Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Appellant verzocht op 26 februari 2015 om toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens een totale schuldenlast van €161.325,80, waarvan ruim €155.000 aan twee schuldeisers. De rechtbank wees dit verzoek af omdat appellant niet te goeder trouw zou zijn geweest bij het ontstaan van de schulden. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde dit oordeel en zag geen aanleiding de hardheidsclausule toe te passen.
De Hoge Raad vernietigde dit arrest en verwees de zaak terug naar het hof 's-Hertogenbosch met de opdracht om te beoordelen of de hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Fw Pro toch van toepassing is, gelet op omstandigheden zoals het staken van de onderneming, het aanvaarden van een dienstbetrekking, schuldhulpverlening en het voorkomen van nieuwe schulden.
Het hof concludeert dat appellant door het vroegtijdig staken van zijn onderneming, het zoeken van hulp en het aanpassen van zijn levensstijl voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de omstandigheden die tot de schulden leidden onder controle heeft gekregen. Hiermee slaagt het beroep op de hardheidsclausule en wordt de schuldsaneringsregeling alsnog van toepassing verklaard. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en appellant wordt toegelaten tot de regeling.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing op appellant op grond van de hardheidsclausule.