Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1237

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
24/202
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 3, lid 2, BpbArt. 2, lid 3, BpbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing integrale kostenvergoeding en immateriële schadevergoeding bij onjuiste tenaamstelling schenkbelastingaanslag

De inspecteur legde op 22 juli 2021 een definitieve aanslag schenkbelasting op met een onjuiste tenaamstelling. Belanghebbende maakte bezwaar en de inspecteur vernietigde de aanslag en kende een forfaitaire kostenvergoeding toe. Belanghebbende vorderde een integrale kostenvergoeding en immateriële schadevergoeding, welke door de rechtbank werden afgewezen.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat bijzondere omstandigheden, zoals eerdere onjuiste tenaamstellingen en passief optreden van de inspecteur, een hogere vergoeding rechtvaardigen. Het hof oordeelde dat deze omstandigheden niet toerekenbaar zijn aan de vernietigde aanslag en dat de inspecteur niet in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.

Verder stelde belanghebbende dat hij recht had op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof stelde vast dat de uitspraak op bezwaar binnen twee jaar volgde, waardoor geen recht op immateriële schadevergoeding bestaat.

Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten of griffierechten toegekend.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat geen recht bestaat op een integrale kostenvergoeding of immateriële schadevergoeding wegens onjuiste tenaamstelling van de schenkbelastingaanslag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/202
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] (in hoedanigheid van enig erfgenaam van [erflater] ), te [woonplaats] ,
hierna belanghebbende
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 januari 2024, nummer BRE 21/5688 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft op 22 juli 2021 een aanslag schenkbelasting opgelegd ten name van “Erven [naam] ”.
1.2.
De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 december 2021 het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag vernietigd en belanghebbende een kostenvergoeding toegekend van € 265.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar voor zover deze de kostenvergoeding betreft beroep bij de rechtbank ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 49 geheven. De rechtbank heeft beslist:
“De rechtbank:
-verklaart het beroep ongegrond;
-veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van wettelijke rente over de bij uitspraak op bezwaar aan belanghebbende toegekende kostenvergoeding van € 265, welke vergoeding verschuldigd is met ingang van vier weken na de datum van de uitspraak op bezwaar;
-wijst het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 17 maart 2026 een pleitnota ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2026 in ‘s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde] , en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.6.
Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende met nummer 24/203 betreffende de hem opgelegde aanslag schenkbelasting van 1 maart 2022. Hetgeen in de ene zaak is aangevoerd wordt geacht ook te zijn aangevoerd in de andere zaak, tenzij hetgeen is aangevoerd uitsluitend op die ene zaak betrekking heeft.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is één proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
De vader van [erflater] (hierna: [zoon] ) is op 19 juli 2018 overleden en heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Het testament bevat een ouderlijke boedelverdeling ten behoeve van zijn echtgenote [moeder] (hierna: [moeder] ). De nalatenschap bedraagt € 255.596. Het erfdeel van [zoon] is vastgesteld op € 127.798, verhoogd met wettelijke rente vanaf 19 juli 2018.
2.2.
Op 9 april 2019 heeft [moeder] aan [zoon] een appartement geschonken (hierna: de schenking). Ter zake van de schenking is aangifte schenkbelasting gedaan. Het appartement werd op het moment van de schenking bewoond door de zoon en zijn partner, belanghebbende. De WOZ-waarde van het appartement bedroeg € 325.000. [moeder] is op 17 december 2019 overleden en [zoon] op 10 augustus 2020. Belanghebbende is de enige erfgenaam van zijn partner.
2.3.1.
De inspecteur heeft ter zake van de schenking op 9 april 2020 een voorlopige aanslag schenkbelasting opgelegd ten name van “ [naam] ” (hierna: de voorlopige aanslag).
2.3.2.
Belanghebbende heeft op 6 januari 2021 bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag. Zijn gemachtigde heeft per emailbericht van 1 april 2021 de inspecteur erop gewezen dat de tenaamstelling van de voorlopige aanslag onjuist is. De gemachtigde heeft tevens verzocht om verrekening van het bedrag van de aanslag met de vordering die [zoon] op moeder had vanwege de onderbedeling uit de nalatenschap van vader. Verder heeft op 19 mei 2021 een gesprek plaatsgevonden tussen de gemachtigde en de inspecteur, dat is aangemerkt als hoorgesprek en waarvan de inspecteur een verslag heeft opgemaakt.
2.3.3.
Bij uitspraak op bezwaar van 14 juli 2021 heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en heeft hij het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.
2.4.1.
Vervolgens heeft de inspecteur op 22 juli 2021 per abuis op naam van “Erven [naam] ” een definitieve aanslag schenkbelasting opgelegd (hierna: de definitieve aanslag).
2.4.2.
Belanghebbende heeft namens “Erven [naam] ” tegen de definitieve aanslag bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft het bezwaar op 8 december 2021 wegens de onjuiste tenaamstelling gegrond verklaard en de definitieve aanslag vernietigd. Daarbij heeft hij aan belanghebbende een kostenvergoeding van € 265 toegekend (één punt voor de proceshandeling “indienen van het bezwaar” x factor 1 voor het gewicht van de zaak, volgens tarief 2021).
Belanghebbende heeft tegen de kostenvergoeding beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft beslist als hiervoor in 1.3. is weergegeven. Het onderhavige hoger beroep (24/202) ziet op deze beslissing.
2.5.
De inspecteur heeft op 7 februari 2022 nogmaals een definitieve aanslag schenkbelasting voor de schenking opgelegd, met wederom een onjuiste tenaamstelling. De inspecteur heeft vóór dagtekening van deze aanslag aan belanghebbende bericht dat die aanslag wegens de onjuiste tenaamstelling wordt vernietigd.
2.6.
Daarna heeft de inspecteur op 1 maart 2022 bij een zogenoemde penaanslag een definitieve aanslag schenkbelasting opgelegd op naam van [zoon] . Hierin is vermeld dat de schenking is gedaan door [meisjesnaam] ( [moeder] ). De inspecteur heeft de door belanghebbende tegen deze aanslag gemaakte bezwaren bij uitspraak op bezwaar afgewezen, de rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard, waarna belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep bij het hof heeft ingesteld (nummer 24/203).

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of belanghebbende recht heeft op een integrale, althans hogere, dan de forfaitaire kostenvergoeding voor de bezwaarfase en recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de inspecteur ontkennend.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot het toekennen van (primair) een integrale kostenvergoeding van € 13.514 en immateriële schadevergoeding.
3.3.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden de proceskosten vergoed volgens de forfaitaire bedragen genoemd in de bijlage bij dat Besluit en is voor een hogere vergoeding slechts plaats in het geval zich bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb hebben voorgedaan.
4.2.
Voor het toekennen van een kostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Bpb is volgens vaste jurisprudentie onder meer grond indien de inspecteur het verwijt treft dat hij een beschikking of een uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment al duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook kan voor het toekennen van een vergoeding van de werkelijke kosten aanleiding zijn indien het bestuursorgaan in vergaande mate onzorgvuldig handelt (HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Tot slot dient voor vergoeding van de werkelijke kosten de bijzondere omstandigheid tot het maken van de (extra) kosten te hebben geleid (HR 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA9380).
4.3.
Belanghebbende heeft primair gesteld dat hij recht heeft op een integrale kostenvergoeding en dat daarbij gelet op het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975 tevens de volgende als bijzonder in de zin van artikel 2, lid 3, Bpb aan te merken omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen:
- de omstandigheid dat de voorlopige aanslag eveneens onjuist te naam is gesteld;
- belanghebbende de inspecteur daarop destijds heeft gewezen;
- de inspecteur daarnaar ambtshalve onderzoek had moeten doen hoewel het bezwaar destijds te laat door belanghebbende was ingesteld;
- dat een dergelijk onderzoek de foutieve tenaamstelling van de definitieve aanslag had kunnen voorkomen; en voorts nog dat;
- de inspecteur zich bij de behandeling van het bezwaar tegen de voorlopige aanslag zeer passief heeft opgesteld, belanghebbende niet heeft gehoord terwijl de gemachtigde daar meermaals om heeft verzocht maar heeft volstaan met een telefonisch overleg en ten onrechte in de uitspraak op bezwaar tegen de voorlopige aanslag dit telefonische overleg als hoorgesprek heeft aangemerkt.
4.4.
De rechtbank heeft het verzoek om integrale kostenvergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat de onjuiste tenaamstelling van de definitieve aanslag te wijten is aan een fout in de systemen van de Belastingdienst en dat de inspecteur, hoewel deze fout voor zijn rekening komt, daarmee niet heeft gehandeld tegen beter weten in en dat, gelet op het verdere verloop van de aanslagregeling, de inspecteur ook niet in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld toen hij de systeemfout had onderkend en steeds pogingen in het werk heeft gesteld om te komen tot een juiste tenaamstelling op de definitieve aanslag.
De rechtbank heeft ten aanzien van de door belanghebbende gestelde omstandigheden die zich voordeden bij de behandeling van de voorlopige aanslag geoordeeld dat deze niet in aanmerking kunnen worden genomen omdat de onderhavige procedure het verzoek om kostenvergoeding voor de onjuiste tenaamstelling van de definitieve aanslag betreft en niet de onjuiste tenaamstelling van de voorlopige aanslag.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen omdat
–samengevat - de redelijke termijn die is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 29 juli 2021 is geëindigd binnen twee jaar, namelijk met de uitspraak op bezwaar van 8 december 2021 toen de definitieve aanslag is vernietigd.
Beoordeling
4.5.
Op grond van artikel 2, lid 3, van het Bpb kan de rechter in bijzondere omstandigheden naar boven of naar beneden afwijken van de tarieven in de bijlage bij het Bpb, of afzien van toekenning van een proceskostenvergoeding. Daarvoor is niet vereist dat het gaat om een situatie die zich zelden voordoet. Voldoende is dat het omstandigheden betreft die naar hun aard bijzonder zijn (vgl. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, r.o. 4.4).
4.6.
Het hof is van oordeel dat zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voordoen die een hogere kostenvergoeding rechtvaardigen. Belanghebbende stelt weliswaar terecht dat alle omstandigheden bij de beoordeling in aanmerking moeten worden genomen, maar dat laat onverlet dat die omstandigheden moeten samenhangen met het vernietigde besluit, dat wil zeggen daaraan redelijkerwijs kunnen worden toegerekend. Dat is niet het geval voor zover het omstandigheden betreffen die zich voordoen voordat de betreffende aanslag is opgelegd en ook als het gaat om omstandigheden die zijn toe te rekenen aan een ander daaraan voorafgaand besluit, zoals in dit geval de kosten die toerekenbaar zijn aan de voorlopige aanslag van 9 april 2020. Evenmin is dat het geval als sprake is van omstandigheden die zich voordoen nadat de onderhavige definitieve aanslag van 22 juli 2021 is vernietigd en het gaat om kosten die zijn toe rekenen aan na die vernietiging genomen nieuwe besluiten, zoals in dit geval de later opgelegde definitieve aanslagen van 7 februari 2022 en 1 maart 2022.
4.7.
Voor zover belanghebbende stelt dat de inspecteur hem had moeten horen alvorens hij de aanslag vernietigde vanwege de onjuiste tenaamstelling, verwerpt het hof dit standpunt omdat de inspecteur daartoe ingevolge artikel 7:3 Awb Pro niet verplicht is, nu sprake was van een kennelijk gegrond bezwaar.
4.8.
Het hof ziet net als de rechtbank geen reden voor toewijzing van het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Het bezwaarschrift tegen de definitieve aanslag van 22 juli 2021 is ontvangen op 29 juli 2021. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 december 2021 deze definitieve aanslag vernietigd. Met die vernietiging staat de uitkomst van de procedure vast en is er – ook in geobjectiveerde zin – geen sprake meer van spanning en frustratie. Nu de uitspraak op bezwaar binnen de redelijke termijn is gegeven, is geen sprake van overschrijding en is geen recht op vergoeding van immateriële schade ontstaan. Ook overigens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat bij hem schade is ontstaan als gevolg van de vernietigde definitieve aanslag.
Tussenconclusie
4.9.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van de proceskosten en de griffierechten
4.10.
Het hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten voor het beroep en het hoger beroep en/of vergoeding van griffierechten.

5.Beslissing

Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door P. van der Wal, voorzitter, A.J. Kromhout en R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van Y. Postema - van der Koogh, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026
en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Aangezien de voorzitter verhinderd is te ondertekenen zal A.J. Kromhout deze uitspraak ondertekenen.
De griffier, De raadsheer,
Y. Postema-van der Koogh A.J. Kromhout
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.