Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 27 juli 2021;
- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met productie 1;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens bezwaar wijziging van eis;
- de brief van 26 april 2023 namens [appellanten] waarbij afschriften van producties 3 t/m 31 zijn toegezonden, welke brief door het hof is ontvangen op 28 april 2023;
- de brief van 5 mei 2023 namens de stichting waarbij bezwaar is gemaakt tegen toelating van producties 3 t/m 31 van [appellanten]
- het bericht van 9 mei 2023 waarbij het hof aan partijen heeft medegedeeld dat het hof, indien producties 3 t/m 31 worden toegelaten en het hof deze uiteindelijk bij de beoordeling van belang acht, de stichting in de gelegenheid zal stellen alsnog schriftelijk op deze stukken te reageren;
- het pleidooi van 15 mei 2023 waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
6.De verdere beoordeling
- [appellant] veroordeeld om aan de stichting te betalen € 533.277,34 te vermeerderen met de wettelijke rente over de misgelopen rente, de onderzoekskosten en de beslagkosten vanaf 17 december 2013 tot de dag van voldoening, en over de overige posten vanaf het moment zoals vermeld in de relevante passages van de dagvaarding tot aan de dag van voldoening,
- verstaan dat op hetgeen [appellant] uit hoofde van het eindvonnis verschuldigd is, door hem op 31 december 2012 € 50.000,- is voldaan,
- Wonen Plus veroordeeld om aan de stichting te betalen € 5.316,67, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data zoals vermeld in de relevante passages van de dagvaarding tot aan de dag van voldoening,
- Domez veroordeeld om aan de stichting te betalen € 73.007,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data zoals vermeld in de relevante passages van de dagvaarding tot aan de dag van voldoening, en
- [appellanten] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.
[X projects](nr. 1). [appellant] bestrijdt niet dat hij in oktober en november 2011 tweemaal € 5.000,- heeft opgenomen van de rekening van de stichting en op een factuur van [X projects] van € 10.174,50 heeft geschreven “
€ 5000,- 2x gepind! 2011”. [appellant] heeft daarmee gesuggereerd dat de geldopnames zijn gebruikt om deze factuur te betalen. De stichting stelt dat zij deze factuur giraal heeft betaald aan [X projects] , en dat [X projects] heeft bevestigd de girale betaling te hebben ontvangen en ontkend een contante betaling te hebben ontvangen. De betaling blijkt uit het betaaloverzicht dat de stichting heeft overgelegd als productie 5.1 bij conclusie van repliek. Gelet op de concrete stellingen van de stichting en het overgelegde schriftelijk bewijs van de girale betaling, gaat het hof voorbij aan de enkele betwisting door [appellant] dat de factuur door de stichting is betaald. Het hof passeert ook de stelling van [appellant] dat de geldopnames op de tussenrekening moeten hebben gestaan, nu deze stelling in het geheel niet is onderbouwd door overlegging van afschriften van de desbetreffende tussenrekening of verwijzing naar de door de stichting overgelegde afschriften van de tussenrekening.
MOS(nr. 3). Vaststaat dat [appellant] op 27 maart 2011 een bedrag van in totaal € 1.250,- heeft opgenomen uit de kas en van de rekening van de stichting. De stichting stelt dat op een brief van dezelfde datum is vermeld “Sponsoring Goede Doel 2011. Ronde Tafel 164. 1250 euro” en dat uit navraag bij de Stichting MOS (Medisch Ondersteuning Sportevenementen) blijkt dat deze dit bedrag niet heeft ontvangen. [appellant] betwist dat het hier gaat om een niet-zakelijke onttrekking, en voert daartoe aan dat hij dit bedrag namens de stichting heeft besteed aan de sponsoring van het evenement “Monsieur Op Sjiek” van Stichting Ronde Tafel 164 omdat dit een goed doel was en de nieuwe naam van de stichting tijdens het evenement werd getoond samen met het nieuwe logo. Het betrof volgens [appellant] dus niet de Stichting MOS, waar de stichting navraag heeft gedaan. Uit de stellingen van de stichting volgt niet dat het bedrag van € 1.250,- niet aan het door [appellant] gestelde doel is besteed. De stichting heeft haar stelling dat het hier een niet-zakelijke onttrekking ten gunste van het privévermogen van [appellant] betreft daarom onvoldoende onderbouwd. Haar vordering (beperkt tot € 750,-) is op de verschillende grondslagen daarom niet toewijsbaar en dus ten onrechte toegewezen.
[persoon B](nr. 5). De stichting stelt dat [appellant] op 27 december 2007 € 250,- heeft gepind van de rekening van de stichting, en voor diezelfde dag een factuur heeft opgemaakt waarop is vermeld:
“Optreden van [persoon B] in verband met afscheid [persoon C] voorzitter RvT, € 250,00”, en dat [appellant] deze factuur mogelijk heeft geprobeerd weg te boeken op een project van de stichting. [appellant] betwist dat het hier gaat om een niet-zakelijke onttrekking, en voert daartoe aan dat [persoon B] op het afscheid van [vader appellant] en de toenmalige voorzitter [persoon C] een optreden heeft gegeven, waarbij alle leden van de RvT en hun partners aanwezig waren. Bij memorie van antwoord stelt de stichting dat de vraag of [persoon B] een optreden heeft gegeven en of hierbij leden van de RvT aanwezig waren, niet ter zake doet, en dat de vraag is of [appellant] € 250,- aan [persoon B] heeft betaald ten behoeve van een zakelijke aangelegenheid van de stichting. Het hof volgt de stichting hierin niet. Als het optreden heeft plaatsgevonden en de RvT is daarbij aanwezig geweest in het kader van het afscheid van [vader appellant] en de voorzitter van de RvT, dan kan een uitgave van € 250,- die daaraan is besteed niet zonder meer als niet-zakelijk worden aangemerkt. Nu de stichting niet heeft aangeboden te bewijzen dat het optreden niet heeft plaatsgevonden onder de door [appellant] gestelde omstandigheden, is de gestelde niet-zakelijke onttrekking niet komen vast te staan. De vordering van de stichting is daarom op de aangevoerde grondslagen niet toewijsbaar, en dus ten onrechte toegewezen.
Liefdezusters van het Kostbaar Bloed(nrs. 7 en 10). [appellant] bestrijdt niet dat hij in mei 2010 in totaal een bedrag van € 3.275,- en oktober 2011 € 5.000,- heeft opgenomen van de rekening van de stichting, en dat op nota’s/facturen die [appellant] hiervoor heeft opgemaakt is vermeld dat deze bedragen zijn besteed (als donatie) aan de Liefdezusters van het Kostbaar Bloed. Het bedrag van € 5.000,- zou volgens de factuur zijn gedoneerd in de vorm van betaling door de stichting voor groenonderhoud door een hoveniersbedrijf aan de tuin van het klooster van de Liefdezusters. De stichting heeft gesteld dat de Liefdezusters hebben bevestigd nooit een donatie te hebben ontvangen, en dat het hoveniersbedrijf heeft bevestigd het desbetreffende groenonderhoud niet te hebben uitgevoerd (maar wel onderhoud aan de privé-tuin van [appellant] ). [appellant] heeft deze stellingen van de stichting evenmin betwist. Hij stelt in de toelichting op de grief slechts dat de RvT voor de uitgave toestemming heeft verleend. De gestelde toestemming, die [appellant] niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd, laat echter onverlet dat aldus vaststaat dat de bedragen niet aan de zusters of het hoveniersbedrijf zijn besteed. Daarmee heeft [appellant] de stelling van de stichting dat dit niet-zakelijke onttrekkingen zijn geweest, niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist.
[de bloemist](nr. 8). De stichting stelt dat [appellant] met de creditcard van de stichting twee uitgaven heeft gedaan bij [de bloemist] .
Doctor Arts(nr. 30). Dit betreft een factuur van 2 december 2010 voor de aanschaf van een zeefdruk (€ 1.295,-). Volgens [appellant] is deze zeefdruk ten behoeve van de stichting aangeschaft. [appellant] heeft echter niet uitgelegd waarom deze aanschaf op het project Silverstaete Zwembad is geboekt. Daarmee heeft [appellant] de stelling van de stichting dat dit een privé-uitgave betreft onvoldoende gemotiveerd betwist.
Media Markt(nrs. 10, 28, 29, 41, 44, 48, 53 en 54). Het betreft de aanschaf van een wasmachine, twee filmcamera’s, geheugenkaarten, een fototas, twee televisies, een printer, een stofzuiger, een magnetron, een koelkast en twee laptops. [appellant] voert aan dat deze spullen zijn gekocht ten behoeve van de stichting, dat ze nooit in zijn bezit zijn geweest maar alleen bij de stichting, en dat ze onder andere bij het project Hoogveld staan. Het hof overweegt dat het, nu het gaat om consumentengoederen, op de weg van [appellant] lag om per aankoop concreet toe te lichten waarom hij deze door de stichting heeft laten aanschaffen zodat het zakelijke karakter daarvan kan worden beoordeeld. Bij gebreke daarvan heeft [appellant] de stelling van de stichting dat het uitgaven ten behoeve van [appellant] in privé betreft, onvoldoende gemotiveerd weersproken.
Creative events(nr. 64). [appellant] voert aan dat de factuur (€ 5.173,47) betrekking heeft op een deel van de kosten van het evenement in juli 2010 waarbij zowel het huwelijk van [appellant] als het 90-jarig jubileum van de stichting zijn gevierd. Volgens [appellant] heeft de stichting met instemming van de voorzitter van de RvT een deel van de kosten hiervan betaald, zijnde de factuur in kwestie. [appellant] heeft echter niet uitgelegd waarom deze factuur op zeven verschillende complexen van de stichting is geboekt, zoals uit het rapport van [de deskundig] volgt waarnaar de stichting heeft verwezen en wat door [appellant] niet is betwist. Daarmee heeft [appellant] de stelling van de stichting onvoldoende gemotiveerd betwist.