Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
- 2015: € 87.571 aan verschuldigde belasting, € 5.278 aan verzuimboete en € 13.232 aan belastingrente
- 2016: € 44.738 aan verschuldigde belasting, € 4.473 aan verzuimboete en € 4.970 aan belastingrente
- 2017: € 25.842 aan verschuldigde belasting, € 2.584 aan verzuimboete en € 1.837 aan belastingrente.
3.Geschil en conclusies van partijen
4.Gronden
3.3.3. Belanghebbende heeft, na daartoe te zijn uitgenodigd en aangemaand, geen (tijdige) aangiften Vpb gedaan over de jaren 2015 tot en met 2017. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende daardoor niet de vereiste aangiften heeft gedaan, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast plaatsvindt.1 In dat geval dient de rechtbank te beoordelen of sprake is van een redelijke — niet willekeurige — schatting door de inspecteur.2
3.3.4. Ter zitting is namens belanghebbende uitdrukkelijk verklaard dat alleen in geschil is of de in 3.3.3 bedoelde schatting door de inspecteur juist is.
3.3.5. Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van de belastbare bedragen voor de jaren 2015 tot en met 2017 door de inspecteur redelijk en niet willekeurig. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur bij het doen van de schatting is uitgegaan van de ontvangsten en uitgaven die volgen uit de bankafschriften van belanghebbende (zie 2.4). Bij gebrek aan andere stukken en inzicht in de administratie van belanghebbende kan die werkwijze de redelijkheidstoets doorstaan.
3.3.6. Belanghebbende stelt dat geen rekening is gehouden met de aanwezige voorraden, valutaverschillen en rentelasten en voorts dat de post "inkopen/kosten eur rek" in de berekening van de inspecteur te laag is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met deze stelling—die niet is onderbouwd met enig objectief controleerbaar bewijs — niet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.
3.3.7. De beroepen tegen de (navorderings)aanslagen Vpb zullen dan ook ongegrond worden verklaard.
Voetnoten:
1 Zie Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675.
5.Beslissing
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de naheffingsaanslagen OB 2014, 2015, 2016 en 2017;
- verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond ten aanzien van de naheffingsaanslagen OB 2014, 2015, 2016 en 2017 en de boetebeschikkingen;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die de naheffingsaanslagen OB 2014, 2015, 2016 en 2017 en de boetebeschikkingen betreft;
- verklaart het bezwaar van belanghebbende alsnog gegrond;
- vermindert de naheffingsaanslag OB 2014 naar een bedrag van € 10.500;
- vermindert de naheffingsaanslag OB 2015 naar een bedrag van € 58.933;
- vermindert de naheffingsaanslag OB 2016 naar een bedrag van € 11.448;
- vernietigt de naheffingsaanslag OB 2017;
- vermindert de beschikkingen belastingrente evenredig;
- vermindert de boete Vpb 2016 tot € 2.111;
- vermindert de boete Vpb 2017 tot € 2.111;
- vermindert de boete OB 2014 tot € 840;
- vermindert de boete OB 2015 tot € 4.222;
- vermindert de boete OB 2016 tot € 915;
- vernietigt de boetebeschikking OB 2017;
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).