Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
HB Israël,
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
HB Israël en Hunkemöller zijn verwikkeld in een geschil over een franchiseovereenkomst gesloten op 10 augustus 2010, waarbij HB Israël exclusief het recht had om de franchiseformule van Hunkemöller in Israël te exploiteren. HB Israël stelde dat Hunkemöller tekort was geschoten in haar verplichtingen, wat leidde tot schade van ruim € 2,27 miljoen.
Na een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant op 23 april 2014, waarin de vorderingen van HB Israël werden afgewezen, stelde HB Israël hoger beroep in. Tijdens deze procedure verzocht HB Israël om een voorlopig getuigenverhoor om negen getuigen te horen ter onderbouwing van haar stellingen over het tekortschieten van Hunkemöller.
Het hof oordeelde dat het verzoek onvoldoende concreet was, omdat HB Israël niet duidelijk had gemaakt welke feiten met welke getuigen bewezen moesten worden. Daarnaast was het verzoek strijdig met de goede procesorde, mede vanwege het stadium van de procedure en de twee-conclusiënleer. Het hof wees het verzoek af en veroordeelde HB Israël in de proceskosten van het geding.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor van HB Israël wordt afgewezen wegens onvoldoende concretisering en strijd met de goede procesorde.