Uitspraak
.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een minderjarige met een autistische stoornis, licht verstandelijke beperking en hechtingsstoornis mocht verhuizen naar een pleeggezin in Polen. Het hof liet een deskundigenonderzoek uitvoeren dat concludeerde dat een verhuizing niet in het belang van het kind is vanwege de kwetsbaarheid en de noodzaak van een stabiele, gespecialiseerde omgeving.
De vader en moeder stelden dat het kind in Polen zou moeten opgroeien, mede om de band met zijn biologische familie te versterken en zijn culturele achtergrond te behouden. Zij verwezen naar de geschiktheid van het Poolse pleeggezin en het belang van hereniging met zijn zus. Het hof oordeelde echter dat de risico’s van een nieuwe breuk en terugval in gedrag te groot zijn, en dat het huidige pleeggezin beter aansluit bij de behoeften van het kind.
De Raad voor de Kinderbescherming en de GI onderschreven het deskundigenrapport en benadrukten het belang van continuïteit in de zorg. Het hof bekrachtigde daarom de eerdere beschikking van de rechtbank waarin het gezag van de ouders werd beëindigd en de GI tot voogd werd benoemd. Tevens werd bepaald dat de kosten van het deskundigenonderzoek door de staat worden gedragen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag en benoemt de GI tot voogd, waarbij een verhuizing naar Polen niet in het belang van het kind wordt geacht.