Belanghebbenden, buitenlandse beleggingsfondsen gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Luxemburg, hebben verzoeken ingediend om teruggaaf van ingehouden Nederlandse dividendbelasting op dividenden van Nederlandse vennootschappen. De inspecteur heeft deze verzoeken afgewezen, waarna belanghebbenden bezwaar maakten en vervolgens beroep instelden bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde deze beroepen ongegrond. Belanghebbenden gingen in hoger beroep bij het hof.
Het hof heeft het hoger beroep behandeld zonder zitting, waarbij partijen geen gebruik maakten van hun recht om gehoord te worden. Het hof bevestigt de eerdere uitspraken van de rechtbank en oordeelt dat belanghebbenden geen recht hebben op teruggaaf van dividendbelasting. Dit oordeel is gebaseerd op recente arresten van de Hoge Raad waarin is vastgesteld dat het niet verlenen van teruggaaf aan buitenlandse beleggingsinstellingen gerechtvaardigd kan zijn ter behoud van de interne samenhang van het Nederlandse belastingstelsel, mits het proportionaliteitsbeginsel wordt gerespecteerd.
Daarnaast oordeelt het hof dat in gevallen van vrijgestelde participanten en beleggingsfondsen met één participant geen recht op teruggaaf bestaat. Verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn worden afgewezen vanwege bijzondere omstandigheden en lopende prejudiciële procedures. Het hof ziet geen reden tot vergoeding van griffierecht of proceskosten en bevestigt daarmee de uitspraken van de rechtbank.