Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/355391 / HA ZA 19-119)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep, met het vonnis waarvan beroep;
- de memorie van grieven met producties, tevens houdende wijziging van eis;
- de akte uitlating en overlegging producties van [appellant] van 21 juli 2020;
- de memorie van antwoord van ABN AMRO van 21 juli 2020 met productie.
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
achterwiel van de zwarte Opel Corsa . Zijn benen lagen bij het
voorwiel van de zwarte Opel Corsa . Dat geeft steun aan de verklaring van [appellant] over zijn struikelpartij “Ik ben (…) naar de
voorzijde van mijn auto gelopen. Toen ik dat wilde doen, stuitte ik met mijn
rechtervoet tegen een obstakel/rand en ben ik vervolgens gestruikeld. Ik ben met mijn linkerbeen naar voren gestapt om nog in balans te blijven maar desondanks viel ik voorover.” Dat naar voren stappen om nog in balans te blijven beschouwt het hof als een correctiepoging, als ervaringsfeit passend bij een struikelpartij. Bovendien verklaarde [persoon C] en kruiste zij overeenkomstig op foto 2 aan dat, toen zij de auto ging halen: “ik nog bloed [zag] liggen van mijn man als gevolg van de struikelpartij. Dit bloed lag niet aan de
neuskant van de auto’s, maar meer aan de
achterkant. (curs. hof). (…). Mijn man had een hoofdwond, zijn neus was kapot.” En dát correspondeert weer met de “nevendiagnose: neusfractuur” (huisartsenbrief prod. 8 e.a.) en de verklaring van [persoon B] dat [appellant] uit zijn neus bloedde. Daarmee staat eveneens vast dat [appellant] voorover is gevallen, op z’n gezicht. Vergelijk ook [persoon A] : “Ik weet dat meneer met zijn hoofd niet tegen de drempel lag, maar dat zijn hoofd juist aan de andere kant lag.”
rechtervoet tegen een obstakel/rand stuitte, volgt uit de hiervoor gerelateerde feiten, foto’s en verklaringen in onderling verband en samenhang bezien naar het oordeel van het hof dat [appellant] daadwerkelijk is gestruikeld over een biggenrug, zijnde de biggenrug te zien op foto 3. Daarbij neemt het hof mede het volgende in aanmerking.
gezienwaardoor hij is gestruikeld, doet evenmin afbreuk aan de bewijswaardering. Terecht signaleert ABN AMRO dat [appellant] heeft
gemerktdat hij met mijn rechtervoet tegen een obstakel/rand is gestoten. Dat behelst (dus) de vaststelling van op zijn eigen innerlijke waarneming berustende feiten (vgl. HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5352, met verw. naar HR 23 maart 1984, NJ 1984, 568).
: