Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
[verdachte] ,
- primair verzocht het onderzoek te schorsen teneinde nader onderzoek te laten uitvoeren (horen van getuigen en inzage in/verstrekken van stukken, nader genoemd in de pleitnota onder punt 94);
- subsidiair een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het stellen van prejudiciële vragen.
- bepleit dat het hof de verdachte, evenals de rechtbank, dient vrij te spreken van het onder 1 tenlastegelegde;
- vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde;
- een strafmaatverweer gevoerd.
hij in of omstreeks de periode van 7 maart 2018 tot en met 21 november 2019 in Oss tezamen en in vereniging met een of meer anderen een personenauto, BMW type 520i, kenteken [kenteken 1] , heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of voorhanden krijgen van voornoemd voertuig wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
hij op of omstreeks 18 mei 2020 te Ede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, zijnde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen
(hierna: EU-Handvest), het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden
(hierna: EVRM).Verder is gewezen op EU-richtlijnen en op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie
(hierna: Hof van Justitie van de EU)en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
(hierna: EHRM).De essentie van het Europees systeem van rechtsregels is rechtsbescherming. Volgens de verdediging wordt door veel juristen ten onrechte gemeend dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in de weg staat aan het geven van doeltreffend commentaar op de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van bewijsmateriaal in [berichtendienst] -zaken op basis van deze rechtsregels in het kader van rechtsbescherming van burgers. Daarover wordt het volgende naar voren gebracht.
‘effective remedy’van art 13 EVRM Pro dat daarin is geabsorbeerd. De ontvangende/vervolgende lidstaat (Nederland) blijft in de visie van de raadsman verantwoordelijk voor rechtsbescherming van haar burgers en dus voor de beoordeling van het rechtmatig
gebruikvan het bewijsmateriaal aan de hand van de eigen rechtsregels, met inachtneming van het fundamentele recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro. Deze rechtsbescherming dient aldus plaats te vinden in Nederland en niet in Frankrijk. De verdediging meent dat de manier waarop het bewijsmateriaal (door de Fransen) is vergaard en verwerkt, moet worden gekend en getoetst, zodat de verdediging effectief commentaar kan geven op de (betwiste) betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal.
- dat hij niet de gebruiker was van het aan hem toegeschreven [berichtendienst] -account;
- dat het feit niet is begaan;
- dat de verdachte een andere rol had dan de aan hem tenlastegelegde rol.
‘a similar domestic case’zou zijn afgegeven. De verdediging stelt in dat kader, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 30 april 2024 (ECLI:EU:C:2024:372), dat op grond van artikel 31 van Pro de EOB (Europees onderzoeksbevel)-richtlijn (Richtlijn 2014/41/EU) ten aanzien van [berichtendienst] een kennisgeving aan Nederland had moeten worden gezonden van de interceptie die plaatsvond op Nederlands grondgebied. De richtlijn dient niet enkel ter bescherming van de soevereiniteit van het land op wiens grondgebied de interceptie plaatsvindt, maar ook de rechtsbescherming van de burger die door een dergelijke interceptiemaatregel wordt getroffen. Naar aanleiding van de kennisgeving dient er een toets plaats te vinden volgens Nederlands recht waarbij ook de belangen van de betrokken individuen worden meegewogen. De genotificeerde lidstaat dient zich ervan te verzekeren dat het gegarandeerde niveau van rechtsbescherming in de genotificeerde lidstaat niet wordt ondermijnd. Daarbij moet volgens de verdediging op grond van het arrest van het EHRM van 26 september 2023 in de zaak van Yalçinkaya tegen Turkije (nr. 15669/20) inzage worden gegeven in alle beschikbare informatie die van belang kan zijn voor de beoordeling van de wijze waarop het bewijsmateriaal is verkregen. Het voorgaande leidt er volgens de raadsman toe dat in [berichtendienst] -zaken als de onderhavige dient te worden beoordeeld of op basis van de informatie die in Frankrijk aan de Franse rechter is voorgelegd ter verkrijging van de Franse rechterlijke toestemming tot hacken van (Nederlandse) [berichtendienst] -toestellen ter verkrijging van de [berichtendienst] -data, de Nederlandse rechter-commissaris, als het hem gevraagd zou zijn, op basis van die Franse informatie in een vergelijkbare zaak in Nederland in redelijkheid tot afgifte van de betreffende machtiging zou zijn gekomenen, zo ja, onder welke voorwaarden.
‘such an interception would not be authorised in a similar domestic case’niet plaatsvinden en is derhalve sprake van een onherstelbaar vormverzuim.
“would not be authorised in a similar domestic case’.
- wat de aard en omvang van de samenwerking tussen Nederland en Frankrijk is geweest (met andere woorden vaststellen of sprake is geweest van zodanig relevant initiatief van Nederland of deze samenwerking zodanig nauw was, dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is);
- wat de locatie van de effecten van de uitoefening van de opsporingsbevoegdheid door Frankrijk was (om de vraag te beantwoorden of wat in Frankrijk is toegestaan ook in Nederland zou zijn toegestaan);
- of er notificatie heeft plaatsgevonden (hetgeen blijkens de uitspraak van de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de EU is voorgeschreven ex Richtlijn 2014/41);
- of, indien sprake is van notificatie, of de uitoefening van de Franse opsporingsbevoegdheid in Nederland is toegestaan
- of het [berichtendienst] -bewijs betrouwbaar is, en daarom verzoekt de verdediging om stukken die relevant zijn voor het bewijsmateriaal (informatie over
verantwoordelijkheidvan de Nederlandse autoriteiten is verricht en vergaard, ligt dat anders, maar van zo een situatie is hier geen sprake, aangezien de interceptietool op basis van Franse wettelijke bevoegdheden is ingezet door de Franse autoriteiten. Dat Nederland op de hoogte was van het inzetten van de tool en wist dat hierbij gegevens werden verworven die voor Nederlandse strafrechtelijke onderzoeken van belang konden zijn, maakt dat niet anders. Dat er sprake is geweest van een nauwe samenwerking tussen Frankrijk en Nederland en dat er overleg is geweest met name over de distributie van de resultaten van de interceptie, maakt dit evenmin anders. Het Franse onderzoeksteam heeft de Nederlandse politie toegang gegeven tot de [berichtendienst] -telefoondata over een beveiligde verbinding met de betreffende computersystemen in Frankrijk. Deze informatie-uitwisseling vindt zijn basis in de overeenkomst die is gesloten in het kader van de samenwerking in het Joint Investigation Team (JIT). Een en ander leidt echter niet tot verschuiving van de verantwoordelijkheid voor het inzetten van opsporingsmiddelen.
effectenvan de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden zich voordoen. Dit leidt er naar het oordeel van het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:192), echter niet toe dat het vertrouwensbeginsel geen toepassing meer vindt. De verdediging wordt niet gevolgd in het standpunt dat de locatie van de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden (ook) in Nederland is geweest. De tool is geïnstalleerd door de Franse politie en vanuit Frankrijk op de toestellen van de individuele gebruikers geïnstalleerd. De aldus verkregen data zijn vervolgens verzameld en verzonden naar de Franse autoriteiten. De inzet van de interceptietool en de vergaring vonden aldus plaats in en vanuit Frankrijk, terwijl deze omstandigheid ook niet met zich brengt dat de verantwoordelijkheid voor de inzet van de interceptietool overgaat naar of mede komt te liggen bij de autoriteiten van het land waar de gebruiker van het toestel zich op dat moment bevindt. Er is geen aanwijzing dat de Nederlandse autoriteiten de Franse autoriteiten hebben aangestuurd bij het binnendringen van de telefoons van gebruikers op Nederlands grondgebied (bijvoorbeeld door aan te sturen op het binnendringen van specifieke telefoons). Het bedrijf [berichtendienst] bood digitale diensten aan. Het is inherent aan een dergelijke dienstverlening dat deze over traditionele landsgrenzen heen gaat. Het begrenzen volgens die traditionele landsgrenzen van een strafrechtelijk onderzoek is naar zijn aard dus onmogelijk. Gezien het bovenstaande, kan het binnendringen van Nederlandse telefoons door de Franse autoriteiten niet worden beschouwd als een onderzoekshandeling waarvan de uitvoering (mede) onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geschied. Dat betekent dat het hof de stelling van de verdediging, dat Nederland rechtsmacht heeft waar het de interceptie betreft van gegevens op de telefoons van Nederlandse gebruikers op Nederlands grondgebied niet volgt. Ook artikel 31 Richtlijn Pro 2014/41/EU geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen (vgl. r.o. 6.23 en 7.4 van ECLI:NL:HR:2023:913).
(vgl. Yüksel Yalçinkaya/Turkije, EHRM 26 september 2023, nr. 15669).Het hof overweegt dat de onderhavige zaak verschilt met de zaak Yalçinkaya nu de verdediging, anders dan in de zaak Yalçinkaya het geval was, de beschikking heeft gekregen over de chats van de accounts die aan verdachte zijn toegeschreven, op grond waarvan eventuele verweren over onder andere de authenticiteit en de integriteit van het bewijs kunnen worden gevoerd. In zoverre maakt dit arrest het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid niet anders.
(i) artikel 31 van Pro de EOB-richtlijn met zich brengt dat een infiltratiemaatregel die beoogt verkeers-, locatie- en communicatiegegevens van een internetcommunicatiedienst te verzamelen, moet worden gemeld aan de lidstaat waar het voorwerp van die maatregel zich bevindt (in die zaak: Duitsland). Deze notificatieplicht is mede bedoeld om de rechten te beschermen van de gebruikers die onderwerp zijn van de infiltratiemaatregel. Notificatie kan voorafgaand, tijdens of na de interceptie, zodra de intercepterende lidstaat te weten komt dat de persoon op wie de interceptie betrekking heeft zich op het grondgebied van de in kennis gestelde lidstaat bevindt of heeft bevonden.
(ii) artikel 31 van Pro de EOB-richtlijn niet alleen de eerbiediging van de soevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat beoogt te waarborgen, maar ook dat het in die lidstaat gewaarborgde beschermingsniveau met betrekking tot het aftappen van telecommunicatie niet wordt ondermijnd. Voor zover een maatregel voor het aftappen van telecommunicatie een inmenging vormt in het in artikel 7 van Pro het Handvest neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven, moet worden vastgesteld dat artikel 31 van Pro de EOB-richtlijn ook strekt tot bescherming van de rechten van de personen op wie een dergelijke maatregel van toepassing is.
(iii) artikel 14 lid 7 van Pro de EOB-richtlijn met zich brengt dat de nationale strafrechter verplicht is bewijsmateriaal uit te sluiten indien de verdachte niet in een positie is om naar behoren opmerkingen te maken over dit bewijsmateriaal en dit bewijsmateriaal waarschijnlijk een doorslaggevende invloed zal hebben op de feitenvaststelling.
“Het EOB omvat alle onderzoeksmaatregelen met uitzondering van het instellen van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsgaring in het kader van een dergelijk onderzoeksteam zoals voorzien in artikel 13 van Pro de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie („de overeenkomst”) en in Kaderbesluit 2002/465/JBZ van de Raad (…)”
“Het EOB moet een horizontale werkingssfeer hebben en moet derhalve van toepassing zijn op alle onderzoeksmaatregelen die tot doel hebben bewijs te vergaren. Voor het opzetten van een gemeenschappelijk onderzoeksteam en de bewijsvergaring door een dergelijk team zijn echter specifieke voorschriften vereist die beter apart kunnen worden behandeld. Bestaande instrumenten moeten derhalve op dit soort onderzoeksmaatregelen van toepassing blijven, onverminderd de toepassing van deze richtlijn.”
hij in de periode van 7 maart 2018 tot en met 21 november 2019 in Oss tezamen en in vereniging met een ander een personenauto, BMW type 520i, kenteken [kenteken 1] , voorhanden heeft gehad terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemd voertuig wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
hij op 18 mei 2020 te Ede tezamen en in vereniging met anderen om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervaardigen van amfetamine en/of MDMA, zijnde middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen
Het proces-verbaal van aangifte d.d. 20 maart 2018, dossierpagina’s 184-186, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] :
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2020, dossierpagina’s 57-60, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2020, dossierpagina’s 101-104, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2020, dossierpagina’s 115-134, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Het proces-verbaal betreden besloten plaats d.d. 26 juli 2018, dossierpagina’s 180-182, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten M105 en M146:
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2020, dossierpagina’s 192-195, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 april 2020, dossierpagina’s 208-211, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 februari 2020, dossierpagina’s 229-243, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Het proces-verbaal voertuig identificatie d.d. 13 februari 2020, dossierpagina’s 265-271, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
Een proces-verbaal van observatie maandag 18 mei 2020, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 6] , M132, M149, M103, M128, M131, M141, M143, M145, M148, M152, M153 en M155, p. 459-460, voor zover inhoudende:
Een proces-verbaal van bevindingen, van 19 mei 2020, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 7] , p. 465-466, voor zover inhoudende:
Een proces-verbaal van bevindingen van de Landelijke Eenheid, Dienst Specialistische Operaties, Landelijk Forensisch Servicecentrum, Landelijke Faciliteit Ontmantelen, van 31 augustus 2020, pag. 476-477, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 8] (operationeel specialist werkzaam als LFO-expert):
Een proces-verbaal van bevindingen, van 28 juli 2020, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 10] , p. 487-501, voor zover inhoudende:
Me zuster zit in frankrijk met dr hond om te bestralen en kan wel terug met reis papieren Die heb zo de duurste chiwawa die er is denk ik pfff
Bloeddruk is goed en hartslag ook.
Een proces-verbaal van bevindingen, van 20 juli 2020, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 10] , p. 503-513, voor zover inhoudende:
Een proces-verbaal van relaas, van 1 april 2021, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 11] , pag. 31, in onderling verband en samenhang bezien met een overzicht [berichtendienst] -berichten, pag. 515-530, welk overzicht als bijlage 1 aan het arrest is gehecht, voor zover inhoudende:
Een proces-verbaal van relaas, van 1 april 2021, opgemaakt en ondertekend door verbalisant [verbalisant 11] , pag. 32-33, in onderling verband en samenhang bezien met een overzicht [berichtendienst] -berichten, pag. 532-554, welk overzicht als bijlage 2 aan het arrest is gehecht, voor zover inhoudende:
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
24 (vierentwintig) maanden.