Uitspraak
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen
4.Gronden
eerstevoornaam (plus achternaam) van de rekeninghouder. Belanghebbendes voornamen luiden: [belanghebbende]. Zijn eerste voornaam is dus [belanghebbende], terwijl het renseignement als voornaam [belanghebbende] vermeldt.
stel, maar dat het liggend streepje
welsteeds betrekking heeft op een uit een huwelijksrelatie voortvloeiend verband tussen de eerste en de tweede achternaam. Als voorbeelden noemt hij, naast de ‘reguliere’ situatie van de gehuwde vrouw, de situatie van echtscheiding of overlijden. Ter zitting heeft hij de in voornoemde brief ingenomen stellingen gemotiveerd herhaald, en daaraan toegevoegd, dat wellicht ook denkbaar is dat het liggend streepje voorkomt tussen de namen van personen die in een niet-huwelijkse affectieve relatie samenleven en tezamen een bankrekening openden. Het is mogelijk dat de bank hen heeft geregistreerd als gehuwden. In alle andere gevallen waarin de rekening op naam van meer dan één persoon is geregistreerd, staat niet een liggend streepje tussen de namen van de rekeninghouders, maar het woordje “ou”, hetgeen “of” betekent. Op deze regel is in het gehele rekeningproject niet één uitzondering ontdekt.
ofnationaliteit. Het is daarom heel goed mogelijk, aldus belanghebbende, dat de vermelde landcode betrekking heeft op nationaliteit, en niet inwonerschap. En omdat er heel wat meer personen dan alleen belanghebbende zijn die [belanghebbende] heten en de Duitse nationaliteit hebben, bestaat onzekerheid over de juistheid van de identificatie.
nodigwas.
ex nuncbenadering echter onjuist. Waar het om gaat, is of de Inspecteur
ex tuncbeschouwd, dus beoordeeld op het moment dat hij geconfronteerd werd met de taak om de benodigde gegevens voor het opleggen van de aanslag te verzamelen en vervolgens de aanslag op te leggen, zijn taak voortvarend ter hand heeft genomen. Daarbij geldt dat hij een redelijke vrijheid heeft bij het inrichten en prioriteren van zijn werkzaamheden. Het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel vereist niet dat men een strengere toets aanlegt.
5.Beslissing
- verklaarthet hoger beroep van belanghebbende met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB 1990/VB 1991 tot en met IB 1992/VB 1993 gegrond;
- verklaarthet hoger beroep van belanghebbende voor het overige ongegrond;
- vernietigtde uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor wat betreft de boeten begrepen in de navorderingsaanslagen IB 1990/VB 1991 tot en met IB 1992/VB 1993;
- verklaarthet hoger beroep van de Inspecteur ongegrond;
- veroordeeltde Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 3.717;
- gelastdat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 110 aan deze vergoedt;
- veroordeeltde Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade ter grootte van € 2.500