Uitspraak
[appellante] ,
[appellant] ,wonende te [woonplaats 1] ,
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 18 augustus 2021;
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek op 8 februari 2022;
- de memorie van grieven van 19 april 2022.
3.De beoordeling
[geïntimeerde] wenst voorts dat de kantonrechter [[X]] en [appellante] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van diverse nader omschreven aanspraken, en subsidiair [appellant] te veroordelen tot betaling van deze bedragen .
Uit de Whatsappberichten tussen [appellante] en [geïntimeerde] blijkt dat [geïntimeerde] door [appellante] aan het lijntje wordt gehouden. Er wordt door [appellante] gesproken over een vermeende procedure, waarvan het bestaan door [geïntimeerde] in twijfel wordt getrokken, alsmede van dreigend faillissement, hetgeen verder ook geen vervolg krijgt. Sterker nog, [geïntimeerde] vraagt om gegevens van andere schuldeisers om dan maar zelf in de hoedanigheid van werknemer het faillissement van [[X]] Beheer aan te vragen.
Als reden geeft [geïntimeerde] op dat hij in geval van faillissement in ieder geval weer inkomen ontvangt en een uitkering kan ontvangen. Ondanks verschillende voorstellen van [geïntimeerde] onderneemt [[X]] noch [appellante] met betrekking tot [geïntimeerde] helemaal niets.
Na begin januari 2020 wordt nergens meer op gereageerd. Overigens blijkt onder meer uit voornoemde berichten dat [appellante] nog steeds het account: [naam account] in gebruik heeft, hetgeen de nauwe banden tussen de ondernemingen en vennootschappen illustreert.
Per 11 maart 2020 wordt er zelfs een nieuwe parketwinkel geopend onder de naam Exzellenz Floorstore Nederland B.V. aan het adres: [adres] te ( [postcode] ) [plaats] . In het bedrijfspand is veel geïnvesteerd. Namens [geïntimeerde] zijn [persoon A] en [persoon B] in de winkel geweest en te woord zijn gestaan door [appellant] . Voornoemde bezoekers zijn bereid te verklaren over hun bezoek aan de parketwinkel in [plaats] . Er worden onder meer vloeren verkocht en gelegd. Enige aandeelhouder en bestuurder is Macwood Beheer B.V., waarvan [appellant] enige aandeelhouder en bestuurder is. Er worden voorts rond die tijd allerlei andere bedrijven opgericht door de [appellanten] .
.Hiertoe heeft de kantonrechter het volgende overwogen:
4.8 De vraag die als eerste beantwoord dient te worden is of [appellante] bij het aangaan van de verbintenis met [geïntimeerde] wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat [[X]] haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Daarbij rijst de vraag of de (loonbetalings)verplichting die [[X]] is aangegaan elke maand een nieuwe verplichting
5.De beslissing
Hij zal niet ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep.
:
bewust bewerkstelligen van een toestand die de betaling van een schuld verhindert, zoals het leeghalen van een vennootschap of de overdracht van activa en het doorverkopen van goederen buiten de normale bedrijfsvoering om.
.
.
hebben tot de datum waarop gedaagden de conclusie van antwoord hebben ingediend (23 september 2020) nimmer ergens op gereageerd of ergens aan meegewerkt.
Tegen het oordeel als zodanig als vervat in onderdeel 4.9. van het vonnis waarvan beroep heeft [appellante] geen kenbare grieven aangevoerd.
op een nette manier op te heffen”) af te wikkelen, maar dan inclusief de positie van de zieke werknemer [geïntimeerde] .
Bij de toepassing van maatstaf “2” gaat het ook om het verwijtbaar niet aanwenden van middelen die wel ter beschikking staan of stonden, en niet alleen om de middelen die [[X]] zelf nog had.
Los van het voorgaande is ook het zogenaamde mislukken van het ondernemingsplan als geschetst in de onderdelen 1 tot en met 3 van de memorie van grieven als zodanig onnavolgbaar, nu dit klaarblijkelijk gestrand is op de - in Nederlandse financieringsverhoudingen volstrekt gebruikelijke – wens van de derden-financiers dat de grootaandeelhouder zich ook privé (geheel of gedeeltelijk) borg zou stellen.
'uitgangspunt [is] dat een beroep op rechtsdwaling in het algemeen niet kan worden aanvaard'.' Ter rechtvaardiging verwijst de Hoge Raad in het algemeen naar het 'behoorlijk verloop van het rechtsverkeer'.
niette worden begrepen de situatie dat een contractspartij een verkeerd beeld heeft van hetgeen volgt uit de overeenkomst waarbij hij partij is, onder meer uit hoofde van de daarop van toepassing zijnde wetgeving.
Honorering van een beroep op dwaling omtrent het objectieve recht zou afbreuk doen aan de bindende kracht daarvan en zet aldus de bijl aan de bepaling waaromtrent werd gedwaald, in dit geval artikel 7:670a lid 2 sub d BW die de werking van artikel 7:670 lid 1 sub a BW Pro ‘uitschakelt’ bij beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming, als waar bij [[X]] sprake van was in 2019.
[appellante] had voldoende mogelijkheden en redenen om zich als (indirect bestuurder van een) werkgever van deskundige bijstand te voorzien, maar zij heeft dit uitdrukkelijk nagelaten.
Dat het UWV noch de gemachtigde van [geïntimeerde] haar op de mogelijkheid van artikel 7:670a lid 2 sub d BW zou hebben gewezen, en blijkbaar ook niet bekend waren met de in genoemd artikel geboden ‘ uitweg’, doet – wat daar verder van zij – niet af aan haar eigen verantwoordelijkheid als (indirect bestuurder van een) werkgever.
Evenmin (zie ook hierna) heeft zij [geïntimeerde] ‘geholpen’ door hem informatie te verstrekken over andere crediteuren, zodat hij – alsdan wel voorzien van verplichte rechtsbijstand – zo snel mogelijk het faillissement van [[X]] kon aanvragen.
Het weigeren informatie te verschaffen aan [geïntimeerde] ten behoeve van een faillissementsaanvraag is door [appellante] zelfs uitdrukkelijk erkend (CvA pt. 71).
Het door [appellante] op dit punt aangevoerde faalt.
[appellante] stelt daarentegen zelf (zie onderdeel 3.8.2. onder d) dat “ (
o)ok is niet uitgesloten dat beide partijen gelijk hebben en dat deze vorderingen over en weer tegen elkaar kunnen worden weggestreept.” Hoe dan deze gestelde vordering, waarvan blijkbaar zelfs ten tijde van de memorie van grieven – bijna drie jaar na december 2019 - nog geen enkele duidelijkheid bestond, toch alsdan zou hebben kunnen bijdragen aan verhaal voor [geïntimeerde] ten aanzien van zijn maar steeds verder oplopende aanspraken is op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. De door [appellante] gestelde veronderstelling is niet voldoende onderbouwd.