Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:1028

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
24/1704
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.8 Wet IB 2001Art. 8.17 lid 2 Wet IB 2001Art. 2.18 Wet IB 2001Art. 7.2 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak over ouderenkorting bij binnenlandse en buitenlandse perioden

Belanghebbende woonde in 2021 deels in Nederland en deels in Frankrijk en ontving een pensioen en AOW-uitkering met een totaal inkomen van €66.981. De inspecteur legde een aanslag op met een verzamelinkomen van €16.745, het inkomen uit de binnenlandse periode, en verleende geen ouderenkorting.

Belanghebbende maakte bezwaar en kreeg bij de rechtbank gelijk, waarna de inspecteur hoger beroep instelde. Het geschil betrof of het buitenlandse inkomen ook moest worden meegeteld voor de ouderenkorting.

Het hof oordeelde dat volgens de wet en een arrest van de Hoge Raad het wereldinkomen in de binnenlandse periode en het Nederlandse inkomen in de buitenlandse periode in beginsel meetellen. Echter, omdat de inspecteur het verzamelinkomen op de aanslag niet ambtshalve had aangepast, moest het lagere bedrag van €16.745 worden aangehouden.

Daarmee is de ouderenkorting vastgesteld op €427. Het hoger beroep van de inspecteur werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de inspecteur veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de inspecteur ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat de ouderenkorting wordt berekend op basis van het verzamelinkomen vermeld op de aanslag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1704
Uitspraak op het hoger beroep van
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 oktober 2024, nummer BRE 23/3736, in het geding tussen
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] (Frankrijk),
(gemachtigde [gemachtigde] )
hierna: belanghebbende,
en
de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente vergoed.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Partijen hebben nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende woonde van 1 januari 2021 tot 1 april in 2021 in Nederland (hierna: de binnenlandse periode) en van 1 april 2021 tot en met 31 december 2021 in Frankrijk (hierna: de buitenlandse periode).
2.2.
Belanghebbende is in de binnenlandse periode verzekerd voor de volksverzekeringen. Belanghebbende wordt in de buitenlandse periode niet aangemerkt als kwalificerend buitenlands belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).
2.3.
Belanghebbende heeft in 2021 inkomsten genoten ten bedrage van € 66.981 bestaande uit een pensioenuitkering van [stichting] van € 55.961 (hierna: het pensioen) en een AOW-uitkering van € 11.020. Van het genoten inkomen is een bedrag van € 16.745 (zijnde 3/12 deel van € 66.981) genoten in de binnenlandse periode en het restant (€ 50.236) is toe te rekenen aan de buitenlandse periode. Belanghebbende heeft de inkomsten dienovereenkomstig in de aangifte IB/PVV 2021 verantwoord.
2.4.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag IB/PVV 2021 opgelegd (hierna: de aanslag). Bij gelijktijdige beschikking heeft de inspecteur belastingrente vergoed van € 105.
Bij deze aanslag is IB geheven naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.745 en PVV over een herleid premie-inkomen van € 8.985 waarbij is uitgegaan van premieplicht gedurende de periode 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021. Bij het vaststellen van de aanslag is geen ouderenkorting verleend. Op de aanslag staat een verzamelinkomen vermeld van € 16.745.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of, en zo ja tot welk bedrag, belanghebbende recht heeft op de ouderenkorting.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert primair tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank op de grond dat belanghebbende in het geheel geen recht heeft op de ouderenkorting. Subsidiair concludeert de inspecteur dat in ieder geval geen recht bestaat op het premiedeel van de ouderenkorting.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
Op grond van artikel 8.17, lid 2, Wet IB 2001 (tekst 2021) bedraagt de ouderenkorting € 1.703, verminderd, doch niet verder dan tot nihil met 15% van het verzamelinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 37.970.
4.2.
Het begrip verzamelinkomen is in artikel 2.18 Wet IB 2001 omschreven als het gezamenlijke bedrag van:
a. het inkomen uit werk en woning;
b. het inkomen uit aanmerkelijk belang, en
c. het belastbare inkomen uit sparen en beleggen,
verminderd met daarin begrepen te conserveren inkomen.
4.3.
Partijen verschillen van mening met betrekking tot het antwoord op de vraag of het in de buitenlandse periode genoten inkomen van € 50.236 mee moet worden genomen bij het bepalen van de hoogte van het verzamelinkomen.
4.4.
De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat ook het in de buitenlandse periode genoten inkomen moet worden meegenomen als onderdeel van het verzamelinkomen omdat al het inkomen afkomstig is uit een nationaalrechtelijke bron en er nationaalrechtelijke belastingplicht bestaat over dat inkomen. Dat de heffing over dit inkomen op basis van het Verdrag [1] uitsluitend aan Frankrijk is toegewezen en daarom in Nederland niet daadwerkelijk aan heffing is onderworpen doet daar niet aan af, aldus de inspecteur.
Subsidiair betoogt de inspecteur dat het Verdrag geen werking heeft voor de premieheffing zodat belanghebbende in ieder geval geen recht heeft op het premiedeel van de ouderenkorting.
4.5.
Belanghebbende betoogt dat hij recht heeft op de ouderenkorting van € 427 over de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 omdat moet worden uitgegaan van een verzamelinkomen van € 16.745, te weten het belastbaar inkomen uit de binnenlandse periode. Omdat in artikel 7.2 Wet IB 2001 wordt gesproken over “inkomen uit werk en woning in Nederland” kan het inkomen vanaf 1 april 2021 niet worden aangemerkt als in Nederland genoten inkomen en moet het buiten beschouwing worden gelaten, aldus belanghebbende.
Daarnaast stelt belanghebbende dat sprake is van gewekt vertrouwen omdat de aanslag een verzamelinkomen van € 16.745 vermeldt.
4.6.
Beide partijen verwijzen ter onderbouwing van hun standpunten naar het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2024 [2] (hierna: het arrest van 22 maart 2024) waarin de Hoge Raad een prejudiciële vraag heeft beantwoord van de rechtbank Zeeland-West-Brabant [3] . De Hoge Raad overwoog in dat arrest als volgt:
“5.7. Bij het ontbreken van aanwijzingen in de tekst van de wet en in de wetsgeschiedenis, is voor de uitleg van het begrip verzamelinkomen het systeem van de wet bepalend.
(…)
5.14.
Een uitleg in overeenstemming met het systeem van de wet brengt mee dat de uitleg van artikel 8.17 Wet IB 2001 zo consistent mogelijk moet zijn ten opzichte van (i) de hiervoor in 5.10 tot en met 5.12 besproken andere bepalingen over inkomensafhankelijke heffingskortingen in hoofdstuk 8 Wet IB 2001, en (ii) de hiervoor in 5.13 vermelde bepalingen in hoofdstuk 9 van die wet. In overeenstemming met het hiervoor in 5.8 vermelde uitgangspunt van de Wet IB 2001 brengt dit mee dat het in artikel 8.17, lid 2, Wet IB 2001 in het kader van de ouderenkorting bedoelde begrip verzamelinkomen, zoals gedefinieerd in artikel 2.18 van die wet, bij gebreke van een afwijkende bijzondere regeling zoals artikel 7.2, lid 18, Wet IB 2001, beperkt blijft tot – kort gezegd – inkomen uit Nederlandse bron, ook voor zover het gaat om het inkomen uit werk en woning en het inkomen uit aanmerkelijk belang. Meer concreet houdt dit in dat deze onderdelen van het verzamelinkomen bij niet-kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen slechts bestaan uit het in hoofdstuk 7 Wet IB 2001 (de afdelingen 7.2 en 7.3) bedoelde belastbare inkomen uit werk en woning in Nederland respectievelijk het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap.”
4.7.
Naar het oordeel van het hof volgt uit het arrest van 22 maart 2024 dat voor het bepalen van de hoogte van het verzamelinkomen in het onderhavige geval moet worden uitgegaan van het wereldinkomen in de binnenlandse periode en het Nederlandse inkomen in de zin van hoofdstuk 7 van de Wet IB 2001 in de buitenlandse periode. Tussen partijen is terecht niet in geschil dat het inkomen van belanghebbende over de buitenlandse periode is aan te merken als belastbaar inkomen uit werk en woning als bedoeld in artikel 7.2 Wet IB 2001 [4] . Dat betekent dat in dit geval ook het inkomen in de buitenlandse periode moet worden meegenomen bij het bepalen van de hoogte van het verzamelinkomen. Het hof merkt op dat onderhavige zaak een andere feitelijke situatie betreft dan de zaak die heeft geleid tot het arrest van 22 maart 2024. In die zaak was namelijk sprake van een buitenlandse belastingplichtige die zowel inkomstenbestanddelen genoot die in Nederland belastbaar waren op grond van hoofdstuk 7 Wet IB 2001 als inkomstenbestanddelen die niet op grond van hoofdstuk 7 Wet IB 2001 belastbaar waren in Nederland. [5]
Dat het heffingsrecht over het inkomen in de buitenlandse periode (uitsluitend) aan Frankrijk is toegewezen doet hier niet aan af. Die omstandigheid neemt namelijk niet weg dat dit inkomen kwalificeert als belastbaar inkomen uit werk en woning in Nederland als bedoeld in artikel 7.2 Wet IB 2001. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de Hoge Raad zich in het arrest van 22 maart 2024 niet heeft uitgelaten over de eventuele invloed van een belastingverdrag op de hoogte van het verzamelinkomen. Het hof ziet ook overigens geen aanleiding om de op grond van een belastingverdrag objectvrijgestelde inkomsten, die in beginsel op grond van artikel 7.2 Wet IB 2001 belastbaar zijn in Nederland, buiten beschouwing te laten bij de bepaling van de hoogte van het verzamelinkomen.
4.8.
Het voorgaande betekent dat voor het bepalen van de hoogte van de ouderenkorting in beginsel moet worden uitgegaan van een verzamelinkomen van € 66.981. Het hof stelt echter vast, en belanghebbende heeft daar ook op gewezen, dat op het aanslagbiljet een verzamelinkomen staat vermeld van € 16.745. Niet gebleken is dat de inspecteur het verzamelinkomen over 2021 nadien heeft gewijzigd naar € 66.981. De vraag komt op welk gevolg dit moet hebben voor de hoogte van de ouderenkorting. Het hof acht in dit kader van belang dat (i) het verzamelinkomen zoals vermeld op de aanslag een voor bezwaar vatbare beschikking betreft, (ii) het verzamelinkomen op het aanslagbiljet het authentieke inkomensgegeven vormt voor de Basisregistratie Inkomen, en (iii) de hoogte van de ouderenkorting op grond van artikel 8.17, lid 2, Wet IB 2001 direct gekoppeld is aan de hoogte van het verzamelinkomen. Omdat het verzamelinkomen zoals vermeld op het aanslagbiljet zo’n belangrijk gegeven is, mag van de inspecteur verwacht worden dat hij, een in zijn visie onjuist verzamelinkomen op een aanslagbiljet, herstelt door het verzamelinkomen ambtshalve te wijzigen. Indien hij dit niet doet, moeten de gevolgen daarvan naar het oordeel van het hof voor zijn rekening en risico komen. In dit geval betekent dit dat het hof van oordeel is dat voor de bepaling van de hoogte van de ouderenkorting moet worden uitgegaan van het op de aanslag vermelde verzamelinkomen van € 16.745. Tussen partijen is niet in geschil dat hiervan uitgaande de ouderenkorting € 427 bedraagt. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel behoeft dan geen behandeling meer.
Tussenconclusie
4.9.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
Ten aanzien van het griffierecht
4.10.
Omdat de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de inspecteur ter zake van diens hoger beroep een griffierecht geheven van € 559.
Ten aanzien van de proceskosten
4.11.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door de inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 1 punt (voor het verweerschrift) x 1 (factor gewicht van de zaak) x € 934 (waarde per punt) = € 934.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
  • bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 559;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 934.
De uitspraak is gedaan door C.W.M.M. Verkoijen, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van R.J.M. de Fouw, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R.J.M. de Fouw C.W.M.M. Verkoijen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Franse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 29 maart 1974.
4.Het pensioen op grond van artikel 7.2, lid 2, letter b, (‘het belastbaar loon ter zaken van in Nederland verrichten of hebben verricht van arbeid’) Wet IB 2001 en de AOW-uitkering op grond van artikel 7.2, lid 2, letter e, Wet IB 2001 (‘de rechten op periodieke uitkeringen en verstrekkingen van publiekrechtelijke aard van of namens een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon;’)
5.Het hof leidt dit af uit onderdeel 3.1 van het arrest van 22 maart 2024 en de schriftelijke opmerkingen van belanghebbende in die zaak zoals opgenomen in de onderdelen 4.2. en 4.3. van aan het arrest voorafgaande conclusie van A-G Koopman.