Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1166

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
23/1036 tot en met 23/1042
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27e AWRArt. 67a AWRArt. 67c AWRBesluit Bestuurlijke Boeten BelastingdienstArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen belastingaanslagen vennootschapsbelasting en omzetbelasting met deels vernietiging en vermindering

Belanghebbende, opgericht in 2014, heeft geen aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) over 2016 en 2017 ingediend en slechts beperkte winst- en verliesrekeningen overgelegd. De inspecteur legde navorderingsaanslagen Vpb en naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) op over de jaren 2014 tot en met 2017, inclusief boetes en belastingrente. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar het hof oordeelt anders voor de OB-aanslagen.

Het hof bevestigt dat de Vpb-aanslagen terecht zijn opgelegd op basis van een redelijke schatting, omdat belanghebbende geen volledige administratie heeft overgelegd. Voor de OB-aanslagen oordeelt het hof dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op de vooraftrek van btw op een factuur uit 2014, omdat de factuur en e-mailcorrespondentie wijzen op een overeenkomst tussen curator en een andere partij dan belanghebbende.

Het hof vermindert daarom de naheffingsaanslagen OB voor 2014, 2015 en 2016 en vernietigt de aanslag voor 2017. Tevens worden de boetes voor Vpb en OB gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De inspecteur wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor de OB-aanslagen en boetebeschikkingen, en ongegrond voor de Vpb-aanslagen.

Uitkomst: Het hof vernietigt en vermindert de naheffingsaanslagen omzetbelasting en boetebeschikkingen, bevestigt de navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting en matigt boetes wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/1036 tot en met 23/1042
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 juni 2023, nummers BRE 21/2607 tot en met 21/2609 en 21/2753 tot en met 21/2756 in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) over het jaar 2015 en de aanslagen Vpb voor de jaren 2016 en 2017 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht en zijn voor 2016 en 2017 boetebeschikkingen opgelegd.
1.2.
Verder heeft de inspecteur de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting (hierna: OB) opgelegd:
- 1 mei 2014 tot en met 31 december 2014
- 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015
- 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016
- 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017
Tevens zijn bij deze naheffingsaanslagen boetebeschikkingen opgelegd en is telkens bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.3.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en het bezwaar met betrekking tot de (navorderings-)aanslagen Vpb ongegrond verklaard. De inspecteur heeft het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen OB gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.7.
De zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen namens belanghebbende, [naam 1] en [naam 2] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .
1.8.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.
1.9.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek hervat. Vervolgens hebben partijen onderling stukken gewisseld en getracht tot overeenstemming te komen. Partijen hebben het hof op de hoogte gesteld van de uiteindelijke stand van zaken.
1.10.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is verzonden.
1.11.
Het hof heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Op 8 mei 2014 schrijft een medewerker van de curator van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), namens de curator het volgende aan [naam 3] , de exportmanager van [bedrijf] in de Verenigde Staten (hierna: [bedrijf] USA):
“Geachte [naam 3] ,
(…) De curator [naam 4] is ermede akkoord dat de gehele kwestie met [bedrijf] wordt afgewikkeld tegen betaling van € 50.000,-, onder de navolgende voorwaarden:
- Het bedrag van € 60.500,- (€ 50.000,- plus 21% BTW) dient vandaag op de derdengeldrekening van mijn kantoor met nummer (…) ten name van Stichting Beheer Derdengelden [Advocatenkantoor] onder vermelding van “ [nummer 1] ” te zijn bijgeschreven;
- De aanwezige voorraad in het pand aan [adres 1] , waaronder de voorraad die geleverd is onder eigendomsvoorbehoud, wordt aanstaande vrijdag 9 mei op een nog nader overeen te komen tijdstip door [bedrijf] opgehaald;
- De vracht met voorraad die nog ingeklaard dient te worden, wordt door [bedrijf] teruggenomen. De kosten die hieraan verbonden zijn, waaronder maar niet uitsluitend de kosten van demurrage, inklaring, invoerrechten, BTW en transport, komen volledig voor rekening en risico van [bedrijf] ;
- De vordering van [bedrijf] op [bedrijf 1] B.V. wordt volledig gecrediteerd, hiervoor zal een creditfactuur gestuurd worden door [bedrijf] . [bedrijf] zal zich nimmer kunnen beroepen op verrekening;
- Er wordt door de curator geen enkele garantie gegeven met betrekking tot de nog aanwezige voorraad en de voorraad onderweg;
- [bedrijf] vrijwaart [bedrijf 1] B.V. , alsmede [naam 4] persoonlijk, onvoorwaardelijk en onherroepelijk voor en zal de Verkoper schadeloos stellen ter zake van alle claims/aanspraken, van welke aard dan ook, van derden met betrekking tot de terug geleverde voorraad;
- De gehele deal geschiedt tegen finale kwijting;
Onder deze voorwaarden is ook de ABN AMRO, als pandhouder, akkoord met het voorstel.”
2.2.
Op 12 mei 2014 stuurt [Advocatenkantoor] de volgende factuur:
“ [bedrijf]
T.a.v. de heer [naam 3]
[adres 2]
[postcode] [vestigingsplaats]
[plaats] ,12 May 2014
Re[bedrijf 1] B.V .. bankruptcy
(…)
Handled by[naam 4]
Direct no.[nummer 2]
INVOICE
Settlement and restitution of ' [bedrijf] ' stock € 50.000
BTW (Dutch VAT) 21 % € 10.500
Total € 60.500
settlement and restitution of ' [bedrijf] ' stock
the invoice has already been paid”
2.3.
Belanghebbende is opgericht op 14 mei 2014. Enig aandeelhouder van belanghebbende is [naam 5] . Haar partner, [naam 1] (hierna: [naam 1] ), is alleen/zelfstandig bevoegd directeur van belanghebbende.
2.4.
De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het drijven van een groothandel in parfums en cosmetica (met name haarverzorgingsproducten). In Nederland levert belanghebbende producten aan kapperszaken en in Europa aan tussenhandelaren, die op hun beurt aan kapperszaken leveren.
2.5.
[naam 1] voert de administratie van belanghebbende. De loonadministratie wordt verzorgd door een externe partij.
2.6.
De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte Vpb voor de jaren 2015, 2016 en 2017. Vervolgens heeft hij belanghebbende herinnerd en aangemaand om de aangiften in te dienen. Belanghebbende heeft voor de jaren 2015, 2016 en 2017 geen aangiften Vpb ingediend.
2.7.
Op 25 juli 2018 is een boekenonderzoek gestart bij belanghebbende (datum rapport 30 juli 2019). Onderzocht is (onder meer) de aanvaardbaarheid van:
- de aangiften OB over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017; en
- de aangiften Vpb over de jaren 2015 tot en met 2017.
Het boekenonderzoek heeft geleid tot het opleggen van de in geschil zijnde belastingaanslagen, verzuimboeten en belastingrentebeschikkingen. De (navorderings)aanslagen Vpb zijn geschat op basis van de transacties weergegeven in de bankafschriften van belanghebbende. De aanleiding voor het opleggen van de naheffingsaanslagen OB is het weigeren van de geclaimde aftrek van voorbelasting. Het opleggen van verzuimboeten is in het rapport boekenonderzoek aangekondigd.
2.8.
Tijdens het boekenonderzoek heeft [naam 1] aangegeven dat er meer tijd nodig was om de administratie over de onderhavige jaren (de administratie) in te boeken en dat de auditfiles nog niet gereed waren. Tijdens het boekenonderzoek en in de bezwaarfase is belanghebbende meermaals de gelegenheid geboden om de administratie alsnog aan te leveren. Tijdens de zitting bij de rechtbank is namens belanghebbende verklaard dat de administratie nog niet gereed is en dat het voornemen bestaat de administratie te digitaliseren en dat dat uiterlijk 1 juli 2023 gerealiseerd zal zijn.
2.9.
In de bezwaarfase heeft belanghebbende voor elk van de jaren 2014 tot en met 2017 een aantal facturen aangeleverd om het recht op vooraftrek van OB te onderbouwen. De inspecteur heeft de aftrek van voorbelasting ten aanzien van deze facturen - met uitzondering van één document met betrekking tot 2014- alsnog geaccepteerd. Dit heeft geleid tot de volgende vermindering van de naheffingsaanslagen OB en van de bijbehorende boete- en rentebeschikkingen:
- 2014: naar € 20.411 aan verschuldigde belasting, € 2.041 aan verzuimboete en € 3.900 aan belastingrente
- 2015: € 87.571 aan verschuldigde belasting, € 5.278 aan verzuimboete en € 13.232 aan belastingrente
- 2016: € 44.738 aan verschuldigde belasting, € 4.473 aan verzuimboete en € 4.970 aan belastingrente
- 2017: € 25.842 aan verschuldigde belasting, € 2.584 aan verzuimboete en € 1.837 aan belastingrente.
2.10.
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de boetebeschikkingen met 15% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn tot de volgende bedragen:
- Vpb 2016 tot een bedrag van € 2.243;
- Vpb 2017 tot een bedrag van € 2.243;
- OB 2014 tot een bedrag van € 1.734;
- OB 2015 tot een bedrag van € 4.486;
- OB 2016 tot een bedrag van € 3.802;
- OB 2017 tot een bedrag van € 2.196.
2.11.
De inspecteur schrijft in zijn brief van 27 oktober 2025 aan het hof onder meer het volgende:
“Met deze documentatie [Hof: ten aanzien van de onder 2.2. vermelde factuur] maakt belanghebbende derhalve niet aannemelijk dat zij ook recht heeft op deze voorbelasting. Ik ga daarom niet akkoord met het verzoek van belanghebbende om het recht op aftrek van de betaalde voorbelasting conform de afzonderlijke jaarlijsten "1300 BTW betaald (voorbelasting)" voor het jaar 2014 te honoreren. Voor het jaar 2014 resteert een correctie van € 10.500.
Voor de overige jaren ga ik wel akkoord om het recht op aftrek van de betaalde voorbelasting conform de afzonderlijke jaarlijsten "1300 BTW betaald (voorbelasting)" te honoreren. In het volgende schema heb ik een chronologisch overzicht opgenomen van de uiteindelijke correctie voorbelasting binnenland.
Jaar/
correctie voorbelasting
Correctie afgetrokken VB binnenland na controle
Bedrag van vermindering correctie na bezwaar
Na bezwaar en aanleveren 10 hoogste facturen resterende correctie
VB binnenland vlgs belanghebbende na aanleveren facturen en overige gegevens op 7 aug 25
Resterende correctie vlgs inspecteur na aanleveren gegevens w.o. 20 hoogste facturen
Resterende boete
2014
54.424
34.012,45
20.114
54.721
10.5
1.05
2015
91.547
3.975,22
87.571
28.608
58.933
4.486
2016
51.946
7.207,93
44.738
33.29
11.448
1.144
2017
30.947
5.104,40
25.842
29.61
TOTAAL
228.864
50.3
178.562
146.229
80.881
6.68
Op basis van bovenstaand schema wordt de enkelvoudige belasting, als gevolg van bovenstaande vermindering correctie voorbelasting binnenland, groot € 80.881. De boete wordt verminderd naar € 6.680. De belastingrente zal als gevolg van de vermindering van de enkelvoudige belasting eveneens worden verminderd.”
2.12.
De bestuurder van belanghebbende, [naam 1] , is in december 2025 overleden.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
In geschil is of de (navorderings) aanslagen Vpb en de naheffingsaanslagen OB terecht en naar het juiste bedrag zijn opgelegd.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de (navorderings-)aanslagen en vermindering van de naheffingsaanslagen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank voor wat betreft de (navorderings)aanslagen Vpb en tot vermindering van de naheffingsaanslagen OB tot de in 2.8 genoemde bedragen.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
De (navorderings-)aanslagen Vpb
4.1.
De rechtbank heeft met betrekking tot de (navorderings-)aanslagen Vpb als volgt overwogen:
“3.3.2. Op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), verklaart de rechtbank het beroep ongegrond indien - voor zover hier van belang - de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).
3.3.3. Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand, geen (tijdige) aangiften Vpb gedaan over de jaren 2015 tot en met 2017. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende daardoor niet de vereiste aangiften heeft gedaan, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast plaatsvindt.1 In dat geval dient de rechtbank te beoordelen of sprake is van een redelijke — niet willekeurige — schatting door de inspecteur.2
3.3.4. Ter zitting is namens belanghebbende uitdrukkelijk verklaard dat alleen in geschil is of de in 3.3.3 bedoelde schatting door de inspecteur juist is.
3.3.5. Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van de belastbare bedragen voor de jaren 2015 tot en met 2017 door de inspecteur redelijk en niet willekeurig. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur bij het doen van de schatting is uitgegaan van de ontvangsten en uitgaven die volgen uit de bankafschriften van belanghebbende (zie 2.4). Bij gebrek aan andere stukken en inzicht in de administratie van belanghebbende kan die werkwijze de redelijkheidstoets doorstaan.
3.3.6. Belanghebbende stelt dat geen rekening is gehouden met de aanwezige voorraden, valutaverschillen en rentelasten en voorts dat de post "inkopen/kosten eur rek" in de berekening van de inspecteur te laag is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met deze stelling—die niet is onderbouwd met enig objectief controleerbaar bewijs — niet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.
3.3.7. De beroepen tegen de (navorderings)aanslagen Vpb zullen dan ook ongegrond worden verklaard.
Voetnoten:
1 Zie Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675.
2 Vgl. Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.”
4.2.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof maakt deze beslissing tot de zijne en voegt daar nog het volgende aan toe. In hoger beroep heeft belanghebbende (concept) winst- en verliesrekeningen over 2014 tot en met 2017 overgelegd waaruit lagere resultaten volgen. Deze winst- en verliesrekeningen zijn niet onderbouwd met een balans en vermogensopstellingen, of controleerbaar door achterliggende boekingen. Desgevraagd heeft belanghebbende verklaard dat deze winst- en verliesrekeningen volgen uit het boekhoudprogramma maar dat een accountant er nog niet naar heeft gekeken. Een balans heeft belanghebbende daarbij niet overgelegd omdat die niet door een accountant is beoordeeld. Belanghebbende heeft daarbij aangegeven wel al een accountant te hebben ingeschakeld. Belanghebbende heeft ook na afloop van de zitting, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen stukken overgelegd op grond waarvan de winst- en verliesrekeningen kunnen worden gecontroleerd. Verder heeft belanghebbende nog gesteld dat de inspecteur geen rekening heeft gehouden met afschrijvingen, voorzieningen en valutaverschillen. Deze stelling heeft belanghebbende verder niet cijfermatig onderbouwd. Met dit alles heeft belanghebbende evenmin doen blijken dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.
De naheffingsaanslagen OB
4.3.
Tussen partijen is nog slechts in geschil of belanghebbende voor 2014 aanspraak kan maken op vooraftrek van € 10.500 die als btw op een factuur van [Advocatenkantoor] van 12 mei 2014 is vermeld (zie 2.2.).
4.4.
Belanghebbende stelt dat zij in 2014, kort voor haar oprichting, haarproducten heeft overgenomen uit de failliete boedel van de voormalige distributeur van [bedrijf] USA, [bedrijf 1] . Dit is geregeld door de verkoopmanager van [bedrijf] USA, [naam 3] en vastgelegd in een e–mail van 8 mei 2014 aan dezelfde [naam 3] . Belanghebbende wijst er verder op dat de factuur op naam staat van haar voormalige handelsnaam [bedrijf] en dat haar adres is vermeld. De inspecteur heeft de vooraftrek geweigerd. Hij stelt dat hij uit de aangeleverde documenten niet kan opmaken dat en door wie de btw van deze aankoop is betaald en dat uit de e–mail niet duidelijk is dat belanghebbende als afnemer van de goederen kan worden aangemerkt. Verder wijst hij erop dat belanghebbende geen betalingsbewijs of bankafschrift kan overleggen en dat niet is uitgesloten dat de onderhavige voorbelasting reeds eerder in aftrek is gebracht.
4.5.
Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met wat zij heeft overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat de factuur van [Advocatenkantoor] van 12 mei 2014 een aan haar gerichte prestatie betrof. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de curator in de e-mail van 8 mei 2014 aan [naam 3] niet alleen de overname van de voorraad van [bedrijf 1] bespreekt, maar dat hij ook andere afspraken maakt die belanghebbende niet aangaan. Het hof acht, gelet op de tekst van die e-mail, aannemelijk dat [naam 3] optrad namens [bedrijf] USA en dat de afspraken met de curator tussen de curator en [bedrijf] USA zijn gemaakt en een overeenkomst over de afwikkeling van vorderingen over en weer tussen [bedrijf 1] en [bedrijf] USA betroffen. Het hof wijst in dit kader op bewoordingen als “de gehele kwestie” en “de gehele deal geschiedt onder algehele kwijting”. De tenaamstelling van de factuur wijst ook daarop. Weliswaar was de handelsnaam van belanghebbende lange tijd ook “ [bedrijf] ” maar het is naar het oordeel van het hof meer voor de hand liggend dat de curator [bedrijf] USA heeft bedoeld omdat dat de partij was waarmee hij de afspraken heeft gemaakt. De omschrijving op de factuur “settlement en restitution” duidt ook op een meer omvattende overeenkomst dan op slechts de overname van de voorraad. De enkele omstandigheid dat de factuur is geadresseerd op het toenmalige adres van belanghebbende maakt dat niet anders. Dit betekent dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij deze voorbelasting heeft voldaan en daarom geen aanspraak kan maken op vooraftrek van de btw op de factuur van 12 mei 2014 en dat de naheffingsaanslag OB 2014 moet worden verminderd naar € 10.500.
4.6.
Gelet op de brief van de inspecteur van 27 oktober 2025 is het hoger beroep gegrond omdat de naheffingsaanslagen OB 2014, 2015 en 2016 moeten worden verminderd en de naheffingsaanslag OB 2017 moet worden vernietigd.
Verzuimboetes Vpb 2016 en 2017
4.7.
De rechtbank heeft ten aanzien van de verzuimboetes Vpb als volgt overwogen:
“3.5.1. Ten aanzien van de boetebeschikkingen bij de aanslagen Vpb 2016 en 2017 is van belang dat de inspecteur op grond van artikel 67a, eerste lid, van de AWR een verzuimboete kan opleggen wanneer niet binnen een in de aanmaning gestelde termijn aangifte wordt gedaan. Op grond van paragraaf 21, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) wordt er in dat geval een boete opgelegd van 50% van het wettelijk maximum. Dit bedroeg in de onderhavige jaren € 2.639.
3.5.2.
Er zijn geen aangiften gedaan binnen de in de aanmaningen gestelde termijnen. De verzuimboeten Vpb zijn in overeenstemming met de in 3.5.1 genoemde bepalingen opgelegd.”
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof maakt deze beslissing tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd, die tot een ander oordeel leiden.
4.8.
Het hof stelt ambtshalve vast dat in hoger beroep sprake is van een verdere overschrijding van de redelijke termijn. De verzuimboetes zijn aangekondigd op 30 juli 2019, zodat dat geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn. Het hof doet heden uitspraak. Sinds 30 juli 2019 zijn zes jaar en tien maanden verstreken, zodat de redelijke termijn in totaal met twee jaar en tien maanden is overschreden. De rechtbank heeft de boetes al gematigd met 15%. Als uitgangspunt geldt dat het hof in hoger beroep bij een overschrijding van meer dan twee jaar de boete met 20% matigt, [1] daarom ziet het hof redenen om de boetes verder te matigen naar de volgende bedragen:
Boete bij
Boete na uitspraak op bezwaar
Boete na vermindering wegens overschrijding redelijke termijn met 20%
Vpb 2016
€ 2.639
€ 2.111
Vpb 2017
€ 2.639
€ 2.111
Verzuimboetes OB
4.9.
De rechtbank heeft ten aanzien van de verzuimboetes OB als volgt overwogen:
“3.5.3. Ten aanzien van de boetebeschikkingen OB 2014 tot en met 2017 is van belang dat de inspecteur op grond van artikel 67c, eerste lid, van de AWR een verzuimboete kan opleggen indien de belastingplichtige de belasting (gedeeltelijk) niet of niet tijdig heeft betaald. Op grond van paragraaf 24, tweede lid, van het BBBB wordt er in dat geval een boete opgelegd van 10% van de verschuldigde belasting, tot een wettelijk maximum. Dit wettelijk maximum bedroeg in 2014 € 4.920 en in de jaren 2015 tot en met 2017 € 5.278.
3.5.4.
Belanghebbende heeft over de tijdvakken 2014 tot en met 2017 te weinig OB
betaald. De verzuimboeten zijn in overeenstemming met de in 3.5.3 genoemde bepalingen opgelegd.”
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het hof maakt deze beslissing tot de zijne, met dien verstande dat in hoger beroep de verzuimboete voor 2017 is vervallen. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen nieuwe argumenten aangevoerd, die tot een ander oordeel leiden.
4.10.
Het hof stelt ambtshalve vast dat in hoger beroep sprake is van een verdere overschrijding van de redelijke termijn. De verzuimboetes zijn aangekondigd op 30 juli 2019, zodat dat geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn. Het hof doet heden uitspraak. Sinds 30 juli 2019 zijn zes jaar en tien maanden verstreken, zodat de redelijke termijn in totaal met twee jaar en tien maanden is overschreden. De rechtbank heeft de boetes al gematigd met 15%. Als uitgangspunt geldt dat het hof in hoger beroep bij een overschrijding van meer dan twee jaar de boete met 20% matigt, [2] daarom ziet het hof redenen om de boetes verder te matigen naar de volgende bedragen:
Boete bij
Boete na brief van 27 oktober 2025
Boete na vermindering wegens overschrijding redelijke termijn met 20%
OB 2014
€ 1.050
€ 840
OB 2015
€ 5.278
€ 4.222
OB 2016
€ 1.144
€ 915
Tussenconclusie
4.11.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is ten aanzien van de (navorderings)aanslagen Vpb en gegrond is ten aanzien van de naheffingsaanslagen OB 2014, 2015, 2016 en 2017.
Ten aanzien van het griffierecht
4.12.
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 548 respectievelijk € 360 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.13.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het beroep bij de rechtbank gegrond is.
4.14.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 4,5 (punten) [3] x € 934 x 1,5 (factor samenhangende zaken) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 6.304,50.
4.15.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de naheffingsaanslagen OB 2014, 2015, 2016 en 2017;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond ten aanzien van de naheffingsaanslagen OB 2014, 2015, 2016 en 2017 en de boetebeschikkingen;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die de naheffingsaanslagen OB 2014, 2015, 2016 en 2017 en de boetebeschikkingen betreft;
  • verklaart het bezwaar van belanghebbende alsnog gegrond;
  • vermindert de naheffingsaanslag OB 2014 naar een bedrag van € 10.500;
  • vermindert de naheffingsaanslag OB 2015 naar een bedrag van € 58.933;
  • vermindert de naheffingsaanslag OB 2016 naar een bedrag van € 11.448;
  • vernietigt de naheffingsaanslag OB 2017;
  • vermindert de beschikkingen belastingrente evenredig;
  • vermindert de boete Vpb 2016 tot € 2.111;
  • vermindert de boete Vpb 2017 tot € 2.111;
  • vermindert de boete OB 2014 tot € 840;
  • vermindert de boete OB 2015 tot € 4.222;
  • vermindert de boete OB 2016 tot € 915;
  • vernietigt de boetebeschikking OB 2017;
- bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 908 vergoedt;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 6.304,50.
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.C.E. Ackermans-Wijn, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A. Muller J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie Hof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
2.Zie Hof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.
3.1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting bij de rechtbank, 1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting in hoger beroep en 0,5 punt voor het verstrekken van inlichtingen, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.