet ongeldig omdat er geen misverstand over kon bestaan wie de begiftigde en daarmee de belastingplichtige was voor de heffing van schenkbelasting. Dat was niet belanghebbende aangezien het appartement niet aan hem is geschonken. Slechts het geschonkene en de daarop betrekking hebbende aanslag vererven, maar niet het belastbaar feit zelf, dat is de schenking die is gedaan. Dat betekent dat er maar één aanslag aan [zoon] is opgelegd ter zake van de schenking en dat de inspecteur zijn heffingsbevoegdheid daarom niet heeft uitgeput voor hij deze aanslag oplegde (vgl. HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:345).
Onzorgvuldig handelen door de inspecteur?
4.2.
Het betoog van belanghebbende komt erop neer dat de inspecteur bijzonder onzorgvuldig heeft gehandeld door eerst drie aanslagen met foute tenaamstelling op te leggen terwijl de gemachtigde van belanghebbende in bezwaar tegen de voorlopige aanslag de inspecteur reeds heeft gewezen op de fout en met name deze omstandigheid moet leiden tot vernietiging van de onderhavige aanslag.
Beoordeling
4.3.
Het Hof overweegt als volgt. Hoewel de onjuiste tenaamstelling mogelijk had kunnen worden voorkomen bij onderzoek door de inspecteur in de fase van het bezwaar tegen de voorlopige aanslag, is dit niet met zekerheid vast te stellen, aangezien het hof aannemelijk acht dat sprake was van een systeemfout. Naar het oordeel van het hof, kan verder niet worden gesproken van ernstige onzorgvuldigheid omdat de inspecteur toen hij in de bezwaarfase tegen de definitieve aanslag van 22 juli 2021 eenmaal onderkend had dat de tenaamstelling van die aanslag foutief was, steeds pogingen in het werk heeft gesteld om te komen tot een juiste tenaamstelling terwijl hij steeds werd geconfronteerd met dezelfde systeemfout, waarna hij een penaanslag met de juiste tenaamstelling heeft opgelegd. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat hier sprake is van een situatie waarin is gehandeld op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht dat de inspecteur alsnog een aanslag met een juiste tenaamstelling mocht opleggen binnen de termijn die de wetgever hiervoor heeft gesteld. Het hof verwerpt het primaire standpunt van belanghebbende..
Dwaling?
4.4.
Subsidiair stelt belanghebbende dat [moeder] en [zoon] ten tijde van de schenking en het doen van de aangifte daarvan hebben gedwaald over de fiscale gevolgen door in die aangifte geen rekening te houden met de vordering uit onderbedeling die de zoon op de moeder had ter zake van de nalatenschap van vader. Hadden zij hier wel rekening mee gehouden, dan was de waarde van de schenking lager geweest alsmede de verschuldigde schenkbelasting. Belanghebbende heeft daarom op 17 augustus 2021 een akte van rectificatie van de schenking opgemaakt als rechtsopvolger van [zoon] en zijn moeder (zie onderdeel 2.4 van de feiten).
4.5.
De rechtbank heeft geoordeeld dat moeder en [zoon] zich kennelijk bewust zijn geweest van de hoogte van de verschuldigde schenkbelasting, nu zij hier zelf aangifte van hebben gedaan en dat daarom niet kan worden gezegd dat de partijen bij de schenking hebben gedwaald over de fiscale gevolgen ervan. Het feit dat er mogelijk een fiscaal voordeligere weg was om de schenking vorm te geven, is niet voldoende voor een beroep op dwaling.
4.6.
Het hof stelt voorop dat de partijen bij de schenking, [moeder] en haar zoon, niet meer in leven zijn en dus niet kunnen verklaren over de schenking en zelf geen beroep meer kunnen doen op dwaling. De akte van rectificatie is opgemaakt toen zij niet meer leefden. Verder komt uit het dossier niet naar voren dat zij tijdens leven de schenking niet hebben gewild en ook niet dat zij de schenkingsovereenkomst ontbonden wilden zien.
4.7.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:1, geoordeeld dat vernietiging van een schenkingsovereenkomst wegens (wederzijdse) dwaling niet tot gevolg heeft dat de schenking zelf teniet is gedaan. Vernietiging van de schenking betekent dus niet dat de aanslag schenkbelasting automatisch ook zou moeten worden vernietigd. Wel kan de uitoefening van het terugvorderingsrecht dat door de vernietiging is ontstaan, reden zijn om de aanslag te verminderen op grond van artikel 53, lid 1, Successiewet 1956 (hierna: SW). Vernietiging van een schenkingsovereenkomst wegens wederzijdse dwaling als bedoeld in artikel 6:228, lid 1, aanhef en letter c, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), leidt tot vermindering van de aanslag in de schenkbelasting op grond van artikel 53, lid 1, SW, tenzij de bij de schenkingsovereenkomst en het beroep op vernietiging betrokken partijen het beroep op vernietiging slechts hebben voorgewend. Naast deze maatstaf is voor toepassing van artikel 6:228, lid 2, BW geen plaats.
4.8.
Het Hof overweegt dat het aan degene die zich op de vernietiging beroept is om voldoende aanknopingspunten voor de gestelde dwaling te verschaffen. Voor een dergelijk geslaagd beroep op dwaling acht het hof onvoldoende de veronderstelling dat moeder en zoon zich niet hebben gerealiseerd dat zij bij de schenking de onderbedelingsvordering van [zoon] hadden kunnen verrekenen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat het om meer zou gaan dan een veronderstelling. Immers zowel zoon als [moeder] waren niet meer in leven ten tijde van het opstellen van de akte van rectificatie en zij hebben niets nagelaten waaruit kan worden opgemaakt dat zij zich tijdens leven hebben (willen) beroepen op dwaling. Belanghebbende heeft, naar het oordeel van het hof, onvoldoende aanknopingspunten verschaft voor de juistheid van zijn stelling dat de partijen bij de overeenkomst van schenking hebben gedwaald. Voor een dergelijk geslaagd beroep op dwaling is onvoldoende dat het mogelijk is dat moeder en zoon zich niet hebben gerealiseerd dat zij bij de schenking de onderbedelingsvordering van [zoon] hadden kunnen verrekenen. Reeds daarom slaagt het beroep op dwaling niet. Overigens bestond ten tijde van het opmaken van de akte van rectificatie de onderbedelingsvordering van de zoon op zijn moeder niet meer.
Het hof ziet geen ruimte om naar aanleiding van belanghebbendes verwijzing naar “de menselijke maat” anders te beslissen.
Immateriële schadevergoeding
4.9.
Belanghebbende stelt dat hij recht heeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van zijn zaak. Het bezwaarschrift is ontvangen op 17 maart 2022 en de rechtbank heeft uitspraak gedaan op 24 januari 2024. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep die in beginsel is gesteld op twee jaar niet is overschreden. Het hoger beroep is ingesteld op 2 februari 2024 en het hof doet uitspraak op 30 april 2026. De redelijke termijn in hoger beroep is met naar boven afgerond drie maanden overschreden. Er zijn geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de redelijke termijn zou moeten worden verlengd. Het hof zal belanghebbende voor die overschrijding € 500 schadevergoeding toekennen, te betalen door de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie.
Tussenconclusie
4.10.
De slotsom is dat het hoger beroep tegen de aanslag ongegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht
4.11.
Het Hof stelt de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep wegens het verzoek om vergoeding van immateriële schade, op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage, vast op € 467 (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 x wegingsfactor wegens het gewicht van de zaak 0,25, vgl. HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2). Er is geen aanleiding voor een hogere proceskostenvergoeding.
4.12
Er bestaat geen aanleiding de inspecteur te gelasten het betaalde griffierecht te vergoeden (vgl. HR 31mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567).

5.Beslissing

Het gerechtshof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de Minister van Veiligheid en Justitie (de Staat) tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten voor het hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 467.
De uitspraak is gedaan door P. van der Wal, voorzitter, A.J. Kromhout en R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van Y. Postema - van der Koogh, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026
en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Aangezien de voorzitter verhinderd is te ondertekenen zal A.J. Kromhout deze uitspraak ondertekenen.
De griffier, De raadsheer,
Y. Postema-van der Koogh A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.