Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de brief met bijlagen (te weten producties 18 tot en met 27) van de advocaat van de man d.d. 20 juni 2019;
- de brief met bijlagen (te weten producties 13 tot en met 18) van de advocaat van de vrouw d.d. 21 juni 2019.
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
- partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om een makelaar te benoemen tot deskundige ter bepaling van de actuele vrije verkoopwaarde van de echtelijke woning van partijen aan [adres] te [plaats] ;
- iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap aangehouden.
- een deskundigenonderzoek bevolen en tot deskundige benoemd [makelaardij] Makelaardij te [plaats] met de opdracht antwoord te geven op de vraag wat de actuele vrije verkoopwaarde is van de woning van partijen gelegen te [plaats] aan [adres] , rekening houdende met de huidige bestemming;
- iedere verdere beslissing aangehouden.
- de wijze van verdeling gelast van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen zoals opgenomen in de punten 2.1.9 tot en met 2.1.13 van de beschikking van 3 november 2017 en hetgeen in de beschikking van 11 juli 2018 is opgenomen onder punt 2.5;
- de beslissing betreffende de verdeling van de huwelijksgemeenschap uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders verzochte afgewezen.
vrouwzes grieven aangevoerd tegen de bestreden beschikkingen van 3 november 2017 en 11 juli 2018. Haar hoger beroep betreft ook de (tussen)beschikking van 27 december 2017 (beroepschrift, p. 1). Omdat de vrouw geen grieven heeft gericht tegen die beschikking zal zij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. De grieven van de vrouw zien op de volgende onderwerpen:
- de echtelijke woning (grief 1);
- kunstobjecten (grief 2);
- sieraden (grief 3);
- waarde aandelen [de vennootschap 1] (grief 4);
- waarde buitenlandse ondernemingen [de vennootschap 2] en [de vennootschap 3] (grief 5);
- vermeende schuld aan [de vennootschap 1] (grief 6).
vrouwverzoekt het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
aangaande de woning
aangaande de kunstobjecten
aangaande de sieraden
aangaande de waarde van de aandelen [de vennootschap 1]
aangaande de waarde van de aandelen van de buitenlandse ondernemingen [de vennootschap 2] en [de vennootschap 3]
aangaande de schuld aan [de vennootschap 1]
manvoert verweer. Hij verzoekt het hof het hoger beroep van de vrouw af te wijzen.
mantwaalf grieven (waarvan grief 8 en 9 voorwaardelijk) aangevoerd tegen de beschikkingen waarvan beroep. Voorts heeft de man nog een aanvullend verzoek gedaan. De grieven van de man zien op de volgende onderwerpen:
- inboedel (grief 1);
- kunstobjecten (grief 1);
- sieraden (grief 2);
- de Porsche (grief 3);
- de polissen bij Interpolis, Ohra en Legal & General (grief 4);
- aandelen [de vennootschap 1] (grief 5);
- vordering vrouw op kliniek in [kliniek 1] (grief 6);
- vorderingen vrouw op haar broer (grief 7);
- schuld aan [de vennootschap 1] van € 100.750,-- (grief 8);
- schuld in rekening-courant bij [de vennootschap 1] (grief 9);
- waarde buitenlandse ondernemingen (grief 10);
- belastingteruggave 2015 (grief 11);
- vaststellen verdeling en overbedelingsvordering (grief 12).
manverzoekt het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
manzijn verzoek ten aanzien van sub 3 gewijzigd, in die zin dat hij het hof verzoekt niet alleen de verdeling van de inboedel vast te stellen, maar tevens om de vrouw te veroordelen de nog ontbrekende goederen in goed werkende conditie aan de man af te geven binnen twee weken na de beschikking van het hof, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag dat de vrouw in gebreke blijft.
vrouwheeft verweer gevoerd. Zij verzoekt het hof het hoger beroep van de man af te wijzen.
hofzal de grieven van partijen hierna per onderwerp bespreken.
5.De motivering van de beslissing
hofhet volgende voorop.
vrouwhoudt in dat de rechtbank ten onrechte de echtelijke woning heeft toegedeeld aan de man. Ter toelichting op haar grief voert de vrouw het volgende aan:
manheeft verweer gevoerd. De vrouw stelt ten onrechte dat zij in eerste aanleg zou hebben gedwaald over de waarde van de woning en dat zij van het begin van de echtscheidingsprocedure al heeft gesteld dat zij graag de woning toegedeeld zou willen krijgen. De vrouw is in eerste aanleg door diverse juridische deskundigen bijgestaan, zodat van dwaling geen sprake kan zijn, laat staan van wederzijdse dwaling. De man betwist nadrukkelijk dat hij er in eerste aanleg vanuit is gegaan dat de woning een hogere waarde vertegenwoordigde. Juist door het meningsverschil van partijen over de waarde van de woning heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast. De stelling van de vrouw dat bij het vaststellen van de waarde van de woning rekening gehouden had moeten worden met een eventuele toekomstige bestemmingswijziging van de woning gaat niet op. Er bestaan op dit moment nog te veel onzekerheden om daar bij de waardering van de woning rekening mee te houden. De man betwist dat art. 6:258 BW Pro (onvoorziene omstandigheden) van toepassing is, aangezien dat artikel ziet op het wijzigen van de gevolgen van een overeenkomst. Van een overeenkomst is in casu geen sprake. De rechtbank heeft de verdeling vastgesteld. Daarbij komt dat ook van onvoorziene omstandigheden geen sprake is, aangezien de vrouw ten onrechte stelt dat partijen van een te lage waarde van de woning zijn uitgegaan, terwijl de man altijd heeft gesteld dat de woning een lagere waarde vertegenwoordigde dan de vrouw stelde. Tot slot stelt de man dat de vrouw geen belang meer heeft bij haar grief. Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 29 november 2018 is de vrouw veroordeeld om op eerste afroep haar medewerking te verlenen aan de levering van de woning, welke levering op 6 december 2018 heeft plaatsgevonden.
hofoverweegt als volgt.
manhet hof voor recht te verklaren dat de inboedelgoederen op de als productie 4 bij het beroepschrift overgelegde lijst niet behoren tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.
vrouwheeft verweer gevoerd. Zij stelt zich op het standpunt dat de man niet heeft aangetoond dat de goederen op de door hem als productie 21 overgelegde lijst eigendom zijn van [de vennootschap 1] . De vrouw stelt dat het bewijsvermoeden van art. 1:94 lid 3 BW Pro heeft te gelden op grond waarvan de goederen als gemeenschapsgoederen moeten worden aangemerkt.
hofoverweegt als volgt.
manhoudt verder in dat de rechtbank bij de verdeling van de inboedel ten onrechte inboedelgoederen heeft verdeeld die aard- en nagelvast aan de woning verbonden zijn. Deze goederen dienen niet bij de verdeling van de inboedelgoederen betrokken te worden. Het gaat specifiek om de volgende goederen:
vrouwheeft verweer gevoerd. Met uitzondering van het fornuis en de jacuzzi, erkent de vrouw dat de door de man hiervóór genoemde goederen als aard- en nagelvast verbonden met de woning kunnen worden beschouwd. Het fornuis en de jacuzzi zijn echter eenvoudig te verplaatsen exemplaren. De vrouw heeft inmiddels de woning verlaten met achterlating van die goederen die zij als aard- en nagelvast verbonden met de woning beschouwt. Als blijk van goede wil heeft zij niettemin de jacuzzi achtergelaten.
hofoverweegt als volgt.
manverzoekt primair de verdeling van de inboedelgoederen vast te stellen overeenkomstig de door de man als productie 6 in het geding gebrachte lijst en de goederen waarachter “ [de man] ” staat vermeld, aan hem toe te delen en de goederen waarbij de naam “ [de vrouw] ” is genoteerd, aan de vrouw toe te delen. Subsidiair verzoekt de man de verdeling van de inboedelgoederen vast te stellen overeenkomstig productie 6 en daarbij te bepalen dat het eerste goed op de lijst aan de man wordt toegedeeld en het volgende aan de vrouw enzovoorts.
vrouwheeft verweer gevoerd. De vrouw kan verder niet instemmen met het voorstel van de man tot verdeling van de goederen. De lijst die de man heeft opgesteld is onjuist en onvolledig. De vrouw is van mening dat de lijst van de deurwaarder die is gehecht aan de beschikking van de rechtbank van 3 november 2017 alle gemeenschappelijke en derhalve te verdelen goederen omvat met uitzondering van de door de rechtbank aangewezen goederen, te weten de kunstobjecten en de schilderijen, de auto, de aanhangwagen en de sieraden. Zij is verder van mening dat verdeling dient plaats te vinden op de door de rechtbank aangewezen wijze (om en om, te beginnen bij de fiets met mand). De vrouw heeft met haar vertrek uit de woning inmiddels uitvoering gegeven aan de door de rechtbank aangewezen wijze van verdeling van de inboedelgoederen conform de “deurwaarderslijst”.
hofoverweegt als volgt.
vrouwkeert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de kunstobjecten zoals genoemd in de aan de beschikking van 3 november 2017 gehechte lijst, onderdeel uitmaken van de huwelijksgemeenschap van partijen. Verder keert de grief zich tegen de waarde waartegen de rechtbank de kunstobjecten aan de vrouw heeft toegedeeld. Ter toelichting op haar grief voert de vrouw het volgende aan.
manheeft verweer gevoerd. De vrouw heeft niet aangetoond dat een aantal kunstwerken niet tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen behoort. Bovendien spreekt de vrouw zichzelf tegen. In eerste aanleg heeft zij namelijk als productie 76 een lijst overgelegd waarin zij reageert op de door de man eerder als bijlage 43 in het geding gebrachte lijst met kunstobjecten. Daarin erkent de vrouw dat ten minste 22 kunstobjecten deel uitmaken van de huwelijksgemeenschap. De waarde van € 2.750,-- betreft een gemiddelde waarde per kunstwerk. De meeste kunstwerken vertegenwoordigen een hogere waarde, maar de kleinere stukken drukken de gemiddelde prijs. De man heeft geen behoefte aan kunstwerken van de vrouw, zodat hij niet akkoord is met toedeling aan hem. In eerste aanleg verzocht de vrouw bovendien toedeling aan haar. Indien de vrouw haar kunst niet wenst te behouden, kan zij deze, na toedeling aan haar, verkopen.
grief 1verzoekt de
manom alsnog vast te stellen welke kunstwerken aan de vrouw worden toegedeeld en welk bedrag zij uit dien hoofde aan hem verschuldigd is. De rechtbank heeft dit volgens hem ten onrechte nagelaten. Een volledig overzicht van alle kunstwerken heeft hij als bijlage 60 bij zijn brief van 14 februari 2017 in het geding gebracht (zie prod. 1l in hoger beroep).
hofoverweegt als volgt.
vrouwhoudt in dat de rechtbank ten onrechte geen waarde heeft toegekend aan de sieraden die aan de man zijn toegedeeld, terwijl aan de aan haar toegedeelde sieraden een waarde is toegekend van € 2.295,--. Ter toelichting op haar grief voert de vrouw het volgende aan.
manheeft hiertegen verweer gevoerd. Met zijn tweede grief verzoekt de man het hof vast te stellen dat in het kader van de verdeling van de sieraden de vrouw wordt overbedeeld met een bedrag van € 4.375,-- waardoor zij een bedrag van € 2.187,50 aan de man dient te voldoen. De rechtbank heeft namelijk bij haar beoordeling ten onrechte de brief van de man van 14 februari 2017 (productie 1l in beroep) buiten beschouwing gelaten. In deze brief heeft de man uiteengezet dat de waarde van de sieraden van de vrouw ongeveer € 6.500,-- bedraagt en dat zijn horloges € 2.125,-- waard zijn.
vrouwheeft hiertegen verweer gevoerd. Uit de door de man ter onderbouwing van zijn stelling overgelegde stukken blijkt slechts dat in 2013 een geelgouden armband is gekocht. De vrouw brengt in het geding een bankafschrift van [de vennootschap 1] waaruit blijkt dat deze armband op 24 december 2014 door [de vennootschap 1] is betaald. Daarmee behoort de armband tot het bedrijfsvermogen van [de vennootschap 1] . De man heeft de armband meegenomen toen hij de woning verliet.
hofoverweegt als volgt.
manhoudt in dat de rechtbank ten onrechte de Porsche tegen een waarde van € 14.000,-- heeft toegedeeld aan de vrouw. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.
vrouwheeft hiertegen verweer gevoerd. Zij houdt vast aan de waarde die volgt uit haar taxatierapport (prod. 30 in eerste aanleg). Zij heeft geen enkele reden om daaraan te twijfelen. Het taxatierapport dat de man heeft ingebracht is opgesteld door een vriend van de man. Gelet op de opnamedatum kan van een zichttaxatie geen sprake zijn. De auto bevond zich op dat moment namelijk bij een schadebedrijf voor het herstel van een forse parkeerschade. Als sprake was geweest van een zichttaxatie, dan had die schade tot uitdrukking moeten komen in de waarde van de auto.
hofoverweegt als volgt.
mankomt op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij aan de vrouw een bedrag moet voldoen van in totaal € 36.740,80 voor de toedeling aan hem van de rechten op de polissen bij Interpolis, Ohra en Legal & General. Ter toelichting op zijn grief voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de op de polissen rustende latente belastingclaim van 52% en de door hem te betalen revisierente ten aanzien van de lijfrentepolis bij Legal & General. In eerste aanleg heeft de man bij brief van 20 februari 2017 (productie 1o in beroep) als bijlage 75, 76 en 77 de polisbladen van de drie polissen in het geding gebracht. Uit die polisbladen blijkt dat het gaat om lijfrenteverzekeringen, waarvan de uitkeringen belast zijn.
vrouwheeft verweer gevoerd. De polis van Interpolis betreft een kapitaalverzekering en geen lijfrenteverzekering. Zij verwijst daarvoor naar de door de man in eerste aanleg overgelegde stukken ten aanzien van deze polis (bijlage 46 bij de brief van 6 januari 2017, productie 1f in hoger beroep en bijlage 75 bij de brief van 20 februari 2017, productie 1o in hoger beroep). Uit niets blijkt dat de uitkering van deze polis fiscaal belast zal zijn. Ten aanzien van de polissen bij Legal & General en Ohra erkent de vrouw dat het gaat om een lijfrenteverzekering. Dit enkele gegeven betekent volgens haar nog niet dat de uitkeringen fiscaal belast zijn. Daarvoor is nodig dat de betaalde premies en/of stortingen door de man fiscaal in aftrek zijn opgevoerd. Hiervan is niet gebleken.
hofoverweegt als volgt.
rechtbankheeft de aandelen in [de vennootschap 1] toegedeeld aan de man, onder de verplichting de helft van de waarde van de aandelen per feitelijke verdeling aan de vrouw te voldoen.
hofstelt vast dat er geen grief is geformuleerd tegen de beslissing van de rechtbank de aandelen in [de vennootschap 1] toe te delen aan de man. Als datum van verdeling heeft dan in beginsel te gelden de datum van de beschikking van de rechtbank (3 november 2017). In hoger beroep is namelijk niet (langer) de toedeling van de aandelen in de BV aan de man aan de orde, maar nog slechts de waardebepaling (de “afrekening”) daarvan (HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007: BB6176).
vrouwbetoogt met haar vierde grief dat in afwijking van de hoofdregel op grond van de redelijkheid en billijkheid uitgegaan moet worden van de waarde van de aandelen op 31 december 2015 (de datum kort voorafgaand aan de datum van ontbinding van het huwelijk op 29 april 2016). Daartoe voert zij aan dat de man uitsluitend zeggenschap heeft over de onderneming en dat de vrouw daarmee geen enkele bemoeienis heeft gehad noch heeft. Gelet op de nadien teruglopende resultaten van de onderneming, houdt de vrouw er rekening mee dat de man in 2016 in het zicht van de echtscheiding zowel voor als na het indienen van het echtscheidingsverzoek het beleid in de BV heeft aangepast zodanig dat daarmee de intrinsieke waarde van de aandelen ernstig is gedaald.
manheeft verweer gevoerd. De vrouw wenst terug te gaan naar een datum die zelfs gelegen is voorafgaand aan de indiening van het verzoek tot echtscheiding en de datum van ontbinding van de huwelijksgemeenschap. De enige reden waarom de vrouw voor die datum kiest, is omdat de intrinsieke waarde van de aandelen op dat moment het hoogst waren. Van een redelijke en billijke uitkomst is in dat geval echter geen sprake. De door de man gehanteerde datum van 31 december 2017 ligt dichter bij de feitelijke datum van verdeling en vlak na de tussenbeschikking van 3 november 2017 waarin de rechtbank in een bindende eindbeslissing heeft geoordeeld dat de aandelen aan de man zullen worden toegedeeld tegen de waarde op de datum van feitelijke verdeling. De resultaten in 2016 en 2017 zijn lager dan in de daaraan voorafgaande jaren. Dit valt te verklaren door de economische crisis, het overschot op de markt aan consultants waardoor de uurtarieven onder druk zijn komen te staan en zijn gedaald en de toenemende wettelijke eisen als gevolg van de Wet DBA (Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties). Deze factoren hebben gezorgd voor een lagere omzet en meer kosten aan intermediairs.
hofoverweegt als volgt.
vrouwdat dit, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet het geval is. Daartoe voert zij het volgende aan.
manheeft hiertegen verweer gevoerd. Hij verwijst naar de betalingsbewijzen die thans nog voorhanden zijn en die hij in eerste aanleg bij brief van 1 mei 2018 als bijlage 81 (zie productie 1aa beroepschrift) in het geding heeft gebracht. Uit die bewijzen blijkt dat de geleende gelden zijn ontvangen. De eerste betaling van € 50.000,-- dateert van 2009. Bij de bank zijn deze afschriften niet meer op te vragen, omdat de termijn van zeven jaar is verstreken. De schuld is verder jaarlijks opgevoerd in de aangifte inkomstenbelasting van partijen. De vrouw was elk jaar aanwezig bij de besprekingen met de accountant en van alles op de hoogte. Uit de betalingsbewijzen valt af te leiden dat de lening destijds zonder renteverplichting is verstrekt. Omdat de fiscus daar niet langer mee instemde, is de man met zijn onderneming per 1 januari 2016 een renteverplichting overeengekomen van 3% (productie 12, beroepschrift). Verder legt de man als productie 13 over een addendum van de geldleningsovereenkomst waaruit blijkt dat de overeenkomst is aangevuld met de gegevens van de vrouw, nadat de man met haar is gehuwd. De dubbele parafering op de stukken laat zien dat de addenda zijn toegevoegd aan de oorspronkelijke overeenkomst. Van vervalsing is geen sprake.
hofoverweegt als volgt.
manechter verzocht bij de waardering van de aandelen rekening te houden met de omstandigheid dat het totaal aan activa voor een groot gedeelte bestaat uit vorderingen op de man, waarvan de waarderingsdeskundige heeft geoordeeld dat het niet aannemelijk is dat die vorderingen volledig kunnen worden terugbetaald. Het gaat daarbij om de schuld van partijen bij de onderneming van € 100.750,-- en de schuld aan de onderneming in rekening courant. De man verwijst daarvoor naar het door hem als productie 10 in hoger beroep overgelegde waarderingsrapport van drs. [waarderingsdeskundige] van 27 september 2018, waaruit het advies volgt om bij de waardering van de aandelen de vorderingen van de bv op partijen (vanwege de schuld van partijen bij de bv) van € 100.750,-- en de schuld aan de bv in rekening-courant, af te waarderen tot nihil.
vrouwde waarde van de buitenlandse ondernemingen vast te stellen op een bedrag van $ 100.000,--. Ter toelichting op haar grief voert zij het volgende aan.
manheeft verweer gevoerd. Partijen zijn vlak na de oprichting van de ondernemingen in een echtscheiding verwikkeld geraakt. Daardoor zijn er nimmer activiteiten in de ondernemingen ontplooid. Het betreft een lege huls. De aandelen hebben nooit een waarde van $ 100.000,-- vertegenwoordigd. De vrouw verwijst naar het maatschappelijk kapitaal en niet naar het geplaatst/volgestort kapitaal.
hofoverweegt als volgt.
mankeert zich tegen de afwijzing van het verzoek van de man om de vordering van de vrouw op de kliniek in [kliniek 1] aan haar toe te delen. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.
vrouwheeft verweer gevoerd. De vordering is oninbaar nu het de vrouw aan financiële middelen ontbreekt om deze vordering via gerechtelijke tussenkomst te innen. Ervan uitgaande dat de man wel over financiële middelen beschikt, ligt het in de rede dat de vordering aan de man wordt toegedeeld met verrekening van de helft van de waarde daarvan ten gunste van de vrouw. Subsidiair verzoekt de vrouw de verdeling van deze vordering uit te stellen voor een periode van drie jaar.
hofoverweegt als volgt.
mankeert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat partijen op de peildatum 29 april 2016 een vordering hadden op de broer van de vrouw. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.
vrouwheeft verweer gevoerd. De vrouw stelt dat er geen sprake is van enige vordering op haar broer uit hoofde van niet-doorbetaalde inkomsten van [onderneming] dan wel uit enige andere hoofde. Er is door de man geen factuur of document overgelegd waaruit een dergelijke vordering blijkt. In tegenstelling tot wat de man stelt, heeft de vrouw onder meer via sluitende bankafschriften van haar broer aangetoond dat er geen sprake is van enige vordering op haar broer.
hofoverweegt als volgt.
manhoudt in het verzoek te bepalen dat de vrouw een bedrag aan de man dient te voldoen van € 838,-- ter zake van een belastingteruggave. Ter toelichting op zijn grief voert de man aan dat partijen na de peildatum op de gezamenlijke rekening op 20 juli 2016 een belastingteruggave over het jaar 2015 hebben ontvangen van in totaal € 1.700,--. De vrouw heeft op 24 juli 2016 een bedrag van € 1.676,-- overgeboekt naar haar eigen rekening (productie 15). Aangezien de teruggave betrekking had op de huwelijkse periode voorafgaand aan de ontbinding van de gemeenschap, komt deze vordering partijen gezamenlijk toe.
vrouwheeft verweer gevoerd. Deze vordering is in eerste aanleg niet aan de orde geweest en vormde daarmee ook geen onderdeel van het partijdebat. Het is niet mogelijk om dergelijke nieuwe vorderingen in hoger beroep in te dienen. Dit is niet alleen in strijd met een goede procesorde, maar daarmee wordt de vrouw ook feitelijk een procesinstantie onthouden. Mocht het hof anders beslissen, dan stelt de vrouw zich op het standpunt dat de door de man in het geding gebrachte productie 15 onvoldoende onderbouwing vormt voor de stelling dat hier sprake is van een belastingteruggave aangaande de periode voorafgaand aan de peildatum en daarmee onderdeel zou uitmaken van de te verdelen huwelijksgemeenschap.
hofoverweegt als volgt.
maneen overbedelingsvordering vast te stellen.
vrouwheeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stemt niet in met de door de man in dit overzicht opgenomen vermogensbestanddelen en waardering. Zij is niet in staat om een actueel vermogensoverzicht te maken, omdat er tussen partijen op veel onderdelen discussie bestaat over de aard en omvang van de betreffende vermogensbestanddelen.
hofoverweegt als volgt.
€ 4.124,--
€ 6.400,--