Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1076

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
24/1049
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 Invorderingswet 1990Art. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 14 EVRMArt. 8:42 Algemene wet bestuursrechtArt. 10:3 lid 3 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep aansprakelijkstelling transportbedrijf voor onbetaalde belastingschulden uitlener

Belanghebbende, een transportbedrijf dat personeel inleende van een andere vennootschap ([B.V.]), werd aansprakelijk gesteld voor onbetaalde naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffingen van die uitlener over de periode maart tot en met december 2018. De ontvanger had uitstel van betaling verleend aan [B.V.] en zekerheid bedongen, waaronder een pandrecht op vorderingen. Later bleek dat een deel van deze vorderingen was gecedeerd, waardoor het pandrecht onvoldoende zekerheid bood.

De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, maar de ontvanger ging in hoger beroep. Het hof oordeelde dat de ontvanger onzorgvuldig had gehandeld door niet tijdig te controleren of [B.V.] bevoegd was het pandrecht te vestigen en door feitelijk uitstel van betaling te verlenen zonder voldoende zekerheden te bedingen. Hierdoor verloor de ontvanger de bevoegdheid om belanghebbende aansprakelijk te stellen.

Het hof vernietigde de beschikking aansprakelijkstelling en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. De ontvanger werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van belanghebbende. De overige stellingen behoefden geen behandeling meer. Het hoger beroep werd gegrond verklaard.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beschikking aansprakelijkstelling wegens onzorgvuldig handelen van de ontvanger en verklaart het hoger beroep gegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1049
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 juni 2024, nummer BRE 23/1285 in het geding tussen belanghebbende en
de ontvanger van de Belastingdienst,
hierna: de ontvanger.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De ontvanger heeft belanghebbende bij beschikking op grond van artikel 34 Invorderingswet Pro 1990 (hierna: IW) aansprakelijk gesteld voor onbetaald gelaten naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffingen ten name van [B.V.] (hierna: [B.V.] ) over de periode 26 maart 2018 tot en met 31 december 2018.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De ontvanger heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen, [persoon 1] en [persoon 2] namens belanghebbende, vergezeld door haar gemachtigden [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] , en, namens de ontvanger, [ontvanger 1] , [ontvanger 2] , [ontvanger 3] en [ontvanger 4] .
1.7.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan de andere partij en aan het hof.
1.8.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende drijft een internationale transportonderneming. In 2018 heeft zij geen personeel in dienst. Zij leende in 2018 personeel in van [B.V.] .
2.2.
Op 27 juli 2017 heeft de ontvanger aan [B.V.] uitstel van betaling verleend voor de aanslagen omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2016 en het eerste kwartaal van 2017, alsmede voor de aanslagen loonheffingen over de maanden juli 2016, oktober 2016, november 2016 en december 2016, naar een bedrag van in totaal € 644.504. Daarbij werd als voorwaarde gesteld dat [B.V.] bij zou blijven met haar nog te ontstane fiscale verplichtingen en dat zij op haar openstaande schuld maandelijks € 75.000 per maand zou aflossen. [B.V.] en een groepsmaatschappij hebben daarbij zekerheid verstrekt door inpandgeving van vorderingen, welk pandrecht op 19 juni 2017 werd geregistreerd.
2.3.
[B.V.] heeft zich aan de voorwaarden voor het uitstel van betaling gehouden en heeft de belastingschulden waarvoor uitstel van betaling was verleend ingelopen. Alleen de laatste ingevolge de betalingsregeling verschuldigde termijn over de maand mei 2018 is uitgebleven.
2.4.
Omdat [B.V.] vanaf mei 2018 niet langer aan haar betalingsverplichtingen voldeed heeft de ontvanger op 5 juni 2018 het uitstel van betaling ingetrokken. Vervolgens heeft hij de (dwang)invordering in gang gezet na mededeling daarvan aan [B.V.] . Op 6 juli 2018 en 11 september 2018 heeft de ontvanger beslag gelegd op de inventaris van [B.V.] . Tegelijkertijd is een invorderingsonderzoek gestart en heeft overleg plaatsgevonden met [B.V.] . Hieruit zijn betaalafspraken voortgekomen waarop de invordering is opgeschort. In een e-mail van 13 september 2018 aan [B.V.] vat de ontvanger de gemaakt afspraken samen:
“Geachte heer A […],
Naar aanleiding van ons gesprek van gisterenmorgen is het mijn gewoonte de gemaakte afspraken nog even vast te leggen. Wij spraken af dat:
• De belastingschulden niet verder zullen oplopen, anders dan met de boeteaanslag voor de omzetbelasting over juli 2017, waarvoor de aangifte te laat is ingediend en betaald. Zodra de betaling van deze aangifte is gedaan ontvang ik van u hiervan het betaalbewijs (bankafschrift);
• Wat gisteren onvoldoende duidelijk aan bod is gekomen betreft de aangifte voor de loonheffingen over de periode 8 van [nummer] , mij was niet helemaal helder wanneer deze betaald moest zijn. De uiterste betaaldatum van die periode was eveneens gisteren, i.c. dus 12 september 2018. Dit betekent dat ik ook voor deze aangifte, die overigens op 11-9-2018 is ingediend, per ommegaande het betaalbewijs (bankafschrift) wil ontvangen. Ook voor deze periode is dus nog een naheffingsaanslag te verwachten, die als u per ommegaande betaald alleen een boete zal bevatten;
• U heeft mij ook toegezegd de factorovereenkomst toe te zenden. Graag ontving ik die uiterlijk
19 september a.s.van u via de mail;
• U heeft mij ook toegezegd de concept jaarrekening 2015-2016 te overhandigen, tot nu toe is alleen 2017 aan ons verstrekt, ook deze ontving ik graag
19 september a.s..
• Nieuwe verplichtingen worden stipt nagekomen, dat geld al voor de hierboven te verwachten twee naheffingsaanslagen voor de OB en LH. Deze aanslagen zijn onvermijdelijk, omdat er te laat is voldaan aan de aangifte c.q. betaalverplichtingen. Zodra de aanslag bij u binnen is zal deze dus binnen de daarop gestelde termijn moeten worden betaald;
De belastingschulden die dan resteren zijn:
(…)
Totaal € 4.506.009,00 [hof: belasting] € 44.146,00 [hof: kosten]
Hierop zijn de betalingen van 5 en 11 september, resp. € 219.272 (F.01.8030) en € 94.473 (A.02.8730) nog niet verwerkt.
In overleg met de ontvanger kan ik u nog mededelen dat deze u tot
uiterlijk 28 september 2018in de gelegenheid stelt om voor de bovenstaande aanslagen een schriftelijk verzoek om een betalingsregeling in te dienen. Dit verzoek dient in ieder geval een gedegen onderbouwing te bevatten en gedekt zijn met voldoende zekerheden. De ontvanger geeft, gelet op het verleden, de voorkeur aan een kortdurende regeling.
Nadrukkelijk wil ik u er nog op wijzendat de hierboven gemaakte afspraken, als ook mijn boekenonderzoek als geheel, geen redenen voor de ontvanger zijn de dwanginvordering op enigerlei wijze op te schorten of te staken. Zolang de ontvanger het bovengenoemde schriftelijke verzoek (inclusief onderbouwing en zekerheden) niet heeft ontvangen bestaat er geen enkele reden om de dwanginvordering voor deze en andere aanslagen aan te houden. Het behoeft, naar ik aanneem, ook geen toelichting dat als bovenstaande afspraken niet worden nagekomen de ontvanger de dwanginvordering met alle haar ten dienste staande middelen zal voortzetten.”.
2.5.
In reactie op de e-mail van 13 september 2018 stuurt [B.V.] een e-mail aan de ontvanger waarin het volgende wordt vermeld:
“(…)
De financiering is mondeling akkoord en wij krijgen uiterlijk volgende week de contracten binnen. Wanneer de contracten zijn getekend en de gelden zijn gestort, zal [B.V.] 1 miljoen euro meteen overmaken op het openstaande bedrag. Het restant bedrag circa € 3 miljoen zouden zij graag in 12 gelijke termijnen willen betalen. Als zekerheid zal [B.V.] de Belastingdienst 1e pandrecht kunnen geven op de niet gefinancierde debiteuren. Dit vertegenwoordigd per heden een waarde van € 4,5 miljoen (zie bijlagen). De zekerheid die wordt gegeven overstijgt de waarde van het totaal openstaande bedrag aan de Belastingdienst.
(…)”
2.6.
Op 31 oktober 2018 heeft een nader overleg plaats gevonden tussen de ontvanger en [B.V.] . Van dat overleg is een gespreksverslag opgemaakt, waarin onder meer het volgende is opgemerkt:
“(…)
Het volgende wordt afgesproken m.b.t. de betaling van de belastingschuld:
-Binnen 7 dagen wordt de 2,5 miljoen euro betaald
-de debiteuren zullen worden verpand
-de debiteurenlijst zal vandaag worden gemaild aan de heer [naam].
-er wordt een pandakte opgemaakt die 1 november 2018 wordt getekend en door [naam]
zal worden geregistreerd bij de belastingdienst in Rotterdam
- vóór 1 december 2018 wordt de volgende termijn van 2,5 miljoen euro betaald
- restant openstaande schuld wordt uiterlijk 31 december 2018 betaald.
(…)”.
2.7.
Op 1 november 2018 heeft de ontvanger zekerheid verkregen door stille verpanding door [B.V.] van vorderingen op debiteuren en alle overige vorderingen (hierna: het pandrecht). De pandakte werd op 2 november 2018 bij de Belastingdienst te Rotterdam geregistreerd.
2.8.
Nadat [B.V.] de betaalafspraken niet nakwam heeft de ontvanger aangekondigd over te gaan tot het openbaar maken van het verkregen pandrecht aan de betreffende debiteuren. Daarop is hij door [B.V.] in kort geding gedagvaard. Ter zitting op 9 januari 2019 bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, is overeengekomen dat [B.V.] uiterlijk op 25 januari 2019 een bedrag van € 6.900.000 zou voldoen, bij gebreke waarvan de ontvanger gerechtigd was om het verleende pandrecht op de debiteuren uit te winnen door openbaarmaking van het pandrecht.
2.9.
Omdat betaling uitbleef heeft de ontvanger op 28 januari 2019 het pandrecht openbaar gemaakt en heeft hij op 8 februari 2019 het faillissement van [B.V.] aangevraagd.
2.10.
[B.V.] is op 19 maart 2019 gefailleerd. Als gevolg van het faillissement is een deel van de belastingschulden van [B.V.] onbetaald gebleven. Nadien is gebleken dat [B.V.] via een (internet)platform reeds in 2017 een groot aantal van haar vorderingen heeft gecedeerd aan een Luxemburgse vennootschap. Zo heeft de curator van [B.V.] in een brief van 21 mei 2019 aan een debiteur geschreven dat hem uit de administratie was gebleken dat debiteuren zowel door de ontvanger als een factoringmaatschappij waren aangeschreven uit hoofde van een (vermeend) pandrecht en/of overdracht van de vordering door middel van cessie, dat dit tot verwarring heeft geleid nu debiteuren niet weten aan wie zij bevrijdend kunnen betalen en dat hij samen met de ontvanger aan het incassobureau opdracht had gegeven om namens alle drie de partijen over te gaan tot het innen van alles wat [B.V.] op de datum van het faillissement te vorderen had.
2.11.
De ontvanger heeft belanghebbende op 25 juli 2022 op grond van artikel 34 IW Pro aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven loon- en omzetbelastingschulden over de periode 26 maart 2018 tot en met 31 december 2018 naar een totaalbedrag van € 109.070 (de onbetaald gebleven belastingschulden). De rechtbank heeft de beschikking aansprakelijkstelling verminderd naar een bedrag ter grootte van € 104.231, heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen, heeft bepaald dat de ontvanger het griffierecht ter grootte van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden en heeft de ontvanger veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 2.187,50 aan proceskosten aan de zijde van belanghebbende.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht, en tot het juiste bedrag, aansprakelijk is gesteld voor de door [B.V.] onbetaald gelaten naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffingen. Meer in het bijzonder richt het geschil zich op de antwoorden op de volgende vragen:
Heeft de ontvanger zodanig onzorgvuldig gehandeld dat hij de bevoegdheid heeft verloren belanghebbende aansprakelijk te stellen?
Staat de disculpatiebepaling uit artikel 34, lid 5, IW aansprakelijkstelling van belanghebbende in de weg?
Heeft de ontvanger gehandeld in strijd met artikel 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM, artikel 14 EVRM Pro, dan wel het evenredigheidsbeginsel?
Zijn de naheffingsaanslagen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld terecht en tot het juiste bedrag vastgesteld?
Is het verdedigingsbeginsel geschonden?
Dient de aansprakelijkstelling te worden verlaagd met nagekomen baten?
Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van werkelijke proceskosten wegens het onzorgvuldig handelen door de ontvanger?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking aansprakelijkstelling. De ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
3.3.
Ter zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk en zonder behoud verklaard dat, indien en voor zover in zijn hogerberoepschrift de stelling moet worden gelezen dat hij van mening is dat artikel 8:42 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) is geschonden, hij deze stelling heeft ingetrokken. Ook de stelling dat de ontvanger heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 10:3, lid 3, Awb is door belanghebbende uitdrukkelijk en zonder behoud ingetrokken.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
i) Heeft de ontvanger zodanig onzorgvuldig gehandeld dat hij de bevoegdheid heeft verloren belanghebbende aansprakelijk te stellen?
4.1.
Belanghebbende stelt dat de ontvanger zijn bevoegdheid om haar aansprakelijk te stellen voor de onbetaald gebleven belastingschulden van [B.V.] is kwijtgeraakt, omdat de schulden in kwestie voortkomen uit een periode waarin de ontvanger met onvoldoende zekerheden genoegen heeft genomen bij [B.V.] . De ontvanger is gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Doordat de ontvanger onvoldoende zekerheden van [B.V.] heeft verlangd, heeft hij gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarbij zijn bevoegdheid tot aansprakelijkstelling van belanghebbende verloren. Belanghebbende voert samengevat de volgende omstandigheden aan:
  • Volgens de ontvanger kent [B.V.] al sinds de oprichting in 2015 betalingsproblemen. De ontvanger was dus een gewaarschuwd mens;
  • De ontvanger had al in 2017 zekerheden van [B.V.] moeten verlangen vanwege oplopende betalingsachterstanden;
  • Eind 2017 en 2018 ontstaan bij [B.V.] snel nieuwe belastingschulden. Met name vanaf de maand april 2018 nemen de achterstanden met forse bedragen toe. Van invorderingsmaatregelen of van uitstel van betaling onder voorwaarden is echter geen sprake. Feitelijk of materieel bezien heeft de ontvanger uitstel van betaling verleend zonder voorwaarden, waaronder het stellen van zekerheden;
  • De beslaglegging op kantoorinventaris met een waarde van circa € 3.000 in september 2018 was onvoldoende tegenover de totale omvang van de openstaande belastingschulden naar een bedrag van € 2.242.070 per 31 augustus 2018;
  • De ontvanger heeft een onderzoek bij [B.V.] afgebroken zonder zekerheden te bedingen, terwijl de ontvanger wel de mogelijkheid had om zekerheden te bedingen;
  • De ontvanger lijkt te berusten in het achterwege laten van verdere invorderingsmaatregelen, terwijl hij aansprakelijkstelling van derden niet schuwt;
  • De ontvanger heeft [B.V.] niet formeel, maar wel materieel uitstel van betaling verleend zonder het stellen van verdere voorwaarden of het verkrijgen van zekerheden;
  • Op 2 november 2018 heeft [B.V.] vorderingen in pand gegeven aan de Belastingdienst. [B.V.] was daar evenwel niet toe bevoegd vanwege een cessie van de vorderingen of een deel daarvan. De ontvanger heeft dit pas veel later - in 2019 bij de uitwinning van het pandrecht - bemerkt.
4.2.
De ontvanger betwist dat hij met minder zekerheden genoegen heeft genomen dan mogelijk was. Allereerst wijst de ontvanger erop dat het uitstel van betaling dat hij bij beschikking met dagtekening 27 juli 2017 heeft verleend aan [B.V.] niet ziet op belastingschulden waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld. Dat uitstel van betaling zag namelijk op openstaande aanslagen loonheffing van belastingjaar 2016 en omzetbelasting van het eerste kwartaal van 2017. De betreffende aanslagen zijn door [B.V.] door middel van een betalingsregeling voldaan. Voor de belastingaanslagen waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld heeft de ontvanger wel degelijk zekerheid gevraagd en verkregen voordat de invordering werd opgeschort. Hij heeft beslag gelegd op de inventaris van [B.V.] en een (stil) pandrecht verkregen op al haar huidige en toekomstige vorderingen. De ontvanger ging ervan uit dat de hoogte van de verpande vorderingen op debiteuren, die de openstaande belastingschuld overtrof, voldoende zekerheid bood om de openstaande belastingschuld te verhalen. Dat later bleek dat de vorderingen gecedeerd waren is de ontvanger niet aan te rekenen, omdat hij mocht vertrouwen op de verklaring van [B.V.] dat zij bevoegd was om de vorderingen in pand te geven. Ter verdere onderbouwing van zijn standpunt dat hij niet onzorgvuldig heeft gehandeld heeft de ontvanger verwezen naar het verloop van de invordering zoals opgenomen in zijn, tot de gedingstukkende behorende, pleitnota bij het kort geding.
4.3.
Het hof overweegt als volgt. Een zorgvuldig gebruik van de beleidsvrijheid van de ontvanger om aan de belastingschuldige uitstel van betaling te verlenen en om daarbij zekerheid te verlangen, brengt mede dat hij daarbij rekening dient te houden met de belangen van derden die op grond van de wet aansprakelijk zijn voor de desbetreffende belastingschuld. In het bijzonder dient de ontvanger bij het verlenen van uitstel van betaling aan de belastingschuldige niet met minder zekerheid genoegen te nemen dan hij bij een behoorlijke uitoefening van zijn taak zou hebben verlangd indien de wet hem niet de mogelijkheid zou hebben geboden derden voor die schuld aan te spreken. Indien de ontvanger in strijd met deze regel toch uitstel van betaling heeft verleend voor de aanslag, kan hij de aansprakelijke derde niet aansprakelijk houden voor zover de vennootschap ter gelegenheid van het verlenen van het betalingsuitstel zekerheid had kunnen verschaffen. [1] Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de ontvanger het bewijs levert dat, of in hoeverre, de belastingschuldige geen zekerheid kon bieden voor de betaling van de belastingschuld waarvoor belanghebbende aansprakelijk wordt gesteld. [2]
4.4.
Op 27 juli 2017 heeft de ontvanger aan [B.V.] uitstel van betaling verleend voor belastingschulden waarvoor belanghebbende overigens niet aansprakelijk is gesteld, waarbij zekerheden zijn bedongen en een betalingsregeling is overeengekomen, welke betalingsregeling door [B.V.] tot en met april 2018 is nagekomen. Omdat [B.V.] daarna niet meer aan haar betalingsverplichtingen voldeed, is uitstel van betaling ingetrokken, (dwang)invordering in gang gezet, beslag gelegd op inventaris (uiteindelijk door curator verkocht voor € 7.825,70), een invorderingsonderzoek gestart en zijn afspraken gemaakt met [B.V.] . In de e-mail van 13 september 2018 (zie 2.4) bevestigt de ontvanger aan [B.V.] de afspraak dat zij ( [B.V.] ) de factoringovereenkomst zal toezenden. Het staat vast dat [B.V.] de overeenkomst volgend op de e-mail van 13 september 2018 niet heeft toegezonden aan de ontvanger. In een e-mail van 28 september 2018 van [B.V.] staat dat zij een debiteurenlijst en een lijst met vorderingen verstrekt aan de ontvanger met een waarde van € 4,5 miljoen die niet onder de factoringovereenkomst zouden vallen. Volgens de ontvanger was dit bedrag hoger dan de op dat moment openstaande belastingschulden. De ontvanger heeft in hoger beroep toegelicht dat uit deze e-mail blijkt dat er bewijsstukken zijn overgelegd op basis waarvan de ontvanger destijds de gegeven zekerheid heeft aanvaard, maar dat hij de inhoud van deze stukken niet meer heeft kunnen achterhalen. Ter zekerheid van de nog onbetaald gebleven naheffingsaanslagen is vervolgens een pandrecht gevestigd op de, onder meer, op de lijst van [B.V.] vermelde vorderingen. Volgens de ontvanger is in de akte van verpanding verklaard dat de vorderingen niet reeds waren bezwaard. Naar later is gebleken was [B.V.] evenwel niet bevoegd met betrekking tot alle of een deel van de in pand gegeven vorderingen (zie 2.10).
4.5.
Naar het oordeel van het hof heeft de ontvanger niet aannemelijk gemaakt dat hij niet met minder zekerheid genoegen heeft genomen dan van hem bij een behoorlijke uitoefening van zijn taak mag worden verlangd. De ontvanger heeft daarmee onzorgvuldig gehandeld. Bij het vestigen van het pandrecht had de ontvanger zich ervan moeten vergewissen of, en in hoeverre, [B.V.] bevoegd was met betrekking tot de in pand gegeven vorderingen. De ontvanger was reeds eerder, te weten in september 2018, bekend geworden met het feit dat [B.V.] (een deel van) haar vorderingen had gecedeerd aan een derde. Van een zorgvuldig handelend ontvanger mag worden verwacht dat die onder die omstandigheden nagaat of [B.V.] bevoegd was een pandrecht te vestigen op de vorderingen. De verwijzing naar de verklaring van [B.V.] dat zij bevoegd was om de vorderingen te verpanden die niet reeds onderwerp waren van een financiering, is daartoe onvoldoende. Dit klemt temeer nu de ontvanger in zijn e-mail van 13 september 2018 de met [B.V.] gemaakte afspraak heeft bevestigd, inhoudende dat [B.V.] de factoringovereenkomst aan de ontvanger zou toezenden. Hierbij neemt het hof ook in ogenschouw dat [B.V.] in de zomer van 2018 ook al invorderingsmaatregelen heeft moeten treffen. Het hof volgt belanghebbende in haar stelling dat de ontvanger feitelijk uitstel van betaling heeft verleend in de periode 13 september 2018 tot en met 1 november 2018, de datum van vestiging van het pandrecht. Ter zitting bij het hof heeft de ontvanger hierover verklaard dat de invordering jegens [B.V.] is opgeschort en dat deze periode van circa 6 weken nodig was om zekerheden te bedingen. Naar het oordeel van het hof had van een zorgvuldig handelend ontvanger verwacht mogen worden dat hij onverwijld zijn rechten zou hebben veilig gesteld door zijn bevoegdheden jegens [B.V.] uit te oefenen en [B.V.] opnieuw te verzoeken om de relevante boeken en bescheiden, waaronder de factoringsovereenkomst, aan hem beschikbaar te stellen. De ontvanger verschaft geen inzicht in het antwoord op de vraag waarom is nagelaten een dergelijk verzoek bij [B.V.] te doen. Ook ter zitting bij het hof kon de ontvanger hierover geen duidelijkheid verschaffen. Had de ontvanger zich vergewist van de inhoud van de factoringovereenkomst, dan was het op dat moment duidelijk geworden dat het verstrekte pandrecht volstrekt onvoldoende was om te dienen tot zekerheid van de belastingschulden van [B.V.] . Het had dan op de weg van de ontvanger gelegen om andere zekerheden te verlangen, dan wel invorderingsmaatregelen te nemen. Nu de ontvanger geen feiten en omstandigheden heeft gesteld, die tot de conclusie moeten leiden dat hij ook geen andere zekerheden van [B.V.] kon bedingen voor de betaling van de belastingschuld waarvoor belanghebbende aansprakelijk is gesteld, moet ervan uit worden gegaan dat hij belanghebbende niet aansprakelijk had kunnen stellen.
4.6.
Het voorgaande betekent dat de ontvanger de bevoegdheid heeft verloren om belanghebbende als inlener aansprakelijk te stellen voor de openstaande belastingschulden van [B.V.] . Het hof zal het hoger beroep van belanghebbende gegrond verklaren en de beschikking aansprakelijkstelling vernietigen. De overige stellingen van belanghebbende met betrekking tot de aansprakelijkstelling (vragen ii tot en met vi) behoeven daarmee geen behandeling meer.
vii. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van werkelijke proceskosten wegens het onzorgvuldig handelen door de ontvanger?
4.7.
Belanghebbende stelt recht te hebben op vergoeding van de werkelijke proceskosten wegens het onzorgvuldig handelen van de ontvanger.
4.8.
Het hof overweegt dat de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft. Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt echter op zichzelf geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid, 3 Bpb voor een hogere vergoeding.
4.9.
Het hof ziet geen reden om over te gaan tot het vergoeden van de werkelijke kosten van belanghebbende die zijn gemaakt. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie leiden dat sprake is van bijzondere omstandigheden, van in vergaande mate onzorgvuldig handelen aan de zijde van de ontvanger of van tegen beter weten in procederen door de ontvanger. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering. [3]
Tussenconclusie
4.10.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding
4.11.
Belanghebbende heeft het hof verzocht om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor beslechting van dit belastinggeschil in hoger beroep.
4.12.
Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hogerberoepschrift door het hof is ontvangen. [4]
4.13.
Het hof stelt vast dat het hogerberoepschrift is ingekomen op 15 juli 2024. Het hof doet binnen twee jaar na die datum uitspraak, zodat de redelijke termijn voor beslechting van het geschil in hoger beroep niet is overschreden.
Ten aanzien van het griffierecht
4.14.
De ontvanger dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.15.
Het hof veroordeelt de ontvanger tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.16.
Het hof stelt de tegemoetkoming in hoger beroep op 2 (punten) [5] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.
4.17.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Bpb Pro heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de beschikking aansprakelijkstelling;
  • vernietigt de beschikking aansprakelijkstelling;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af;
  • bepaalt dat de ontvanger het griffierecht van € 559 aan belanghebbende moet vergoeden;
  • veroordeelt de ontvanger tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan belanghebbende.
De uitspraak is gedaan door J. Wessels, voorzitter, M.E. Smorenburg en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E.A.D. Dockx J. Wessels
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2496 en vergelijk Hoge Raad 27 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:468.
2.Hoge Raad 11 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5398.
3.Hoge Raad 30 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2060; Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2995 en Hoge Raad 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:4.
4.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
5.1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Bpb.