Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:501

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
200.361.104/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen arbeidsovereenkomst tussen schilder en Hoftijzer Vastgoedonderhoud B.V.

In deze zaak vordert de schilder een verklaring voor recht dat tussen hem en Hoftijzer Vastgoedonderhoud B.V. een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. De kantonrechter wees dit verzoek af, waarna de schilder in hoger beroep ging. Het geschil draait om de kwalificatie van de rechtsverhouding en of de schilder zijn werkzaamheden verrichtte op basis van een contractuele relatie met Hoftijzer.

Het hof stelt vast dat de schilder voorheen als zzp’er via een onderaannemer, [Vof], werkte en dat hij deze relatie heeft voortgezet bij de projecten van Hoftijzer. Hoewel hij werkzaamheden uitvoerde voor Hoftijzer, is niet aannemelijk dat hij dit deed op basis van een contractuele verhouding met Hoftijzer zelf. Diverse omstandigheden, zoals het factureren aan [Vof], het gebruik van een app van Hoftijzer voor urenregistratie die vervolgens aan [Vof] werden doorgegeven, en het ontbreken van een sollicitatiegesprek, ondersteunen dit oordeel.

Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter en wijst het hoger beroep af. De schilder wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter en wijst het beroep af omdat geen contractuele verhouding met Hoftijzer is vastgesteld.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
zaaknummer: 200.361.104/01
zaaknummer rechtbank Rotterdam: 11687901 VZ VERZ 25-3275
beschikking van 7 april 2026
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. A. Cremer, kantoorhoudend te Maasdijk,
tegen
HOFTIJZER VASTGOEDONDERHOUD B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. T. Harmankaya, kantoorhoudend te Den Haag.
Partijen worden hierna [appellant] en Hoftijzer genoemd.

1.De zaak in het kort

In dit geding verzoekt [appellant] (‘de werker’) onder meer een verklaring voor recht dat tussen hem en Hoftijzer (‘de werkverschaffer’) een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen tegen de achtergrond van enkele gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest van de Hoge Raad. Volgens de werkverschaffer heeft de werker als zzp’er de reeds bestaande rechtsverhouding met een onderaannemer voortgezet toen hij ging werken bij projecten van de werkverschaffer.
Het hof onderscheidt de vraag of tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan van de vraag of tussen partijen hoe dan ook een contractuele verhouding heeft bestaan en komt tot de conclusie dat niet kan worden aangenomen dat de werker de werkzaamheden heeft uitgevoerd op grond van een contractuele verhouding met de werkverschaffer. Het hof komt daarom niet toe aan de vraag of de rechtsverhouding tussen partijen als een arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking.

2.Procesverloop in hoger beroep

[appellant] is bij beroepschrift (met productie), ontvangen ter griffie van het hof op 30 oktober 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025 onder bovenvermeld zaaknummer. [appellant] heeft de processtukken in eerste aanleg overgelegd. Hij heeft het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg nagestuurd.
Vervolgens is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep (met producties) van Hoftijzer ingekomen.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. Met het oog op deze mondelinge behandeling heeft [appellant] nog een productie toegestuurd.

3.Feitelijke achtergrond

Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.
Hoftijzer voert een onderneming die zich bezighoudt met onderhoud van onroerende zaken. Zij verricht veel onderhoudsprojecten voor woningbouwcorporaties. Hoftijzer heeft voor de uitvoering van haar werkzaamheden eigen personeel maar zij maakt ook gebruik van de diensten van onderaannemers. Een van deze onderaannemers is [Vof] v.o.f. (hierna: [Vof]).
3.2.
[appellant] is schilder van beroep. [appellant] heeft als zzp’er enkele jaren schilderwerkzaamheden uitgevoerd via [Vof]. [appellant] en [Vof] sloten dan telkens een aannemingsovereenkomst voor een bepaald werk. Bij de stukken bevinden zich enkele van deze aannemingsovereenkomsten tussen [appellant] en [Vof]. Daarin is onder meer bepaald dat het werk door [appellant] op regiebasis wordt verricht tegen een uurtarief van € 37,- exclusief btw. [appellant] voerde zijn onderneming als eenmanszaak onder de naam Bright-Teq. Deze onderneming was ingeschreven bij het Handelsregister (“Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw – Klussen in bouw- en technische werkzaamheden”).
3.3.
Met ingang van 2 april 2024 is [appellant] gestart met schilderwerkzaamheden voor een project van Hoftijzer te Bleiswijk. Aan de werkzaamheden van [appellant] (laatstelijk op een project van Hoftijzer te Nieuwerkerk aan den IJssel) is een einde gekomen op 12 maart 2025.
3.4.
Tussen Hoftijzer en [appellant] is in geschil of tussen hen een arbeidsovereenkomst bestond. Volgens [appellant] was dat het geval en is hij op 12 maart 2025 door Hoftijzer op staande voet ontslagen. Volgens Hoftijzer bestond geen arbeidsovereenkomst tussen hen en heeft [appellant] steeds als zzp’er werkzaamheden verricht voor [Vof].

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
In eerste aanleg heeft [appellant] de kantonrechter verzocht om een verklaring voor recht dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst gold. Hij heeft verder vernietiging verzocht van het door hem gestelde ontslag op staande voet op 12 maart 2025 met daarop voortbouwende verzoeken tot wedertewerkstelling en loonbetaling (met wettelijke verhoging en wettelijke rente). Hij heeft ten slotte betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten verzocht.
4.2.
Hoftijzer heeft voorwaardelijk, voor het geval de kantonrechter de verzoeken van [appellant] zou toewijzen, ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht.
4.3.
De kantonrechter heeft de verzoeken van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

5.Beoordeling in hoger beroep

5.1.
Tegen de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen komt [appellant] op met vier grieven. Het hoger beroep strekt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en de verzoeken tot verklaring voor recht, wedertewerkstelling en loonbetaling (met wettelijke verhoging en wettelijke rente) alsmede de verzoeken tot betaling van buitengerechtelijke kosten alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Hoftijzer in de proceskosten van beide instanties. [appellant] heeft ten slotte verzocht “het meer of anders gevorderde toe te wijzen voor zover in goede justitie mogelijk, dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof rechtens juist acht”.
5.2.
Het verweerschrift van Hoftijzer in hoger beroep strekt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep. Hoftijzer heeft het hof, indien het daaraan toekomt, daarnaast verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
5.3.
Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.
5.4.
In deze zaak moet allereerst worden beoordeeld of tussen [appellant] en Hoftijzer in de periode tussen 2 april 2024 en 12 maart 2025 een overeenkomst heeft bestaan die moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.
5.5.
De kantonrechter heeft het volgende overwogen:
Voor de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst moet eerst worden vastgesteld of partijen rechten en plichten zijn overeengekomen die voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 BW Pro). Dat wil zeggen of sprake is van de verplichting om gedurende zekere tijd in dienst van de werkgever arbeid te verrichten tegen betaling van loon. Of de overeenkomst voldoet aan dat criterium hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. Daarbij is niet van belang of de partijen de bedoeling hadden om de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.
5.6.
Het hof sluit zich aan bij deze overweging, die kennelijk is ontleend aan het arrest van de Hoge Raad van 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (
Deliveroo) en de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319 (
Uber).
5.7.
Daaraan moet het volgende worden toegevoegd. In de onderhavige zaak is niet in de eerste plaats de vraag hoe de rechtsverhouding tussen partijen moet worden gekwalificeerd op basis waarvan [appellant] de werkzaamheden in de bewuste periode bij Hoftijzer heeft verricht. Daaraan gaat vooraf de vraag of [appellant] die werkzaamheden wel heeft verricht op grond van een contractuele verhouding met
Hoftijzer. In de visie van Hoftijzer was [appellant] toen immers werkzaam op basis van een aannemingsovereenkomst met [Vof] en had hij geen contractuele verhouding met haar. [1]
5.8.
Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid. Aanbod en aanvaarding behoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden. Zij kunnen in elke vorm plaatsvinden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen. [2]
5.9.
Het hof volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat hij de werkzaamheden in de periode van 2 april 2024 tot 12 maart 2015 heeft verricht op basis van een overeenkomst met Hoftijzer . Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
5.10.
Op grond van de eigen stellingen van [appellant] moet in dit geding ervan worden uitgegaan dat hij vóór 2 april 2024 als zzp’er werkte voor [Vof] op basis van een aannemingsovereenkomst.
5.11.
Via [Vof] is [appellant] in contact gekomen met Hoftijzer . Bij e-mail van 27 maart 2024 heeft [Vof] het volgende aan Hoftijzer bericht:
Zo als vandaag telefonisch afgesproken, hier bij de gegevens van de schilder van de ploeg van [naam] [het hof begrijpt: een zzp’er die een aannemingsovereenkomst had met [Vof] en op dat moment tewerkgesteld was op het project van Hoftijzer te Bleiswijk]. Hij begint vanaf dinsdag 2 april op het werk in Bleiswijk, en zo als gevraagd hij komt eerst in de ochtend op kantoor voor het papierwerk.
Bij deze e-mail waren enkele bijlagen gevoegd, waaronder stukken betreffende de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering van [appellant] en zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Voorafgaand aan de start van de werkzaamheden op 2 april 2024 is [appellant] op kantoor bij Hoftijzer geweest. Bij die gelegenheid is een “intekenformulier nieuw personeel [appellant] ” opgemaakt waarop de persoonlijke gegevens van [appellant] zijn vermeld. Vermeld is dat [appellant] in het bezit is van een VCA certificaat en een hoogwerkercertificaat (en niet in het bezit van BHV).Vermeld is ook: “In dienst van Hoftijzer Vastgoedonderhoud : Ja”. Bij “Bedrijfsreglement verstrekt:”, “Instructie uren-direct verstrekt:” en “PBM’s tas verstrekt of PBM’s in bezit:” is telkens vermeld “Ja”. Aan het slot is vermeld “Bij uitdiensttreding alle verstrekte middelen in te leveren en dit formulier als bewijs opnieuw te ondertekenen”.
5.12.
Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat dit formulier niet kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst omdat het, kort gezegd, kennelijk een andere strekking heeft dan (de schriftelijke vastlegging van) een arbeidsovereenkomst. Ook de omstandigheid dat bij “In dienst van Hoftijzer Vastgoedonderhoud ” is vermeld “Ja”, acht het hof tegenover de betwisting door Hoftijzer onvoldoende voor de conclusie dat tussen partijen ook inderdaad een arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen. [appellant] heeft gesteld dat hij het formulier niet anders heeft kunnen begrijpen dan als een (schriftelijke) arbeidsovereenkomst, maar deze stelling staat op gespannen voet met een schriftelijke uitlating van zijn advocaat aan Hoftijzer bij e-mail van 20 maart 2025.
5.13.
De voorgeschiedenis vormt een aanwijzing dat [appellant] zijn rechtsverhouding met [Vof] vanaf 2 april 2024 heeft voortgezet. Nog op 25 maart 2024 heeft [appellant] met [Vof] een aannemingsovereenkomst gesloten betreffende het project waarvoor hij vanaf 2 april daaraanvolgend ging werken. Ook op 2 december 2024 hebben [appellant] en [Vof] een aannemingsovereenkomst gesloten betreffende een project voor Hoftijzer . Dat [appellant] deze overeenkomst onder druk en onder protest heeft getekend – zoals hij bij de mondelinge behandeling in hoger beroep naar aanleiding van vragen van het hof heeft gezegd -, acht het hof niet aannemelijk geworden. Van de juistheid van deze stelling kan tegenover de betwisting door Hoftijzer niet worden uitgegaan. In deze aannemingsovereenkomst zijn [appellant] en [Vof] een uurtarief van € 37,- exclusief btw overeengekomen, het bedrag per uur dat [appellant] naderhand ook zou ontvangen. De inhoud van de e-mail van 27 maart 2024 wijst erop dat het [Vof] was die bepaalde dat [appellant] op het project van Hoftijzer zou worden ingezet. Het hof memoreert, voor zover nodig, dat deze e-mail cc naar [appellant] is gestuurd. [appellant] heeft weinig bijzonderheden uit de doeken gedaan over de inhoud van het gesprek op kantoor bij Hoftijzer op 2 april 2024. Er kan in elk geval onvoldoende uit worden afgeleid dat het gesprek het karakter van een sollicitatiegesprek heeft gehad. Dat van de zijde van Hoftijzer aan [appellant] de hoogte van het loon is meegedeeld, kan tegenover de betwisting door Hoftijzer niet als vaststaand worden aangenomen.
5.14.
[appellant] heeft ook een beroep gedaan op de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden bij de projecten van Hoftijzer . Deze feitelijke uitvoering wijst er in de visie van [appellant] op dat hij zijn werkzaamheden met ingang van 2 april 2024 heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst met Hoftijzer . Opmerking verdient dat [appellant] niet heeft gesteld dat op enig moment nadien tussen hem en Hoftijzer een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen.
5.15.
Ook op dat punt voeren zijn stellingen het hof niet tot het oordeel dat [appellant] zijn werkzaamheden vanaf 2 april 2024 heeft uitgevoerd op grond van een contractuele verhouding met Hoftijzer .
5.16.
Allereerst is het hof van oordeel dat een aantal omstandigheden waarop [appellant] een beroep doet, van onvoldoende betekenis is omdat deze omstandigheden evenzeer verenigbaar zijn met het voortduren van de aannemingsovereenkomst tussen [appellant] en [Vof] vanaf 2 april 2024. Dat geldt voor de registratie door [appellant] van de door hem gewerkte uren door middel van een app van Hoftijzer en de goedkeuring door Hoftijzer van die uren. De uren werden daarna immers doorgestuurd naar [Vof], die de uren vervolgens na facturatie door [appellant] uitbetaalde aan [appellant] . Het geldt ook voor de omstandigheden dat uniformiteit bestond in de werktijden bij de projecten van Hoftijzer , dat Hoftijzer deze werkzaamheden stroomlijnde en dat [appellant] werkkleding van Hoftijzer droeg. Het betrof immers schilderprojecten die Hoftijzer uitvoerde in opdracht van woningbouwcorporaties, een omgeving die vroeg om de nodige afstemming en herkenbaarheid. [appellant] heeft als argument ook de herkomst van de door hem te gebruiken materialen genoemd, maar uit zijn toelichting ter zitting in hoger beroep volgt dat de gang van zaken voor en na 2 april 2024 niet wezenlijk verschillend was. De stelling van [appellant] dat hij uitgenodigd werd voor personeelsfeesten en barbecues en met kerst en nieuwjaar geschenken ontving van Hoftijzer – het wordt betwist door Hoftijzer – legt voor het hof onvoldoende gewicht in de schaal. Dat geldt eveneens voor de stelling dat het [appellant] niet vrij stond zich door een ander te laten vervangen. Het hof noemt ten slotte de stelling van [appellant] dat hij aan [Vof] te kennen had gegeven meer zekerheid te wensen omdat hij voor zichzelf en zijn gezin meer rust en regelmaat en financiële zekerheid wenste en dat Hoftijzer volgens [Vof] voldoende werkvoorraad had en dat hij ( [appellant] ) deze zekerheid dus vermoedelijk bij Hoftijzer zou kunnen krijgen. Ook voor deze stelling geldt dat zij alleszins verenigbaar is met de voortzetting van de bestaande contractuele verhouding tussen [appellant] en [Vof], nog daargelaten dat deze uitlatingen Hoftijzer niet aangingen.
5.17.
Anderzijds kan niet onvermeld blijven dat zich omstandigheden hebben voorgedaan die in het nadeel pleiten van [appellant] . Afwezigheid en ziekte gaf [appellant] kennelijk door aan [Vof], niet aan Hoftijzer , waarna [Vof] Hoftijzer informeerde. [appellant] factureerde zijn uren niet bij Hoftijzer maar bij [Vof], die deze facturen betaalde.
5.18.
Daarbij komt nog het volgende. [appellant] factureerde, als gezegd, zijn uren ook vanaf 2 april 2024 bij [Vof]. Ook overigens veranderde hierbij niets vanaf 2 april 2024. [appellant] factureerde onder zijn handelsnaam en met vermelding van zijn inschrijvingsnummer bij de Kamer van Koophandel en zijn btw-nummer. De uren die [appellant] niet werkte wegens vakantie of ziekte, factureerde hij niet. [appellant] had (ook toen) een eigen bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. De betaling die [appellant] voor een gewerkt uur ontving van [Vof] (€ 37,- exclusief btw) was (ook toen) aanzienlijk meer dan het cao-uurloon in de hoogste schaal (€ 24,39), zelfs indien zou worden aangenomen dat in het bedrag van € 37,- vakantiebijslag was begrepen. Dit alles – daargelaten de mogelijke betekenis hiervan voor de kwalificatie van de overeenkomst – wijst niet op de overgang van [appellant] naar een andere contractuele wederpartij vanaf 2 april 2024.
5.19.
[appellant] heeft naar voren gebracht, kort gezegd, dat Hoftijzer heeft getracht de schijn van zelfstandigheid te creëren door de inschakeling en de rol van [Vof]. Het hof heeft in de wederzijdse stellingen en overgelegde stukken echter geen aanwijzingen gevonden voor de gegrondheid van dit verwijt aan het adres van Hoftijzer , zodat het als onvoldoende gemotiveerd wordt verworpen. De kantonrechter heeft aan het slot van de bestreden beschikking overwogen dat in het kader van deze procedure verder in het midden kan blijven hoe de overeenkomst tussen [appellant] en [Vof] van 25 maart 2024 gekwalificeerd moet worden en of die overeenkomst mogelijk een arbeidsovereenkomst is. Het hof sluit zich hierbij aan.
5.20.
De voorgaande overwegingen voeren het hof tot de conclusie dat de vraag of [appellant] zijn werkzaamheden vanaf 2 april 2024 tot 12 maart 2025 heeft verricht op grond van een contractuele verhouding met Hoftijzer ontkennend moet worden beantwoord. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan de vraag hoe de rechtsverhouding tussen partijen in die periode moet worden gekwalificeerd.
5.21.
[appellant] heeft geen bewijs aangeboden van stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden.
5.22.
De kantonrechter heeft de verzoeken van [appellant] dus terecht afgewezen. Hierop stuiten de grieven I t/m IV af. Bij verdere en afzonderlijke bespreking hiervan bestaat onvoldoende belang. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen, met afwijzing van wat [appellant] in hoger beroep meer of anders heeft verzocht.
5.23.
Bij deze uitkomst moet [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
5.24.
De proceskosten in hoger beroep worden begroot op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 2.580,- (2 punten × tarief II)
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 3.596,-.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van Hoftijzer op € 3.596,-;
bepaalt dat als [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [appellant] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat in hoger beroep meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.F. Thiessen, M.T. Nijhuis en P.S. Fluit en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Vergelijk HR 5 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8186.
2.HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1889.