Uitspraak
5.Het verdere verloop van de procedure
6.De beoordeling
conventie, de man veroordeeld:
reconventiebepaald dat de man:
conventieen in
reconventie:
manis het met dit oordeel niet eens. Hij vindt dat nog wel verrekend moet worden (zoals hiervóór schematisch weergegeven). Hij voert daartoe, samengevat, het volgende aan.
vrouwheeft daartegen, samengevat, het volgende ingebracht.
hofoordeelt als volgt.
NJ1981, 635) luidt als volgt:
manis het met dit oordeel niet eens. Hij vindt dat de investeringen nog wel verrekend moeten worden. Hij voert daartoe, samengevat, het volgende aan.
vrouwstelt dat, zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld, niet verrekend hoeft te worden. Zij beroept zich daarvoor op het volgende.
hofis van oordeel dat de vrouw (ook in eerste aanleg) niet, althans onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat sprake is van het bestaan van een (stilzwijgende) overeenkomst tussen partijen dan wel op grond van welke verklaringen en gedragingen bij haar de verwachting, dan wel het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de man bij het einde van de relatie de door hem gedane investeringen in de woning uit zijn privévermogen niet zou willen verrekenen, dan wel dat dat de helft van de ‘overwaarde’ van de woning, “zonder rekening te houden met de investeringen van de man”, aan haar zou toekomen.
manis tegen dit oordeel opgekomen. Hij betwist de stelling van de vrouw dat hij met zijn investeringen uit privévermogen heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis. In aanvulling op het hetgeen hij heeft gesteld als weergegeven in rov. 6.6.6 hiervóór, voert de man, samengevat, het volgende verweer.
vrouwvoert (in aanvulling op het gestelde in rov. 6.6.7) voor het bestaan van een natuurlijke verbintenis het volgende aan.
NJ1996, 616 m.nt. W.M. Kleijn (Le Miralda); HR 17 oktober 1997,
NJ1998, 692 m.nt. W.M. Kleijn (Premiewoning) en HR 1 oktober 2004,
NJ2005, 1 m.nt. W.M. Kleijn) betrof ook, anders dan hier, de situatie van gehuwden (en verschilde ook in andere opzichten van de zaak waarin het hof thans dient te beslissen). Ofschoon in beginsel in geval van beëindiging van een relatie – waarbij geen sprake is geweest van een huwelijk, samenlevingsovereenkomst of partnerregistratie – het aannemen van een natuurlijke verbintenis van de ene ex-partner tot het voor kortere of langere tijd onderhouden van de andere ex-partner, goed denkbaar is (aldus AG Rank-Berenschot in haar conclusie (sub 2.5) voor de beschikking van de Hoge Raad van 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2925), is dat niet de prestatie waarop de vrouw zegt recht te hebben. De vrouw heeft zich erop beroepen dat zij, toen de investeringen door de man uit zijn privévermogen werden gedaan, daarop een dringende aanspraak had, met name omdat de prestatie ertoe zou strekken te waarborgen dat de vrouw met de kinderen ook na het einde van de relatie van partijen “een goede toekomst tegemoet zou kunnen gaan”. Hoewel (in geval van een huwelijk) het verstrekken door een echtgenoot van gelden voor de aankoop van een mede op naam van de andere echtgenoot te stellen woning een objectieve aanwijzing kan zijn voor het bestaan van een natuurlijke verbintenis (omdat in de regel de prestatie ertoe strekt dat de andere echtgenoot na het huwelijk in de woning kan blijven wonen), aldus de drie zojuist genoemde arresten, beroept de vrouw zich niet op die strekking, terwijl het hof het bestaan van die strekking ook niet aannemelijk acht (hetgeen de man in wezen ook betoogt) nu op de woning een hypotheek rust van € 337.000,--, en overigens geen sprake is van een huwelijk. De vrouw beroept zich erop dat zij na het einde van de relatie een goede toekomst tegemoet zou kunnen gaan. Het is het hof onduidelijk wat de vrouw daarmee bedoelt (maar het lijkt haar daarbij vooral te gaan om het afwenden van het gevaar van een restschuld), maar ook verder, in het licht van de omstandigheden van dit geval, in het bijzonder dat partijen hun vermogens gescheiden hielden, ook de vrouw vermogen heeft kunnen opbouwen en een verzorgingsgedachte ontbrak in de door de man betoogde zin (geen testament, geen nabestaandenpensioen, geen samenlevingsovereenkomst), is onvoldoende gebleken van het bestaan van een natuurlijke verbintenis. De investeringen van de man kunnen in dit geval niet naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan de vrouw toekomende prestatie worden aangemerkt.
vrouw(ter gelegenheid van het pleidooi) aangevoerd dat de vordering van de man tot vergoeding van zijn investeringen in de woning is verjaard. De vrouw voert ter toelichting op dit verweer, met een verwijzing naar de conclusie van antwoord in reconventie, het volgende aan. De man heeft in het verleden nooit een vergoeding van zijn investeringen gevorderd, totdat de vrouw een procedure is gestart tot verdeling van de woning. De investeringen van de man hebben plaatsgevonden in de periode van 19 januari 2004 tot en met 7 juni 2007. In die periode is de verjaring dan ook aangevangen. De verjaringstermijn is geëindigd op uiterlijk 7 juni 2012. De man heeft echter pas bij brief van 20 maart 2013 (twee jaar na beëindiging van de relatie), een “compensatie” gevorderd. De man heeft nimmer een stuitingshandeling verricht.
manheeft de verjaring weersproken.
hofoordeelt als volgt. Het pas bij pleidooi gevoerde verjaringsverweer, is een nieuw verweer dat in strijd met de twee-conclusie-regel, dus te laat, is aangevoerd. Voor zover de vrouw heeft betoogd dat zij reeds in de conclusie van antwoord in reconventie een beroep op verjaring heeft gedaan, is het hof van oordeel dat hetgeen zij dáár, onder de kop
Roerende zakenheeft aangevoerd, te weten:
hofoverweegt als volgt. Met betrekking tot de woning is sprake van een eenvoudige gemeenschap in de zin van art. 3:166 BW Pro. Dit artikel bepaalt het hiernavolgende.
NJ2007, 395, heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:
manis dat de vrouw voor de helft dient bij te dragen in dit verlies.
vrouwverweert zich met een beroep op de redelijkheid en billijkheid. Zij is nimmer op de hoogte gesteld van de bedragen die voor de verbouwing zijn gebruikt, waardoor de omstandigheid dat de investering niet heeft gerendeerd niet voor haar risico mag komen.
hofoordeelt als volgt. De rechter dient de wijze van verdeling te bepalen met inachtneming van de tussen de deelgenoten geldende rechtsverhouding, zulks mede in het licht van het bepaalde in art. 3:166 lid 3 BW Pro (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746, (Texelse woning)) rov. 3.5. De affectieve relatie van partijen (zonder samenlevingsovereenkomst) brengt niet mee, ook niet in het licht van de redelijkheid en billijkheid, dat de vrouw in het waardeverlies van de investeringen dient bij te dragen. Een rechtsgrondslag die de vrouw daartoe verplicht, is er niet.
WPNR2013 (6966), p. 194 (sub 14)). Met die clausule had de man kunnen bewerkstelligen dat beide deelgenoten ieder voor de helft meedoen in de waardeschommeling (niet alleen winst, maar ook verlies) van het goed. Dat hij dit niet gedaan heeft, maar gekozen heeft voor, in zijn woorden, ongereguleerd samenwonen, komt dan voor zijn rekening en risico.
manheeft zijn grief voor zover deze betrekking heeft op de Fiat Punto ingetrokken, zodat deze grief in zoverre geen bespreking meer behoeft.
vrouwheeft verweer gevoerd, onder meer stellende dat de betreffende goederen door de man aan haar cadeau zijn gedaan en zij deze zonder enige discussie heeft mogen meenemen.
hofoverweegt als volgt. Vaststaat dat de vrouw thans het bezit van de betreffende goederen heeft. Ingevolge art. 3:119 BW Pro wordt de bezitter van een goed vermoed rechthebbende te zijn. Het is aan de man om dit vermoeden zodanig te weerleggen dat de vrouw haar eigendomsrecht nader zal hebben te bewijzen. Naar het oordeel van het hof heeft de man ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd gesteld dat de goederen door hem aan de vrouw in bruikleen zijn gegeven. Grief VII slaagt mitsdien niet. In zoverre dient de afwijzing van de reconventionele vordering van de man te worden bekrachtigd aangezien die terecht door de rechtbank is afgewezen.
vrouwstelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bedrag ‘startgeld’ cash ad € 5.250,-- niet zou zijn betwist. De vrouw betwist deze vordering, daartoe stellende dat zij het bedrag nooit heeft ontvangen.
manheeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel gesteld bereid te zijn bewijs bij te brengen door het overleggen van schriftelijke verklaringen, maar heeft nagelaten dat daadwerkelijk te doen.
hofziet geen aanleiding om de man in dit stadium van de procedure alsnog in de gelegenheid te stellen bedoelde verklaringen in het geding te brengen. De man had dat uit eigen beweging dienen te doen. Voor het leveren van schriftelijk bewijs is immers geen opdracht van de rechter vereist (zie onder meer HR 19 maart 1999, LJN ZC2874, NJ 1999/496 en HR 9 maart 2012, LJN BU9204, NJ 2012/174).