Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2025:3628

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/268
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h, lid 3, Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 30, lid 1, Wet WOZArt. 6:19, lid 1, AwbArt. 30a, lid 4, Wet WOZArt. 4:17, lid 1 en 3, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen WOZ-beschikking en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding

Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2021 door de heffingsambtenaar zijn vastgesteld. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd de zaak deels in het voordeel van belanghebbende beslist, waarbij een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd toegekend.

Tijdens het hoger beroep stelde de heffingsambtenaar opnieuw uitspraak op bezwaar, terwijl de schorsende werking van het hoger beroep dit niet toestond. Het hof vernietigde deze nieuwe uitspraak op bezwaar en bevestigde dat pas na onherroepelijkheid van het hoger beroep opnieuw uitspraak op bezwaar kan worden gedaan.

Het hof stelde vast dat de rechtbank de vergoeding voor immateriële schade te laag had vastgesteld en verhoogde deze conform het overgangsrecht van de Hoge Raad naar € 1.000, verdeeld over bezwaarfase en beroepsfase. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over een verbeurde dwangsom wegens het niet tijdig geven van uitspraak op bezwaar. Daarnaast werd het griffierecht en proceskostenvergoeding aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de nieuwe uitspraak op bezwaar vernietigd, de vergoeding immateriële schade verhoogd en wettelijke rente over de dwangsom toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/268
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 17 januari 2024, nummer SHE 22/1055, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond,
hierna: de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2021 bekendgemaakt.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025 in ’s-Hertogenbosch. Voor de zitting hebben de gemachtigde van belanghebbende en de heffingsambtenaar schriftelijk laten weten dat zij niet zullen verschijnen. Op deze zitting is gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaak met nummer 24/576.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een woning met een oppervlakte van 157 m2, een garage, een kelder met een oppervlakte van 234 m2 en een tuinhuis. De grondoppervlakte bedraagt 1.075 m2.
2.2.
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per waardepeildatum 1 januari 2020 vastgesteld op € 784.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar, zonder belanghebbende te horen, de waarde van de onroerende zaak verlaagd tot € 772.000 en de aanslag evenredig verminderd.
2.3.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing op het bezwaarschrift teruggewezen naar de heffingsambtenaar.
Aan belanghebbende is een vergoeding voor proceskosten in beroep en een vergoeding van griffierecht toegekend, te vermeerderen met de wettelijke rente bij niet tijdige betaling.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting van het geschil is overschreden met ongeveer 10 maanden. De rechtbank heeft de omvang van de door belanghebbende verzochte vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bepaald op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden en in dit geval vastgesteld op in totaal € 100, waarvan de heffingsambtenaar 6/10 dient te betalen (€ 60) en de minister het overige deel (€ 40).
2.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld.
2.6.
De heffingsambtenaar heeft tijdens de procedure in hoger beroep opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan. Bij die uitspraak heeft de heffingsambtenaar, nadat een telefonische hoorzitting had plaatsgevonden, de waarde van de onroerende zaak verlaagd tot € 699.000 en de aanslag evenredig verminderd.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
i) had de heffingsambtenaar tijdens de procedure in hoger beroep opnieuw uitspraak op bezwaar mogen doen?
ii) heeft de rechtbank de hoogte van de vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn op een te laag bedrag vastgesteld?
iii) is de heffingsambtenaar aan belanghebbende wettelijke rente verschuldigd over de verbeurde dwangsom?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de rechtbank voor zover bestreden. De heffingsambtenaar heeft geen verweer gevoerd.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Had tijdens het hoger beroep opnieuw uitspraak op bezwaar mogen worden gedaan?
4.1.
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin de bestreden uitspraak op bezwaar is vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing op het bezwaarschrift is teruggewezen naar de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar tijdens de procedure in hoger beroep opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan.
4.2.
In de wet is bepaald dat de werking van een uitspraak van de rechtbank wordt opgeschort totdat, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep onherroepelijk is beslist. [1]
4.3.
Belanghebbende heeft er dan ook terecht op gewezen dat de heffingsambtenaar, gelet op de schorsende werking van het hoger beroep, nog geen gevolg had mogen geven aan de uitspraak van de rechtbank en nog niet opnieuw uitspraak op bezwaar had mogen doen.
4.4.
Belanghebbende heeft verzocht om de nieuwe uitspraak op bezwaar te betrekken bij deze hoger beroepsprocedure. Het hof gaat er daarom vanuit dat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep mede is gericht tegen de nieuwe uitspraak op bezwaar. [2] Het hoger beroep moet, voor zover het is gericht tegen de nieuwe uitspraak op bezwaar, gegrond worden verklaard en de nieuwe uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd. [3]
4.5.
Het voorgaande betekent dat de heffingsambtenaar pas na het onherroepelijk worden van deze uitspraak van het hof opnieuw uitspraak op bezwaar kan doen.
Hoogte vergoeding van immateriële schade
4.6.
Belanghebbende heeft de rechtbank op 3 augustus 2023 schriftelijk verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft in de uitspraak van 24 januari 2024 overwogen dat de redelijke termijn die geldt voor de bezwaar- en beroepsfase is overschreden met ongeveer tien maanden, voor 6/10e deel toe te rekenen aan de bezwaarfase en voor het overige aan de beroepsfase. Deze overschrijding is in hoger beroep niet in geschil. Dat betekent dat, behoudens bijzondere omstandigheden, moet worden verondersteld dat belanghebbende immateriële schade heeft geleden. [4]
4.7.
Het hof stelt vast dat het overgangsrecht zoals de Hoge Raad dat heeft geformuleerd in zijn uitspraak van 14 juni 2024 [5] van toepassing is. Het hof moet daarom als uitgangspunt nemen dat belanghebbende in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade nu het financiële belang bij de gevoerde procedure ten minste € 15 bedraagt en dat, behoudens wettelijke uitzonderingen, voor de schadevergoeding een tarief dient te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Van een wettelijke uitzondering is geen sprake.
4.8.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de vergoeding op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar bepalend geacht dat het bedrag in lijn is met de ontwikkelingen in de jurisprudentie inzake de omvang van de toe te kennen immateriële schadevergoeding. Het hof heeft op dit punt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2024 [6] en het door de Hoge Raad geformuleerde overgangsrecht ten aanzien van de bagatelgrens, heeft de rechtbank de hoogte van de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ten onrechte bepaald op € 50 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Het hof heeft geen aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor een beperking van de schadevergoeding van € 500 per halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden.
4.9.
De redelijke termijn is aangevangen op 10 maart 2021 en de rechtbank heeft op 17 januari 2024 uitspraak gedaan. Als uitgangspunt voor de berechting van de zaak geldt dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied als de rechtbank niet binnen twee jaar na aanvang van die termijn uitspraak doet. [7] Dit betekent dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden met ruim 10 maanden. Deze overschrijding van afgerond tweemaal een halfjaar is reden voor een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.000, voor 6/10e deel toe te rekenen aan de bezwaarfase (€ 600) en voor het overige aan de beroepsfase (€ 400). Deze bedragen moet worden betaald op een bankrekening op naam van belanghebbende. [8] Op de verschuldigde bedragen aan vergoeding van immateriële schade komen reeds uitbetaalde bedragen in mindering.
4.10.
Belanghebbende verzoekt in hoger beroep om vergoeding van wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade, te berekenen vanaf vier weken na de uitspraak van de rechtbank. Het hof stelt vast dat belanghebbende de rechtbank tijdens de procedure in beroep niet heeft verzocht om de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade toe te kennen. Het hof zal daarom bepalen dat belanghebbende recht heeft op de vergoeding van de wettelijke rente daarover vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak. [9]
Wettelijke rente over verbeurde dwangsommen
4.11.
Belanghebbende heeft de rechtbank tijdens de procedure in beroep verzocht om de wettelijke rente over de op grond van de schriftelijke ingebrekestelling van 14 februari 2022 verbeurde dwangsom wegens het niet tijdig geven van de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft bij besluit van 5 oktober 2022 beslist op de ingebrekestelling in die zin dat belanghebbende, omdat op 28 maart 2022 uitspraak op bezwaar was gedaan, recht heeft op een dwangsom van € 812 (14 dagen x € 23 en 14 dagen x € 35). De rechtbank heeft niet geoordeeld over de daarover verzochte wettelijke rente. Belanghebbende verzoekt het hof om hierover alsnog te beslissen.
4.12.
Het hof stelt vast dat belanghebbende de rechtbank heeft verzocht de heffingsambtenaar te verplichten tot betaling van wettelijke rente over de verbeurde dwangsom. De rechtbank heeft ten onrechte geen gevolg gegeven aan het verzoek van belanghebbende.
4.13.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 december 2020 met betrekking tot de ingangsdatum van wettelijke rente over de dwangsom geoordeeld: [10]
“(…) 3.3. Artikel 4:18 Awb Pro bepaalt dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van een ingevolge artikel 4:17 Awb Pro verschuldigde dwangsom vaststelt bij beschikking binnen twee weken na de laatste dag waarover die dwangsom verschuldigd was. Ervan uitgaande dat de heffingsambtenaar op 2 januari 2017 in gebreke is gesteld, is 27 februari 2017 de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was ingevolge artikel 4:17, lid 1 en 3, Awb. De heffingsambtenaar had ingevolge artikel 4:18 Awb Pro, uiterlijk op 13 maart 2017, de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking moeten vaststellen. (…)”
4.14.
Gelet op de ingebrekestelling van 14 februari 2022 is de laatste dag waarover de heffingsambtenaar de dwangsom was verschuldigd 11 april 2022. [11] De heffingsambtenaar had binnen twee weken na die laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd was de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking moeten vaststellen. [12] Dat houdt in dat de heffingsambtenaar uiterlijk 25 april 2022 de dwangsombeschikking had moeten geven. Het hof bepaalt dat de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 25 april 2022 over de dwangsom van € 812 zoals door de heffingsambtenaar is vastgesteld en door belanghebbende niet is betwist.
Tussenconclusie
4.15.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.16.
De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank gedeeltelijk wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.17.
Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.18.
Het hof stelt de tegemoetkoming voor de hoger beroepsfase op 1 punt [13] x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) [14] is € 226,75.
4.19.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5.Beslissing

Het hof:
- verklaart het hoger beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissing over de vergoeding van immateriële schade en het achterwege laten van een beslissing over de wettelijke rente over de dwangsom;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 25 januari 2025;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 600, onder verrekening van het al uitbetaalde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dag van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
- veroordeelt de minister tot vergoeding van immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 400, onder verrekening van het al uitbetaalde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dag van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar wettelijke rente over de dwangsom van € 812 is verschuldigd met ingang van 25 april 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 226,75.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
J.H.M. van Ooijen M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Art. 27h, lid 3, Algemene wet inzake rijksbelastingen, met betrekking tot de WOZ-beschikking van overeenkomstige toepassing op grond van art. 30, lid 1, Wet WOZ.
2.Art. 6:19, lid 1, Awb.
3.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 23 december 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ1366, 4.1 t/m 4.3.
4.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:252, onder 3.9.1.
5.Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, onder 3.5.
6.Hoge Raad 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1299.
7.Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:252.
8.Artikel 30a, lid 4, Wet WOZ.
9.Hoge Raad 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623.
10.HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2038, zie ook HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1774, onder 2.3.1.
11.Art. 4:17, lid 1 en 3, Awb.
12.Art. 4:18 Awb Pro.
13.1 punt voor beroepschrift in hoger beroep, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
14.Zie de bijlage bij de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524, onderdeel 1.2.