Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer rechtbank : C/09/601767 / KG ZA 20-1034
1.[appellant 1] ,
8. World Traveller B.V.,
1.[geïntimeerde 1] ,
- appellanten in principaal hoger beroep, geïntimeerden in incidenteel hoger beroep: [appellant 1] en de [appellant 1] -vennootschappen, gezamenlijk [appellant 1] c.s.;
1.De zaak in het kort
actis tussen partijen een geschil ontstaan dat zij hebben opgelost door middel van een vaststellingsovereenkomst die kort gezegd voorzag in voortzetting van de
actdoor [appellant 1] c.s. tegen betaling van een licentievergoeding, op straffe van teruglevering van de activa van de
acten beëindiging van een licentie voor het gebruik van de daarmee samenhangende merk- en handelsnaamrechten. [appellant 1] c.s. heeft de betaling van die licentievergoedingen op enig moment gestaakt in afwachting van de nakoming door [geïntimeerde 1] c.s. van een verbintenis die volgens hem op [geïntimeerde 1] c.s. rustte. [geïntimeerden 1 t/m 4] vorderen in kort geding teruglevering van de betrokken activa en een verbod op inbreuk op daarmee samenhangende IE-rechten en [geïntimeerde 1] c.s. vordert betaling van de nog niet betaalde licentievergoeding. Het hof aanvaardt in dit arrest het beroep van [appellant 1] op opschorting en wijst deze vorderingen daarom af. Ook wijst het tegenvorderingen van [appellant 1] c.s. toe.
2.De procedure in hoger beroep in de hoofdzaak
3.De feiten
actDash Berlin (hierna: Dash Berlin) opgericht. In 2008 hebben zij [appellant 1] aangetrokken als de in het kader van Dash Berlin voor het publiek optredende DJ. [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 3] en [appellant 1] lieten de optredens van Dash Berlin boeken door [geïntimeerde 6] en de boekhouding van de
actvoeren door Crowe Foederer. In 2010 hebben partijen een afspraak gemaakt over de verdeling van de inkomsten van Dash Berlin.
actDash Berlin en moest daarvoor persoonlijk belastingaangiftes doen. CWA Management (hierna: CWA) heeft vanaf 2014 geadviseerd over deze Amerikaanse belastingaangelegenheden en heeft namens [appellant 1] de hiervoor benodigde persoonlijke Amerikaanse belastingaangiftes opgesteld en ingediend. Het deel van de inkomsten uit Dash Berlin dat volgens de in de vorige alinea bedoelde afspraak werd toebedeeld aan [geïntimeerden 1 t/m 4] , werd in de aangiftes vanaf 2015 opgevoerd als aftrekbare
management fees.
- [appellant 1] c.s. mag Dash Berlin alleen voortzetten, tegen een voor een bepaalde periode aan [geïntimeerden 1 t/m 4] te betalen licentievergoeding (artikelen 3 en 4).
- Daartoe dragen [geïntimeerden 1 t/m 4] hun merkrechten (artikelen 1 en 13), eigendomsrechten (artikel 2), domeinnamen (artikel 14), social media accounts (artikel 15) en huisstijl (artikel 13) met betrekking tot Dash Berlin (hierna gezamenlijk: de Dash Berlin-activa) en Aropa over aan [appellant 1] .
- Daartoe verlenen [geïntimeerden 1 t/m 4] aan [appellant 1] c.s. ook een gebruiksrecht met betrekking tot het merk Dash Berlin (artikel 6).
- Om de hoogte van de licentievergoeding te controleren mogen [geïntimeerde 1] c.s. een derde inzage laten nemen in de administratie van [appellant 1] c.s. (artikel 5).
- Indien [appellant 1] c.s. na ingebrekestelling niet (volledig) aan zijn betalings- en inzagerechtverplichtingen voldoet, moet hij de Dash Berlin-activa binnen twee weken aan [geïntimeerden 1 t/m 4] terugleveren (artikel 7).
- Daarnaast hebben partijen afspraken gemaakt met betrekking tot de afwikkeling van bepaalde fiscale aangelegenheden, waaronder die in verband met belastingheffing in de VS (artikel 21).
- Daarbij hebben partijen onder andere afgesproken dat beslagen worden opgeheven en lopende procedures worden beëindigd (artikelen 25 en 26), dat zij elkaar voor het overige finale kwijting verlenen (artikel 31) en dat de VSO niet vatbaar is voor opzegging of ontbinding (artikel 32) en zal prevaleren boven alle eerdere afspraken over beëindiging van de samenwerking (artikel 35).
De tekst van artikel 21 VSO luidt, voor zover hier van belang, als volgt: [3]
21. Partijen komen overeen dat [geïntimeerde 1] c.s. de volledige afwikkeling met de Amerikaanse belastingdienst (inclusief state tax) met betrekking tot Dash Berlin tot mei 2018 zullen organiseren en de kosten daarvan zullen dragen. Hiertoe zullen partijen de volgende afspraken maken c.q. uitwerken:
[appellant 1] c.s. zal alle correspondentie die door hem, of zijn gemachtigden met de IRS is of wordt gewisseld met betrekking tot Dash Berlin tot en met mei 2018, overleggen aan [geïntimeerde 1] c.s. en [appellant 1] c.s. garandeert dat daarin geen fiscaal ongunstige uitlatingen/toezeggingen zijn gedaan jegens alle betrokkenen.
[appellant 1] c.s. zal een volmacht hiertoe verstrekken aan [geïntimeerde 1] c.s., waarbij wordt afgesproken dat [geïntimeerde 1] c.s. alle correspondentie met de IRS aan [appellant 1] c.s. toesturen, dit binnen een termijn van uiterlijk 48 uur voordat deze communicatie aan de IRS wordt gestuurd (waarbij feestdagen en dagen in het weekend niet worden meegerekend). [geïntimeerde 1] c.s. vrijwaren [appellant 1] c.s. voor alle fiscale verplichtingen die [appellant 1] c.s. krijgt ten opzichte van de IRS na ondertekening van deze overeenkomst met betrekking tot Dash Berlin tot en met 2018 en [appellant 1] c.s. aanvaardt deze vrijwaring;
Eventuele nieuwe teruggaven van de IRS (inclusief state tax) tot en met mei 2018 komen toe aan [geïntimeerde 1] c.s. en[tourmanager, hof]
en eventuele nadere naheffingsaanslagen (inclusief state tax) zullen door [geïntimeerde 1] c.s. (en[tourmanager, hof]
) worden betaald. Eventuele teruggaven uit 2018 zullen partijen in goed overleg met elkaar verdelen naar rato van het aandeel Dash Berlin en [appellant 1] , waarbij teruggaven en/of vorderingen die betrekking hebben op het gedeelte van het jaar waarin is opgetreden onder de naam Dash Berlin toekomen aan [geïntimeerde 1] c.s. en[tourmanager, hof]
c.s.(…)
Op je vraag van de betaling, die hou ik aan tot dat partijen een oplossing hebben gevonden voor de openstaande belastingschuld 2017 in Amerika die door [geïntimeerde 3][ [geïntimeerde 3] , hof]
, [geïntimeerde 1][ [geïntimeerde 1] , hof]
en [geïntimeerde 5][ [geïntimeerde 5] , hof]
dient te worden betaald en dat is nog steeds niet gebeurd.Ik zet [advocaat 1][destijds belastingrechtelijk advocaat van [geïntimeerde 1] c.s., hof]
en [advocaat 2][ [advocaat 2] , destijds belastingrechtelijk advocaat van [appellant 1] c.s., hof]
in cc omdat zij in gesprek met elkaar zijn en mogelijk een oplossing met elkaar kunnen bedenken voor 2017.”
4.Het geschil voor de voorzieningenrechter
- de Dash Berlin-merken;
- de handelsnamen ‘Dash Berlin’, ‘Dash’ en ‘Aropa’ (hierna: de Dash Berlin-handelsnamen);
- de tekens ‘dashberlin’, ‘dashers’, ‘jeffdash’, ‘formerlyknownasdashberlin’, ‘also known as dash berlin’ en overeenstemmende tekens (hierna: de omstreden tekens);
Vordering 1: nakoming van de terugleververbintenis van artikel 7 VSO, die in werking is getreden doordat [appellant 1] c.s., na behoorlijk in gebreke te zijn gesteld, de licentiefactuur van 12 mei 2020 niet heeft betaald en geen inzage heeft gegeven in de voor de daarop volgende facturen relevante gegevens;
Vordering 2: het verval van de merklicentie van artikel 6 VSO nadat [appellant 1] c.s. de licentiefactuur van 12 mei 2020 onbetaald heeft gelaten;
Vorderingen 3 en 4.a: de merk- en handelsnaamrechten waarover [geïntimeerden 1 t/m 4] weer zouden komen te beschikken na teruglevering van de Dash Berlin-activa overeenkomstig vordering;
Vordering 4.b: strijd met de waarheid, aangezien niet [appellant 1] , maar [geïntimeerden 1 t/m 4] de producers waren van Dash Berlin.
5.De vorderingen in hoger beroep
A. [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot nakoming (op eigen kosten) van de verplichting tot volledige afwikkeling met de IRS (inclusief
state tax) met betrekking tot Dash Berlin tot mei 2018, waaronder de betaling van USD 177.291,- vermeerderd met eventuele aan de IRS verschuldigde (fiscale) boetes en rentes tot aan de algehele voldoening;
B. [geïntimeerde 1] c.s. beveelt te gehengen en te gedogen dat [appellant 1] gebruik maakt van de in de beslissing onder 7.3 van het bestreden vonnis genoemde tekens en
hashtagstotdat in de bodemzaak onherroepelijk is beslist;
C. [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk beveelt tot terugbetaling van al hetgeen [appellant 1] c.s. onverschuldigd heeft betaald ter uitvoering van het bestreden vonnis.
Grief 1: de feitenvaststelling;
Grief 2: de toewijzing in kort geding van de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s., die een ingewikkelde beoordeling vergen;
Grieven 3 tot en met 5: het beroep van [appellant 1] c.s. op verrekening dan wel opschorting in verhouding tot de afwikkelingsverbintenis van artikel 21 VSO;
Grief 6:
- de r.o. 5.30, 5.35, 5.36, 5.49 en 5.51 van het bestreden vonnis;
- de inwerkingtreding onmiddellijk na betekening van het bestreden vonnis van de beslissing onder 7.3 (verbod tot gebruiken van de Dash Berlin-merken, de Dash Berlin-handelsnamen en de omstreden tekens);
Ongenummerde Grief: de toepassing van artikel 1019h Rv.
Daarnaast doet [appellant 1] c.s. in hoger beroep (naast verrekening en opschorting) een beroep op:
- schuldeisersverzuim aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s.;
- de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid; en
- misbruik van bevoegdheid aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s.
A. het dwangsommenplafond in conventie (beslissing onder 7.9 van het bestreden vonnis) verhoogt naar € 5 miljoen;
B. de proceskostenveroordeling in conventie (beslissing onder 7.12 van het betreden vonnis) in beide instanties op de voet van 1019h Rv geheel begroot op grond van de werkelijke proceskosten van [geïntimeerde 1] c.s., met nakosten en rente.
6.De beoordeling in hoger beroep
- Daar waar tussen partijen vaststaat dat [appellant 1] door de IRS in persoon werd aangemerkt als de (enige) belastingplichtige voor de Amerikaanse belastingen over het gehele inkomen van Dash Berlin en dat daarom in het verleden namens hem op persoonlijke titel bij de IRS aangifte werd gedaan over dat gehele inkomen, kan die volmacht alleen betrekking hebben op de voortzetting van die praktijk.
- De vrijwaring voor de daarin bedoelde IRS-verplichtingen kan niet iets anders inhouden dan dat [geïntimeerde 1] c.s. instaat voor die verplichtingen, waaronder het doen van aangiftes en het betalen van belastingen.
actop persoonlijke titel moest doen in de Verenigde Staten onmogelijk was om tot een oplossing te komen waarin partijen niets meer met elkaar te maken zouden hebben. Ook dit kan [geïntimeerde 1] c.s. niet baten, omdat noch in de overwegingen of algemene bepalingen van de VSO, noch in haar artikel 21 aanknopingspunten zijn te vinden voor de stelling dat de in die bepaling beschreven verplichtingen slechts als intentie zijn bedoeld, en niet als afdwingbare verbintenissen. Dat de uitvoering van die verplichtingen door [geïntimeerde 1] c.s. enige medewerking van [appellant 1] vergde, kan ook niet leiden tot een ander oordeel. Artikel 21 VSO legt vast welke medewerking van [appellant 1] kon worden verwacht, te weten onder meer het verstrekken van een volmacht (sub b).
(i) de IRS in april 2018 moeilijke vragen had gesteld over het feit dat CWA de inkomsten uit de
actDash Berlin die volgens de verdelingsafspraken tussen partijen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] werden uitbetaald, in de Amerikaanse aangiftes opvoerde als aftrekbare
management fees, met als resultaat dat die aftrekbare
management feesabnormaal hoog waren; en
(ii) hij in 2017 de 183-dagengrens had overschreden, met als mogelijk gevolg dat hij in de VS aangifte zou moeten doen over zijn wereldwijde inkomen.
Het opvoeren van de betalingen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] als abnormaal hoge aftrekbare
management feeshad volgens [appellant 1] c.s. plaatsgevonden onder de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 1] c.s. als aanstuurder van CWA en het overschrijden van de 183-dagengrens had plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 5] als boeker. Tegelijk werd [appellant 1] in persoon door de IRS beschouwd als belastingplichtige voor het gehele inkomen van de
actDash Berlin, terwijl hij als gevolg van de verdelingsafspraken tussen partijen uiteindelijk maar een betrekkelijk gering deel van die inkomsten had ontvangen. [8] [geïntimeerde 1] c.s. was met een en ander bekend en heeft daarom bij het sluiten van de VSO begrepen dat en waarom [appellant 1] c.s wilde dat [geïntimeerde 1] c.s. met artikel 21 VSO het volledige risico op zich zou nemen van de afwikkeling van alle Amerikaanse fiscale aangelegenheden met betrekking tot de periode tot aan mei 2018, het moment waarop de samenwerking tussen partijen was beëindigd en [appellant 1] c.s. zelf de controle kreeg over zijn optredens, zijn Amerikaanse aangiftes en zijn correspondentie met de IRS, zo betoogt nog steeds [appellant 1] c.s. Daarbij wijst [appellant 1] c.s. er ook op dat [geïntimeerde 1] c.s. in ruil voor de aanvaarding van dit risico een bedrag van circa 1,4 miljoen euro aan teruggaven van de IRS mocht behouden (artikel 20 VSO) en ook aanspraak mocht maken op eventuele nieuwe teruggaven over de periode tot en met mei 2018 (artikel 21 sub c VSO).
tax residentwordt beschouwd en (ii) er vervolgens te laat aangifte is gedaan, waardoor [appellant 1] geen beroep meer kon doen op woonplaatsbehandeling op grond van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de VS met betrekking tot belastingen naar het inkomen. [appellant 1] heeft in de aanloop naar het sluiten van de VSO niet gemeld dat zijn Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was ingediend, ook niet toen Crowe Foederer hem had gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot de Amerikaanse belastingen. Bovendien heeft een advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. in haar actielijst van 16 mei 2019 aan de advocaten van [appellant 1] c.s. onder andere vermeld “Afrekening 2018” en “Door fiscaal adviseurs gezamenlijk opstellen aangifte IRS in de VS over 2018”, zonder dat de advocaten van [appellant 1] c.s. hebben gereageerd dat die actielijst moest worden aangevuld met het (gezamenlijk) opstellen van de Amerikaanse aangifte 2017. [geïntimeerde 1] c.s. wist bij het aangaan van de VSO daarom niet dat (i) [appellant 1] bij de IRS geen beroep meer zou kunnen doen op woonplaatsbehandeling en dat (ii) er vertragingsrente en -boetes zouden moeten worden betaald, zo betoogt nog steeds [geïntimeerde 1] c.s.
- Organisatoren van artiestevenementen moeten in de Verenigde Staten een bedrag aan belasting (
withholding tax) inhouden op de gage die zij aan de betrokken artiest betalen en aan de IRS afdragen.
- In de VS moet elk jaar uiterlijk op 15 april bij de IRS een aangifte inkomstenbelasting (
income tax return) worden gedaan over de inkomsten van het voorgaande jaar. Daarvan kan twee keer uitstel worden aangevraagd: een eerste keer automatisch tot 15 oktober en een tweede keer om persoonlijke redenen tot 15 december. Bij de late indiening brengt de IRS vertragingsrente en -boetes in rekening.
- Evenementorganisatoren houden bij het door hen in te houden belastingbedrag geen rekening met de door de artiest gemaakte kosten, maar de artiest kan deze kosten in zijn aangifte wel in aftrek brengen van zijn inkomen. Dit kan ertoe leiden dat het volgens de aangifte te betalen belastingbedrag lager is dan het ingehouden bedrag aan
withholding taxen dat de artiest geld terugkrijgt van de IRS, of, andersom, dat de artiest iets moet bijbetalen.
- Na het indienen van een aangifte inkomstenbelasting moet de belastingplichtige meteen het volgens die aangifte verschuldigde belastingbedrag betalen. Daarna volgt controle van de IRS en, voor zover daartoe noodzaak wordt gezien, onderzoek, in voorkomend geval gevolgd door een naheffingsaanslag.
- Tussen Nederland en de VS bestaat een Overeenkomst met betrekking tot belastingen naar het inkomen.
- De Nederlander die minder dan 183 dagen in de Verenigde Staten is verbleven, wordt door de IRS beschouwd als
non tax residenten moet daarom bij de IRS door middel van een formulier 1040 NR alleen aangifte doen over zijn Amerikaanse inkomen en over dat bedrag Amerikaanse belasting betalen.
- Boven die grens wordt hij door de IRS aangemerkt als
tax residenten moet hij daarom bij de IRS door middel van een formulier 1040 aangifte doen over zijn wereldwijde inkomen en over dat bedrag Amerikaanse belasting betalen, tenzij hij een beroep kan doen op woonplaatsbehandeling op grond van de hiervoor bedoelde Overeenkomst. Voor dat laatste is noodzakelijk dat hij dat beroep tijdig indient door middel van een ingevuld formulier 8833 (“Treaty-Based Return Position Disclosure”), uiterlijk op de datum waarop hij aangifte had moeten doen, zoals daarvoor in voorkomend geval uitstel is verleend. Als hij dat verzoek niet uiterlijk op die datum indient, moet hij aangifte doen over zijn wereldwijde inkomen.
(i) de Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was ingediend, waardoor geen sprake kon zijn van een mededelingsplicht aan de zijde van [appellant 1] c.s.; dan wel
(ii) daar onzekerheid over bestond, waardoor [geïntimeerde 1] c.s. daar nader onderzoek naar had moeten verrichten en de gevolgen van het niet ingediend zijn van die aangifte dus moeten worden geacht te zijn verdisconteerd in de VSO.
in de periode tot aan de beëindiging van de samenwerking tussen partijensteeds namens [appellant 1] de Amerikaanse belastingaangiftes heeft opgesteld en ingediend die deze volgens de IRS op persoonlijke titel moest doen over het inkomen van de gehele
actDash Berlin. Vast staat ook dat CWA dat deed in samenspraak met [geïntimeerde 6] en Crowe Foederer, en dat [geïntimeerde 1] c.s. daarom tot aan die beëindiging volledig op de hoogte was of kon zijn van de aangiftes aan en correspondentie met de IRS met betrekking tot het gehele inkomen van Dash Berlin.
- Het hof gaat voorbij aan de stelling van [appellant 1] c.s. dat [geïntimeerde 6] niet was opgedragen om zijn fiscale aangelegenheden te regelen en dat [geïntimeerde 6] voor Dash Berlin alleen als boeker werkte, omdat die niet afdoet aan het voorgaande.
- Het hof leidt uit het voorgaande af dat [geïntimeerde 1] c.s. tot aan de beëindiging van de samenwerking tussen partijen volledig op de hoogte was van de status van de Amerikaanse belastingrechtelijke aangelegenheden van Dash Berlin.
- [appellant 1] c.s. stelt dat CWA tot aan de beëindiging van de samenwerking uitsluitend werd aangestuurd door [geïntimeerde 5] en Crowe Foederer en dat hij door CWA en [geïntimeerde 1] c.s. niet werd geïnformeerd over de inhoud van de Amerikaanse aangiftes die CWA in die periode namens hem deed en over de overige correspondentie uit die periode met de IRS. [geïntimeerde 1] c.s. heeft dat betwist, maar heeft die betwisting niet onderbouwd met stukken waaruit bijvoorbeeld zou blijken dat CWA in die periode Amerikaanse aangiftes en overige correspondentie in concept aan [appellant 1] heeft voorgelegd alvorens die in te dienen respectievelijk te versturen. Daarom acht het hof aannemelijk dat [appellant 1] tot aan de beëindiging van de samenwerking tussen partijen niet op de hoogte was van de inhoud van de Amerikaanse aangiftes die CWA namens hem had ingediend en van de correspondentie die CWA namens hem met de IRS had gevoerd.
tot aan de beëindiging van de samenwerking tussen partijenhet deel van de inkomsten uit de
actDash Berlin dat volgens de verdelingsafspraken tussen partijen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] werd uitbetaald als aftrekbare
management feesopvoerde in de Amerikaanse aangiftes die het namens [appellant 1] deed.
- [appellant 1] c.s. stelt onbetwist dat deze aldus opgevoerde
management feesongebruikelijk hoog waren.
Account transcriptsvan de IRS aangevoerd dat de Amerikaanse aangiftes
2011 tot en met 2016alle (veel) later zijn ingediend dan 15 december van het op het belastingjaar volgend jaar, de indieningsdatum na tweede uitstel. [12] - [geïntimeerde 1] c.s. heeft dat betwist, maar heeft niet toegelicht waarom de betrokken
Account transcriptsop dat punt onjuist zijn:
Belastingjaar 15 december J+1 Aangifte2011 15 december 2012 20 mei 2013
2012 15 december 2013 21 maart 2015
2013 15 december 2014 12 september 2016
2014 15 december 2015 16 mei 2016
2015 15 december 2016 20 februari 2017
2016 15 december 2017 5 maart 2018
- [appellant 1] c.s. voert daarom terecht aan dat partijen er in de betrokken periode niet vanuit konden gaan dat de Amerikaanse aangiftes op tijd werden ingediend, en er rekening mee moesten houden dat die deels zelfs veel te laat werden ingediend.
25 april 2018heeft de IRS (via CWA) aan [appellant 1] een
Information Document Request(hierna: IDR 1) gestuurd met vragen over de Amerikaanse aangifte 2015. [13] - [geïntimeerde 1] c.s stelt dat het daarbij om standaardvragen ging, maar [appellant 1] c.s. heeft onder verwijzing naar onder andere het e-mailbericht van 18 februari 2019 van TSJ aan [appellant 1] en zijn advocaten met betrekking tot die vragen (zie hierna onder x.) [14] toegelicht dat het daarbij ging om vragen met betrekking tot het feit dat het deel van de inkomsten van de
actdat in 2015 op grond van de verdelingsafspraak tussen partijen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] was uitbetaald, in de Amerikaanse aangifte 2015 (namens [appellant 1] ) was opgevoerd als aftrekbare
management fees. Anders dan [geïntimeerde 1] c.s. aanvoert, sluit het feit dat de IRS achteraf genoegen heeft genomen met een uitleg van CWA op dat punt en een voornemen tot correctie heeft aangekondigd van ongeveer $ 200.000,- niet uit dat de in het IDR 1 gestelde vragen in de periode tussen april 2018 en het sluiten van de VSO in mei 2019 reden tot zorg waren, niet alleen met betrekking tot de Amerikaanse aangifte 2015, maar ook voor de daarop volgende aangiftes, voor zover daarin dezelfde aftrekbenadering zou worden gevolgd.
- Het hof heeft hiervoor onder c. geoordeeld dat tussen partijen vaststaat dat deze aftrekpost ongebruikelijk hoog was.
- [appellant 1] c.s. voert daarom terecht aan dat [geïntimeerde 1] c.s., aan wie CWA toen nog rapporteerde (zie hierna onder h.) vanaf dat moment wist of moest weten dat:
(i) de afwikkeling van de Amerikaanse aangifte en belasting 2015 tot problemen kon leiden; en
(ii) datzelfde onderwerp naar zijn aard ook relevant was voor de aangiftes over de daarop volgende jaren, waaronder het jaar 2017.
17 mei 2018heeft [appellant 1] in een mail aan [geïntimeerden 1 t/m 4] bericht dat hij na september 2018 niet meer beschikbaar zou zijn voor boekingen door [geïntimeerde 6] voor Dash Berlin. [15] Op
24 mei 2018hebben [geïntimeerden 1 t/m 4] daarop gereageerd dat de keuze voor de boeker bij hen lag en dat de keuze om boekingen wel of niet te aanvaarden bij [appellant 1] lag.
- Daarmee is tussen partijen niet in geschil dat de samenwerking tussen hen in het kader van Dash Berlin daarmee op 24 mei 2018 feitelijk tot een einde is gekomen. Dat [appellant 1] , zoals [appellant 1] c.s. stelt, met zijn bericht van 17 mei 2018 niet de samenwerking met [geïntimeerden 1 t/m 4] heeft willen opzeggen, is daarbij niet van belang.
- Tussen partijen is evenmin in geschil dat de Amerikaanse aangifte 2017 op dat moment nog niet was gedaan en dat [geïntimeerde 1] c.s. dat wist of moest weten.
op dat momentniet beschikte over de gegevens om de Amerikaanse aangifte 2017 te kunnen indienen, omdat alleen [geïntimeerde 5] en Crowe Foederer daarover beschikten.
eind mei 2018ook het opdrachtgeverschap over CWA met betrekking tot de Amerikaanse fiscale aangelegenheden van Dash Berlin naar zich toegetrokken, waardoor [geïntimeerde 1] c.s. vanaf dat moment niet meer op de hoogte was van de inhoud van de contacten met de IRS.
- [appellant 1] c.s. heeft dat betwist, maar heeft die betwisting onvoldoende onderbouwd. Dat hij, zoals hij aanvoert, CWA pas op 10 december 2018 heeft ontslagen en vervangen door TSJ bevestigt dat hij zich tot aan die datum heeft beschouwd als opdrachtgever van CWA. Bovendien volgt uit mailcorrespondentie tussen een advocaat van [appellant 1] en CWA van 24 oktober 2018 [16] dat [appellant 1] c.s. op enig moment daarvoor het opdrachtgeverschap van CWA heeft overgenomen van [geïntimeerde 1] c.s. en CWA heeft verboden om zonder toestemming informatie te delen met [geïntimeerde 1] c.s. In die correspondentie klaagt de advocaat van [appellant 1] er namelijk over dat CWA zonder overleg informatie heeft gedeeld met een advocaat van [geïntimeerde 5] , waarop CWA bevestigt dat niet meer te zullen doen.
- Daarmee is aannemelijk geworden dat [geïntimeerde 1] c.s. vanaf enig moment in of na mei 2018 niet meer op de hoogte werd gehouden van de status van de Amerikaanse belastingaangelegenheden van Dash Berlin.
9 juni 2018op verzoek van CWA aan [appellant 1] een eerste uitstel verleend voor het indienen van de Amerikaanse aangifte 2017, tot 15 oktober 2018. [17] - Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde 1] c.s. hiervan op de hoogte is gebracht.
5 oktober 2018heeft de IRS aan CWA een tweede
Information Document Request(hierna: IDR 2) gestuurd, met vervolgvragen over de aangifte 2015. [18]
15 oktober 2018is geen Amerikaanse aangifte 2017 ingediend.
- [geïntimeerde 1] c.s. voert aan dat de betrokken indieningstermijn niet op 15 oktober 2018 eindigde, maar op 15 december 2018. [appellant 1] c.s. heeft dat echter gemotiveerd weersproken, onder overlegging van
Account transcriptsvan de IRS voor het belastingjaar 2017 van 5 april 2019 en 30 maart 2023 [19] waaruit blijkt dat op 9 juni 2018 het hiervoor bedoelde eerste automatische uitstel is verleend tot 15 oktober 2018 en dat daarna geen tweede uitstel om persoonlijke redenen is verzocht tot 15 december 2018.
- Dat CWA op 28 juli 2020 aan onder anderen [geïntimeerde 5] en [appellant 1] heeft geschreven dat zij “filed an extension for the filing of the 2017 federal income tax return for [appellant 1] [ [appellant 1] , hof] allowing a filing date of December 15, 2018” [20] , moet daarom op een vergissing berusten.
- In haar overzicht van 11 januari 2021 schrijft TSJ weliswaar dat “
the ultimate US tax filing deadline of 15 December 2020 (for non-US residents and after filing two requests for extension and approval of delayed filing) will be missed” omdat zij op 14 december 2019 kennis heeft genomen van het IDR 2 en de daarin bevraagde aftrek, maar verderop in datzelfde overzicht, bij de maand februari 2019, schrijft zij dat zij toen mogelijkheden zag om voor [appellant 1] Nederlandse of tenminste dubbele woonplaatsbehandeling te vragen, maar dat zij toen de Amerikaanse aangifte 2017 niet heeft ingediend omdat de IDR 1 en 2 met betrekking tot het belastingjaar 2015 nog invloed konden hebben op die aangifte en omdat “
the return was overdue at October 15, 2018 already as no second extension was requested”. [21] In haar e-mailbericht van 16 augustus 2021 aan mr. Koedooder [22] licht TSJ ook toe dat zij er ten tijde van haar informatieverzoek van 10 december 2018 aan [geïntimeerde 5] (met verwijzing naar een indieningstermijn van diezelfde week, zie hierna onder m.) van uitging dat namens [appellant 1] was verzocht om het additionele uitstel tot 15 december 2019.
- [geïntimeerde 1] c.s. voert ook aan dat het Amerikaanse belastingstelsel voorziet in afwijkende aangiftetermijnen voor buitenlandse belastingplichtigen, met een eerste termijn op uiterlijk 15 juni, automatisch verlengbaar met zes maanden tot 15 december. Het hof volgt [geïntimeerde 1] c.s. niet in dat standpunt, omdat uit de
Account transcripts2017 van de IRS van 5 april 2019 en 30 maart 2023 volgt dat de IRS, bij gebreke van een tweede verzoek om uitstel, 15 oktober 2019 heeft gehanteerd als aangiftetermijn na het verlengingsverzoek van 9 juni 2018 en [geïntimeerde 1] c.s. op dat punt verder geen onderbouwing heeft gegeven.
- Daarmee is de Amerikaanse aangifte 2017 niet tijdig ingediend.
- [appellant 1] c.s. voert aan dat dat de schuld van [geïntimeerde 1] c.s. is, omdat hij toen nog CWA aanstuurde, maar uit het voorgaande volgt dat toen niet [geïntimeerde 1] c,s., maar [appellant 1] c.s. CWA aanstuurde, waardoor dit niet aanvragen van een tweede uitstel in de risicosfeer van [appellant 1] c.s lag.
10 december 2018heeft [appellant 1] c.s. CWA ontslagen als fiscaal adviseur voor de Verenigde Staten en in plaats daarvan TSJ benoemd. [23]
dezelfde daghet volgende geschreven aan [geïntimeerde 5] :
Op verzoek van de heer [appellant 1] gaan wij aan de slag met zijn US aangifte 2017.
- Het hof leidt uit dit informatieverzoek van TSJ af dat [geïntimeerde 1] c.s. op 10 december 2018 begreep of moest begrijpen dat:
(ii) de indieningstermijn volgens TSJ 15 december 2018 was;
(iii) TSJ zich ging inspannen om die termijn te halen; en
(iv) daarvoor noodzakelijk was dat [geïntimeerde 1] c.s. tijdig gegevens moest aanleveren.
10 december 2018, “a tremendous amount of information” heeft verstrekt aan TSJ [25] en TSJ beschrijft in een eveneens later chronologisch overzicht dat zij op die datum “2017 information from CWA requested from [medewerker CWA, hof” heeft ontvangen [26] .
- [geïntimeerde 1] c.s. stelt dat hij eerder, ter uitvoering van een eerder kortgedingvonnis, een grote hoeveelheid fiscale informatie had verstrekt aan [appellant 1] c.s., dat CWA met de hier bedoelde informatieoverdracht van 10 december 2018 heeft voldaan aan het informatieverzoek van eerder die dag van TSJ aan [geïntimeerde 5] , en dat TSJ daarmee over alle gegevens beschikte om voor 15 december 2018 de Amerikaanse aangifte 2017 te doen, op een moment waarop zij nog namens [appellant 1] had kunnen vragen om Nederlandse woonplaatsbehandeling en in die aangifte dus had kunnen volstaan met het aangeven van diens Amerikaanse inkomen.
- Het hof volgt [geïntimeerde 1] c.s. niet in deze betwisting. Het gaat hier niet om de vraag of TSJ op 10 december 2018 voldoende gegevens heeft ontvangen van CWA om aangifte te kunnen doen – al dan niet alleen gebaseerd op het Amerikaanse inkomen van [appellant 1] – maar om de vraag of [geïntimeerde 1] c.s., mede op grond van de uitlatingen en gedragingen van partijen op dat moment, later, bij het sluiten van de VSO, mocht denken dat de Amerikaanse aangifte 2017 was ingediend. Dat is volgens het hof niet het geval. [geïntimeerde 1] c.s. heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat CWA op die dag de door haar bedoelde “tremendous amount” aan gegevens aan TSJ heeft verstrekt in reactie op een verzoek daartoe van [geïntimeerde 1] c.s. In haar chronologisch overzicht van 5 augustus 2020 verwijst CWA ook niet naar een dergelijk verzoek, maar naar een eigen afweging om die gegevens met TSJ te delen teneinde de overdracht te vereenvoudigen. [27] Bovendien is het onwaarschijnlijk dat [geïntimeerde 1] c.s. al op 10 december 2018 aan CWA opdracht heeft gegeven om bepaalde gegevens aan TSJ te verstrekken als Crowe Foederer een dag later als enige inhoudelijke reactie op het verzoek van TSJ geeft dat zij een schriftelijke machtiging van [appellant 1] wenst te ontvangen (zie de volgende alinea). Zonder bericht van TSJ dat indiening op uiterlijk 15 december 2018 was gelukt, mocht [geïntimeerde 1] c.s. er daarom op dat moment niet van uitgaan dat dat TSJ was gelukt.
11 december 2018heeft Crowe Foederer op het informatieverzoek van TSJ aan [geïntimeerde 5] van 10 december 2018 geantwoord dat zij namens [geïntimeerde 5] op dat verzoek zou reageren en TSJ verzocht om een schriftelijke machtiging van [appellant 1] over te leggen. [28] - Zolang hij de gevraagde gegevens niet had verstrekt kon [geïntimeerde 1] c.s. er niet vanuit gaan dat TSJ de Amerikaanse aangifte 2017 zonder tegenbericht tijdig zou hebben ingediend uiterlijk op 15 december 2018
14 december 2018heeft CWA aan TSJ het IDR 2 van 5 oktober 2018 (zie hiervoor onder e.) verstrekt. [29]
15 december 2018is de hypothetische tweede uitsteltermijn verstreken.
- TSJ heeft later toegelicht dat zij toen geen Amerikaanse aangifte 2017 heeft ingediend omdat zij ondertussen kennis had genomen van het IDR 2 en het daarin aan de orde gestelde onderwerp van het als aftrekbare
management feesopvoeren van de betalingen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] uit de inkomsten van de
act. Zij heeft ook toegelicht dat zij die aangifte in de periode daarna evenmin heeft kunnen indienen, wegens datzelfde probleem en het daarna gebleken probleem van de overschrijding van de 183-dagengrens (zie hierna). [30] - Niet is gesteld of gebleken dat deze informatie destijds met [geïntimeerde 1] c.s. is gedeeld.
19 december 2018heeft TSJ het volgende geschreven aan [appellant 1] :
Mijn collega’s bevestigen het volgende:
[ [appellant 1] , hof]far exceeded the 183 days and is therefore considered a Resident. Since he is a dual resident and treaty tieing to NL, we are still required to file FBARs and modified Form 5471. (…)
non tax residents, maar vermeldt niet dat dat formulier 8833 op 19 december 2018 niet meer kon worden ingediend omdat het uiterlijk tijdig met de aangifte voor (in dit geval) 15 oktober had moeten worden ingediend.
- Niet is gesteld of gebleken dat deze informatie meteen met [geïntimeerde 1] c.s. is gedeeld.
21 december 2018heeft TSJ aan [appellant 1] gemeld dat de dagen waarvan CWA namens [appellant 1] in de Amerikaanse aangifte 2016 heeft aangegeven dat [appellant 1] in 2015 en 2016 in de VS is verbleven, niet klopten. [32]
24 december 2018heeft [appellant 1] c.s. in de Haarlemse kortgedingprocedure een akte genomen waarin hij onder andere de volgende standpunten heeft ingenomen: [33]
39. TSJ heeft uitgezocht dat [appellant 1][ [appellant 1] , hof]
in 2017 die drempel[van 183 dagen, hof]
overschreden heeft (Productie 37). Dat hebben CWA en gedaagden[ [geïntimeerde 1] c.s., hof]
echter niet opgemerkt. Het is de vraag welk aantal dagen [geïntimeerde 5] aan CWA heeft opgegeven, en waarom zij niet hebben opgemerkt dat de drempel overschreden werd. (…)
Met name geldt dat [appellant 1] voor 2017 in Amerika aangifte had moeten doen (of nog moet doen, dat wordt thans onderzocht)” in punt 40 betwijfelen of de Amerikaanse aangifte 2017 inmiddels was ingediend.
- Daarnaast lag het op grond van de mededeling in punt 39 van de pleitaantekeningen namens [appellant 1] c.s. dat de 183-dagengrens in 2017 was overschreden en van de beschrijving van de fiscale gevolgen daarvan in punt 40 van diezelfde aantekeningen op de weg van [geïntimeerde 1] c.s. om het bij die akte als productie 37 gevoegde bericht van TSJ aan [appellant 1] van 19 december 2018 (zie hiervoor onder r.) nader te bekijken en te beoordelen.
- Uit dat bericht volgde duidelijk dat in 2017 de 183-dagengrens was overschreven, dat dit in beginsel als gevolg had dat [appellant 1] door de IRS als
US tax residentwordt aangemerkt, dat TSJ ging proberen om door middel van het formulier 8833 een verzoek om woonplaatsbehandeling in te dienen, en dat voor zowel dat 8833-verzoek als de Amerikaanse aangifte 2017 nadere gegevens nodig waren.
- Vanaf dat moment was [geïntimeerde 1] c.s. daarom van een en ander op de hoogte of had hij daarvan op de hoogte moeten zijn, en had hij er toen al vanuit moeten gaan dat die Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was ingediend, en dus dat deze in ieder geval niet tijdig was ingediend voor de destijds door partijen veronderstelde termijn van uiterlijk 15 december 2018.
9 januari 2019heeft de mondelinge behandeling van de Haarlemse kortgedingprocedure plaatsgevonden. Tijdens die mondelinge behandeling heeft de belastingrechtelijk adviserende advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. de volgende passage uit haar pleitaantekeningen voorgedragen, in reactie op de punten 37 tot en met 42 van de akte van [appellant 1] c.s. van 24 december 2018: [34] “
Los van de vraag wat [geïntimeerde 5] van doen heeft met het aantal dagen dat [appellant 1] al dan niet in de VS verbleef, geven ook deze passages geen blijk van een goed begrip van het fiscale recht. Namens [appellant 1] wordt gesteld dat hij in 2017 op basis van het 183 dagen criterium mogelijk belastingplichtig is in de VS. Zelfs als de 183 dagen zouden zijn overschreden (…) leidt dat – naar alle waarschijnlijkheid – niet tot heffing in de VS. [appellant 1] woont immers in Nederland en het belastingverdrag tussen Nederland en de VS kent in dat geval heffingsrecht toe aan het land waarin men een woning aanhoudt.”
- [appellant 1] c.s. voert op grond van deze passage terecht aan dat [geïntimeerde 1] c.s. op 9 januari 2019 het bestaan van het 183 dagen-probleem en de gevolgen daarvan heeft onderkend en goed heeft begrepen.
14 februari 2019heeft TSJ in een mailbericht aan Crowe Foederer, met een
forwardvan haar eerdere verzoek om informatie van 10 december 2018 aan [geïntimeerde 5] (zie hiervoor onder m.), gemeld dat zij uitstel zou aanvragen voor indiening van de Amerikaanse aangifte 2018 en gevraagd of Crowe Foederer bepaalde daarvoor benodigde gegevens kon verstrekken. TSJ besloot dat bericht met het verzoek aan Crowe Foederer of deze daarom:
“
naast de onderstaande informatie, de informatie van de 2018 shows van [appellant 1] c.s.[kon, hof]
doen toekomen”,
waarbij zij met “onderstaande informatie” verwees naar de informatie waar zij op 10 december 2018 om had gevraagd. [35] - [geïntimeerde 1] c.s. voert aan dat dit bericht betrekking had op gegevens die TSJ nodig had om uitstel te vragen voor de Amerikaanse aangifte 2018 en dat daaruit geen gevolgen kunnen worden getrokken voor de Amerikaanse aangifte 2017, maar ziet daarbij over het hoofd dat TSJ haar verzoek aan Crowe Foederer heeft gedaan in de vorm van een
forwardvan haar eigen verzoek van 10 december 2018 en de reactie van Crowe Foederer daarop van 11 december 2018, met de vraag of Crowe Foederer “naast de onderstaande informatie” (ook) de nieuwe door haar gevraagde gegevens over 2018 zou kunnen verstrekken.
- [appellant 1] c.s. betoogt terecht dat [geïntimeerde 1] c.s. uit deze herinnering al helemaal had moeten opmaken dat het TSJ niet was gelukt om de Amerikaanse aangifte 2017 voor 15 december 2018 in te dienen en die ook niet zou kúnnen indienen zolang [geïntimeerde 1] c.s. haar niet de door haar gevraagde gegevens zou hebben verstrekt.
15 februari 2019heeft Crowe Foederer een brief gericht aan [geïntimeerde 6] die later als Bijlage 3 is opgenomen bij de VSO. Die brief bevat een financiële berekening met betrekking tot Dash Berlin over de jaren 2011 tot en met 2018 en bevat onder andere de volgende uitleg bij die berekening:
“
De IRS aangiften zijn in de Verenigde Staten door professionele belastingadviseurs ingediend (…), wij hebben deze derhalve als gegeven genomen.”
- Anders dan [geïntimeerde 1] c.s. aanvoert, bieden de woorden “De IRS aangiften zijn (…) ingediend” geen steun voor de door haar bepleite uitleg van artikel 21 VSO waarin de Amerikaanse aangifte 2017, die nog niet was ingediend, van het toepassingsbereik van die bepaling wordt uitgesloten. De betrokken volzin is niet bedoeld als signaal voor de inhoud van de te sluiten VSO, maar als toelichting op hoe Crowe Foederer haar berekening heeft verricht, en verwijst met een bepaald lidwoord naar ingediende aangiftes, zonder dat daaruit volgt dat álle voor de relevante periode relevante aangiftes zijn ingediend.
18 februari 2019heeft TSJ een bericht met de volgende inhoud gestuurd aan [appellant 1] en zijn belastingrechtelijk adviserende advocaten:
Ik kom hierbij bij jullie terug op de status van de beantwoording van de 2015 vragenbrief van de IRS.
r ontbreken (…) nog een aantal punten van informatie.
et name het eerste punt[is]
belangrijk omdat dit ook betrekking heeft op de invulling van de 2017 US aangifte.” [36]
dezelfde daghebben de advocaten van [geïntimeerde 1] c.s. aan de advocaten van [appellant 1] c.s. een concept gestuurd voor de VSO met daarin een artikel 14 dat er kort gezegd in voorzag dat iedere partij haar eigen fiscale zaken behartigt.
19 februari 2019heeft TSJ aan Crowe Foederer een herinnering gestuurd aan haar eerdere verzoek van 14 februari 2019 (dat zelf een herinnering was aan haar informatieverzoek van 10 december 2018, zie hiervoor onder m. en v.), met een verzoek om “onderstaande informatie omtrent de US shows in 2017 en 2018”. [37] Daar heeft Crowe Foederer later op die dag op gereageerd met een hernieuwd verzoek om een schriftelijke machtiging van [appellant 1] met een kopie van diens identiteitsbewijs en met de mededeling dat zij na ontvangst daarvan met haar cliënten zou overleggen of en op welke termijn zij die stukken zou kunnen overleggen. Zij voegde daaraan toe dat zij die stukken niet zelf had, maar deze uit de administratie van haar cliënten moesten komen. [38]
later op 19 februari 2019heeft de belastingrechtelijk adviserende advocaat van [appellant 1] c.s. afwijzend gereageerd op het hiervoor onder y. bedoelde concept VSO van [geïntimeerde 1] c.s. van een dag eerder, en een alternatief schikkingsvoorstel gedaan. [39] Hij heeft bij zijn mailbericht het hiervoor onder x. bedoelde mailbericht van TSJ aan [appellant 1] en hemzelf gevoegd en daar in zijn mailbericht de volgende toelichting bij gegeven:
Bijgaand doe ik u een mail van[TSJ, hof]
toekomen, waaruit duidelijk blijkt dat [appellant 1][ [appellant 1] , hof]
rap open kaart moet gaan spelen met de IRS.”
management feeopvoeren van het deel van de inkomsten van Dash Berlin dat volgens de verdelingsafspraken tussen partijen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] was uitbetaald. [geïntimeerde 1] c.s. kan daarom worden geacht te hebben begrepen wat TSJ in haar mail van 18 februari 2019 bedoelde met “de 2015 vragenbrief van de IRS” en met de daarop volgende beschrijving van de voor beantwoording van die brief benodigde gegevens. Zoals hiervoor geoordeeld had hij in die eerdere periode tot aan mei 2018 ook moeten begrijpen dat die vragen relevant waren voor de aangiftes over de op 2015 volgende jaren.
- TSJ wijst er in de laatste hiervoor onder x. aangehaalde volzin van haar mail van 18 februari 2019 uitdrukkelijk op dat bepaalde punten met betrekking tot de vragen over de Amerikaanse aangifte 2015 ook van belang zijn voor de “invulling” van de Amerikaanse aangifte 2017. Het hof volgt [geïntimeerde 1] c.s. niet in zijn betoog dat Amerikaanse aangiftes gaandeweg kunnen worden aangevuld en dat hij dat “invullen” daarom had kunnen opvatten als het aanvullen van een reeds over 2017 gedane aangifte. Dat strookt niet met de normale betekenis van “een aangifte invullen”, en het had in dat geval voor de hand gelegen dat TSJ woorden zou hebben gebruikt als “omdat de 2017 US aangifte op dat punt moet worden aangevuld”.
- Dit was dus opnieuw een moment waarop [geïntimeerde 1] c.s., indien hij nog dacht dat de Amerikaanse aangifte 2017 al was ingediend, had moeten begrijpen dat dat nog niet was gebeurd.
20 februari 2019heeft [appellant 1] aan Crowe Foederer in reactie op haar verzoek van een dag eerder een mail gestuurd waarin hij TSJ machtigt, met een kopie van zijn identiteitsbewijs. [40] - Niet is gesteld of gebleken dat Crowe Foederer vervolgens alsnog aan TSJ de gegevens heeft verstrekt waar deze naar had gevraagd om namens [appellant 1] de Amerikaanse aangifte 2017 te kunnen indienen.
“
21. Partijen committeren zich aan het gezamenlijk optreden richting de IRS (…).(…)d.Voor zover de afwikkelingvan de aangiften 2012-2015in de VS leidt tot (na)heffing zal daartoe (primair) het bedrag dat thans geparkeerd staat op de rekening van[ [geïntimeerde 6] , hof]
worden aangewend. (…) Voor zover daarvan een gedeelte resteert zal worden gehandeld in lijn met hetgeen is vermeldonder c. Voor zover het geparkeerde bedrag niet volstaat (bijvoorbeeld vanwege heffingsrente of aanvullende beschikkingen e.d.) zal het bedrag dat het geparkeerde bedrag overstijgt doorde groep gezamenlijk[geïntimeerde 1] c.s.worden gedragenop basis van de percentages zoals die volgen uit de in 2010 overeengekomen verdeelsleutel(…)omdat [geïntimeerde 1] c.s. er voor kiezen om geen correctie aangiftes in de VS te doen en het risico nemen van boetes en oplopende heffingsrenten. (…)(…)”,
met de volgende toelichting in de kantlijn:
“
Let op, dat die aanslagen alleen maar het bedrag van 1.4 mio kunnen overstijgen omdat heffingsrente en boete dient te worden betaald. Het is hun keuze om geen correctie aangiften te betalen. Het is derhalve aan hun om die boeten en heffingsrente te betalen”. [41] - [appellant 1] c.s. voert op grond hiervan terecht aan dat voor [geïntimeerde 1] c.s. kenbaar was dat de belastingrechtelijk adviserende advocaat van [appellant 1] c.s. vond dat het niet correct was om de betalingen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] uit de inkomsten van de
actals
management feesop te voeren, en dat [appellant 1] c.s. niet wilde opdraaien voor de gevolgen van die niet met hem besproken keuze.
24 april 2019hebben de advocaten van [geïntimeerde 1] c.s. aan de advocaten van [appellant 1] c.s. na meerdere tussenversies een concept voor de VSO gestuurd met daarin een artikel 23 dat in grote lijnen lijkt op het uiteindelijk overeengekomen artikel 21, zij het voor een periode niet beperkt tot mei 2018. [42]
- Het hof leidt hieruit ook af dat [appellant 1] c.s. er vanaf dat moment mee rekening moest houden dat hij aan [geïntimeerde 1] c.s. feiten en omstandigheden moest melden waarvan hij wist of behoorde te weten dat die voor [geïntimeerde 1] c.s. relevant zouden zijn voor het aangaan van deze verplichting, tenzij hij ervan mocht uitgaan dat [geïntimeerde 1] c.s. daar al mee bekend was.
8 mei 2019heeft Crowe Foederer onder andere de volgende vraag aan CWA gesteld:
1. Questions still need to be answered for the open years 2015, 2016 and 2017. This seems to be mainly about the fact that the IRS wants to get a management agreement between [appellant 1] and [geïntimeerde 4] BV and [geïntimeerde 2] BV.” [43]
- Op grond van de berichten van TSJ aan Crowe Foederer van 14 en 19 februari 2019 en de door (de advocaten van) [appellant 1] c.s. aan (de advocaten van) [geïntimeerde 1] c.s. doorgestuurde of in de Haarlemse kortgedingprocedure geproduceerde berichten van TSJ aan [appellant 1] van 19 en 21 december 2018 en 18 februari 2019 moest [geïntimeerde 1] c.s. op dat moment al lang en breed weten dat de Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was ingediend.
9 mei 2019heeft Crowe Foederer de (in de tussentijd ontvangen) antwoorden van CWA op haar vragen aan een advocaat van [appellant 1] doorgestuurd en aan die advocaat de volgende vervolgvraag gesteld met betrekking tot zijn in de vorige alinea aangehaalde vraag:
Om punt 1 goed te kunnen inschatten is het van belang dat wij alle correspondentie die beschikbaar is tussen IRS en (adviseurs van) [appellant 1][ [appellant 1] , hof]
krijgen.
- Uit het feit dat [geïntimeerde 1] c.s. vervolgens de VSO heeft ondertekend, met daarin de in artikel 21 onder a geregelde gegevensvertrekking, volgt dat [geïntimeerde 1] c.s. daar genoegen mee heeft genomen.
15 mei 2019hebben de advocaten van [geïntimeerde 1] c.s. aan de advocaten van [appellant 1] c.s. een concept VSO gestuurd met daarin de tekst van artikel 21 zoals uiteindelijk overeengekomen. [45] In haar begeleidende e-mail heeft de belastingrechtelijk adviserende advocaat van [geïntimeerde 1] het volgende toegelicht:
“
Ik vergat (…) dat cliënten de factuur over de state tax zullen betalen (…), in het kader van dat zij alle naheffingsaanslagen onder de IRS zullen betalen. Dat wensen zij voor de goede orde dan wel ook in de VSO over te nemen. Ik heb dus opgenomen: “IRS (inclusief state tax)”.” [46] - Het in artikel 21 aanhef VSO opnemen van de woorden “(inclusief state tax)” werpt op zichzelf geen licht op de hier aan de orde zijnde vraag van uitleg van die bepaling. Het hof heeft hiervoor onder 6.16 al geoordeeld dat het gebruik van het woord “naheffingsaanslag” niet tot een andere uitleg leidt dan die [appellant 1] c.s. heeft bepleit.
16 mei 2019heeft een civielrechtelijk adviserende advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. aan de advocaten van [appellant 1] c.s. een mail gestuurd met de volgende tekst, met daaraan gehecht de eindversie van de VSO:
14. Door fiscaal adviseurs gezamenlijk opstellen aangifte IRS in de VS over 2018
- Tussen partijen is evenmin in geschil dat dit stuk destijds pas is opgesteld om te kunnen dienen als verantwoording voor het opvoeren van de betalingen aan [geïntimeerden 1 t/m 4] als aftrekbare
management feesin de belastingaangiften van [appellant 1] , en dat alle partijen destijds baat hadden bij dit stuk ter onderbouwing van die aftrek, met het oog op de beantwoording van de vragen van de IRS met betrekking tot de Amerikaanse aangifte 2015.
- Omdat het voor de hand ligt dat voor de Amerikaanse aangifte 2017 dezelfde benadering gevolgd zou worden als die zou worden verantwoord voor de aangifte 2015, is ook dat een indicatie dat [geïntimeerde 1] c.s. bij het sluiten van de VSO wist of behoorde te weten dat de Amerikaanse aangifte 2017 nog niet was ingediend.
managementovereenkomst (punt 111), de noodzaak van die vastlegging voor het kunnen indienen van de Amerikaanse aangifte 2017 (punt 112) en bepaalde andere standpunten van [appellant 1] c.s. (punten 113 en 114) is voor de hiervoor verrichte beoordeling niet ter zake doende.
Op je vraag van de betaling, die hou ik aan tot dat partijen een oplossing hebben gevonden voor de openstaande belastingschuld 2017 in Amerika die door[ [geïntimeerde 3] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 5] , hof]
dient te worden betaald en dat is nog steeds niet gebeurd”. [50]
- na het sluiten van de VSO is de samenwerking tussen [appellant 1] c.s. en TSJ in juni 2019 beëindigd en hebben partijen het Amerikaanse belastingadvieswerk opnieuw belegd bij CWA;
- deze heeft op 7 maart 2020 aan [appellant 1] , Crowe Foederer en [geïntimeerde 5] een concept Amerikaanse aangifte 2017 gestuurd, opgesteld op basis van het wereldwijde inkomen, onder verwijzing naar het feit dat Crowe Foederer en [geïntimeerde 5] daarvoor gegevens hadden aangeleverd; [52] - op 17 maart 2020 heeft CWA op verzoek van [appellant 1] verduidelijkt dat die aangifte resulteert in een te betalen belasting van $ 120.912,- te vermeerderen met vertragingsrente- en boetes voor in totaal $ 177.291,- indien voor 30 maart 2020 zou worden betaald; [53] - CWA heeft die aangifte op 28 april 2020 ingediend, met daarin opgenomen een te betalen belastingbedrag van $ 120.912,-. [54]
- Namens [geïntimeerde 1] c.s. is al op 29 juli 2019 en op 7 augustus 2019, toen het tussen partijen ging over het niet ingediend zijn van de Amerikaanse aangifte 2017, het standpunt ingenomen dat die kwestie niet viel onder de verplichtingen van [geïntimeerde 1] c.s. uit hoofde van artikel 21 VSO. [55] - [appellant 1] heeft in een e-mailbericht van 10 maart 2020 aan CWA, met kopie aan Crowe Foederer en [geïntimeerde 5] , aan Crowe Foederer gevraagd om aan [geïntimeerde 5] te vragen om zorg te dragen voor de betaling van $ 120.912,- aan verschuldigde belasting; [56] - de belastingrechtelijk adviserende advocaat van [geïntimeerde 1] c.s. heeft daar op 12 maart 2020 op gereageerd met het bericht dat de kwestie van de Amerikaanse aangifte 2017 [geïntimeerde 1] c.s. niet aangaat; [57] en
- na protest van de zijde van [appellant 1] c.s. heeft die advocaat dat standpunt op 6 mei 2020 herhaald. [58]
- Voor zover [geïntimeerde 1] c.s. heeft willen betogen dat [appellant 1] c.s. vóór het sluiten van de VSO niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 21 onder a VSO, heeft hij niet toegelicht dat en waarom uit die bepaling voor [appellant 1] c.s. al in die periode verbintenissen kunnen zijn voortgevloeid.
- Voor zover [geïntimeerde 1] c.s. heeft willen betogen dat [appellant 1] c.s. daar na het sluiten van de VSO niet aan heeft voldaan, kan hem dat evenmin baten. [appellant 1] c.s. heeft namelijk onweersproken aangevoerd dat Crowe Foederer en daarmee [geïntimeerde 1] c.s. over de voor de Amerikaanse aangifte 2017 benodigde administratie beschikte, en in het licht lag het op de weg van [geïntimeerde 1] c.s. om nader te specificeren welke stukken hij nog nodig had, wanneer hij die heeft opgevraagd en wanneer deze al dan niet zijn verstrekt.
- [geïntimeerde 1] c.s. heeft evenmin toegelicht waarom de in die bepaling afgegeven garantie in die zin moet worden uitgelegd dat de daar bedoelde “fiscaal ongunstige uitlatingen of toezeggingen”, zoals [geïntimeerde 1] c.s. stelt, mede omvat het niet ingediend zijn van de Amerikaanse aangifte 2017. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval.
- Anders dan [geïntimeerde 1] c.s. aanvoert, heeft [appellant 1] c.s. [geïntimeerde 1] c.s. na het sluiten van de VSO niet in het ongewisse gelaten over de status van de Amerikaanse aangifte 2017. Uit mailcorrespondentie tussen CWA en Crowe Foederer van 23 juli 2019 [59] en tussen CWA en de echtgenote van [appellant 1] van dezelfde dag [60] volgt namelijk dat op dat moment bij beide partijen bekend was dat de Amerikaanse aangiftes 2017 en 2018 nog niet waren ingediend, dat [appellant 1] wachtte op een
letter of engagementvan CWA en dat [geïntimeerde 5] volgens [appellant 1] nog gegevens zou moeten aanleveren voor de Amerikaanse aangiftes 2017 en 2018.
- [geïntimeerde 1] c.s. voert ten onrechte aan dat [appellant 1] c.s. voor hem heeft verzwegen dat hij CWA in april 2020 zijn Amerikaanse aangifte 2017 heeft laten indienen. Op 7 maart 2020 heeft CWA namelijk aan [appellant 1] , Crowe Foederer en [geïntimeerde 5] een concept voor die aangifte gestuurd dat zij had opgesteld op basis van gegevens die Crowe Foederer en [geïntimeerde 5] hadden aangeleverd. [61] Op 10 maart 2020 heeft [appellant 1] met kopie aan Crowe Foederer en [geïntimeerde 5] daarop geantwoord met een vraag over het belastingbedrag van $ 120.912,- en de wens dat die aangifte zo snel mogelijk zou worden wordt ingediend. [62]
- De vorderingen 1 tot en met 4.a van [geïntimeerden 1 t/m 4] , die alle (rechtstreeks of in het geval van vordering 3 middellijk) gegrond zijn op de inwerkingtreding van de terugleverplicht van artikel 7 VSO of het verval van de licentie van artikel 6 VSO zijn daarom niet toewijsbaar.
- De vordering 4.b van [geïntimeerden 1 t/m 4] is evenmin toewijsbaar. Daarbij geldt naast het geslaagde beroep van [appellant 1] c.s. op opschorting, met betrekking tot het gebruik van de term “producer”, dat [appellant 1] c.s., voorafgaand aan de teruglevering van de activa van de onderneming Dash Berlin ter uitvoering van het bestreden vonnis, eigenaar was van die activa en daarom de
actDash Berlin controleerde. Zonder toelichting, die [geïntimeerde 1] c.s. niet heeft gegeven, valt niet te begrijpen waarom [appellant 1] het dan niet in zijn macht zou hebben om zichzelf aan te wijzen als organisator en daarmee als producer van de
act. Voor zover [geïntimeerden 1 t/m 4] hadden bedoeld te betogen dat [appellant 1] zichzelf met betrekking tot de muziek die hij als DJ van Dash Berlin heeft gespeeld in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als fonogrammenproducent in de zin van artikel 1 aanhef en onder d Wet op de naburige rechten, hebben zij daartoe onvoldoende gesteld.
- Gelet op het voorgaande zijn de vordering van [geïntimeerden 1 t/m 4] in eerste aanleg om aan de veroordelingen 1 tot en met 4.b een dwangsomveroordeling te verbinden, en hun vordering in hoger beroep A. om het door de rechtbank vastgestelde dwangsomplafond te verhogen, evenmin toewijsbaar.
- De vorderingen 5 en 6 van [geïntimeerde 1] c.s. zijn evenmin toewijsbaar, omdat het hiervoor bedoelde opschortingsrecht voortduurt totdat [geïntimeerde 1] c.s. heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 21 VSO en [geïntimeerde 1] c.s. niet heeft gesteld dat hij dat heeft gedaan.
Het hof zal daarom het bestreden vonnis, voor zover gewezen in conventie, vernietigen en de betrokken vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. afwijzen. Bij deze stand van zaken hoeft het hof niet te beoordelen Grief 6 en het beroep van [appellant 1] c.s. op schuldeisersverzuim aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s., de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en misbruik van bevoegdheid aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s.
hashtagsen tekens gebruikt vatbaar voor een verzwaring met dwangsommen, als prikkel om te voorkomen dat [geïntimeerde 1] c.s. naar derden toe aanvoert dat [appellant 1] c.s. daar niet toe is gerechtigd.
- Het hof zal voor de eerste aanleg in conventie uitgaan van het liquidatietarief voor normale kort gedingen van (destijds) € 1.016,-.
- Het hof zal de kosten van de eerste aanleg in reconventie op nihil stellen, omdat de stellingen van [appellant 1] c.s. in reconventie volledig samenvallen met die van zijn verweer in conventie.
- Het hof heeft in zijn arrest van 1 maart 2022 in de diverse door [appellant 1] c.s. opgeworpen incidenten al beslist over de proceskosten in die incidenten, namelijk dat die moeten worden gecompenseerd.
- Partijen hebben zich niet uitgelaten over de waarde van de onderneming Dash Berlin, die voorwerp is van de vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. De vordering van [appellant 1] c.s. onder A. houdt volgens hem onder andere betaling in van tenminste $ 177.291,-, hetgeen na aftrek van de door hem niet betwiste vordering van [geïntimeerde 1] c.s. ad € 81.380,66 een bedrag oplevert dat valt binnen liquidatietarief IV (€ 40.000 tot € 98.000). Het hof zal daarom voor de hoger beroepen dat tarief toepassen.
7.Beslissing
state tax) met betrekking tot Dash Berlin tot en met mei 2018 volledig af te wikkelen en te betalen, waaronder:
- indien na onderzoek op kosten van [geïntimeerde 1] c.s. blijkt dat nog een bedrag openstaat aan Amerikaanse belasting over het jaar 2017: het volledig aan de Amerikaanse
Internal Revenue Servicebetalen van het nog openstaande bedrag; en
- indien na dat onderzoek blijkt dat [appellant 1] c.s. een deel van die belasting aan de
Internal Revenue Serviceheeft betaald: het volledig vergoeden van dat bedrag aan [appellant 1] c.s., in euro’s tegen de dagkoers van de datum waarop [appellant 1] c.s. die betaling(en) heeft gedaan;
een en ander te vermeerderen met eventueel aan de
Internal Revenue Serviceverschuldigde (fiscale) boetes en rentes totdat de betrokken belastingen geheel zijn voldaan;
hashtagszo lang als [appellant 1] c.s. voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van de artikelen 3 tot en met 5 VSO of ten opzichte van [geïntimeerde 1] c.s. een geldig beroep kan doen op opschorting van die verplichtingen;
- veroordeelt [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijde van [appellant 1] c.s. begroot op € 15.497,50, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als [geïntimeerde 1] c.s. deze niet binnen veertien dagen na vandaag heeft betaald;
- bepaalt dat als [geïntimeerde 1] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en [appellant 1] c.s. hem vervolgens dit arrest betekent, hij hoofdelijk de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 92,-, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als hij deze niet binnen veertien dagen na betekening heeft betaald;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;