ECLI:NL:GHDHA:2026:2043

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
200.201.255/02
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 3:317 lid 1 BWArt. 6:89 BWArt. 6:162 BWArt. 41 NR 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige advisering effectenlease door niet-vergunde tussenpersoon met kennis Dexia

Deze civiele zaak betreft een effectenleaseovereenkomst tussen Dexia en wijlen Contractant, waarbij de vraag centraal stond of de tussenpersoon Spaar Select zonder vereiste vergunning beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn.

Het hof bevestigt dat Spaar Select vergunningplichtig advies heeft gegeven, gebaseerd op gesprekken over de financiële situatie en wensen van Contractant, en dat Dexia dit wist of behoorde te weten. Dexia heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij naliet de werkwijze van de tussenpersoon te controleren.

De vordering van de erfgenamen is niet verjaard omdat de sommatiebrieven voldoende stuiting vormden. Het beroep op klachtplicht faalt omdat het hier gaat om onrechtmatige daad. Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding, inclusief wettelijke rente, en in de proceskosten van eerste aanleg en hoger beroep.

Het hof vernietigt het bestreden vonnis en verklaart dat Dexia aan haar verplichtingen heeft voldaan nadat zij de schade heeft vergoed. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad en Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens Contractant en moet volledige schadevergoeding betalen, met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.201.255/02
Zaaknummer rechtbank: : 3643685 / CV EXPL 14-7182
Arrest van 23 juni 2026
in de zaak van
[appellante] ,handelend namens de gezamenlijke erfgenamen van wijlen [Contractant] ,
wonende in [plaats] ,
appellante,
hierna te noemen: [appellante] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.
tegen
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,

1.De procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 9 december 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

2.De procedure in hoger beroep

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep;
  • de memorie van grieven met producties;
  • de memorie van antwoord met producties;
  • de nadere akte van [appellante] ;
  • de antwoordakte van Dexia;
  • de akte uitlaten jurisprudentie met producties van [appellante] ;
  • de antwoordakte met producties van Dexia.
2.2.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De kern van de zaak

3.1.
Deze zaak gaat over een effectenleaseovereenkomst, tot stand gekomen tussen Dexia en de heer [Contractant] (wijlen)(hierna te noemen: Contractant) via een tussenpersoon, Spaar Select. In hoger beroep is aan de orde de vraag of Contractant is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade aan [appellante] vergoeden.
3.2.
Dexia heeft – zakelijk weergegeven en voor zover relevant in hoger beroep - gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat Dexia ten aanzien van de met Contractant gesloten effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer] (hierna: de effectenleaseovereenkomst) aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan Contractant is verschuldigd. Verder heeft Dexia gevorderd dat de kantonrechter Contractant veroordeelt in de proceskosten.
3.3.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia tegenover Contractant aan al haar verplichtingen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst heeft voldaan en op grond daarvan niets meer aan Contractant verschuldigd is. Ook heeft de kantonrechter Contractant in de proceskosten veroordeeld.

4.De beoordeling

4.1.
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder het kopje ‘Feiten’. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2.
In hoger beroep heeft [appellante] grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, en het afwijzing van de vordering van Dexia.
4.3.
Dexia heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
Verjaring
4.4.
Dexia heeft een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [appellante] . Dat beroep gaat niet op. De vordering van [appellante] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart door verloop van vijf jaren vanaf het moment waarop Contractant daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon (artikel 3:310 lid 1 BW Pro). De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW Pro). Of de schriftelijke mededeling voldoet als stuitingshandeling hangt niet alleen af van de inhoud van de mededeling, maar ook van de context waarin deze werd gedaan en de overige omstandigheden van het geval. Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW Pro niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt. [1]
4.5.
Gelet op de inhoud van de sommatiebrieven en de context waarin deze aan Dexia zijn gestuurd, moet het Dexia duidelijk zijn geweest dat zij rekening moest houden met de mogelijkheid dat de vordering van Contractant/ [appellante] alsnog geldend gemaakt zou worden. Ook moet het Dexia duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering van Contractant/ [appellante] zij zich in dat geval zou moeten (kunnen) verweren. In de sommatiebrief van 28 augustus 2008 staat immers welke verwijten Contractant Dexia maakt ter zake van de effectenleaseovereenkomst, waaronder dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld. De onderhavige vordering van [appellante] is gegrond op artikel 6:162 BW Pro. Het feit dat [appellante] aanvoert dat Dexia een wettelijke plicht heeft geschonden, namelijk artikel 41 NR Pro 1999, betekent niet dat er sprake is van een van de onrechtmatige daad-grondslag te onderscheiden vordering gegrond op artikel 41 NR Pro 1999. Voor het stuiten van de vordering op grond van onrechtmatige daad was het niet nodig dat Contractant ook expliciet in zijn stuitingsberichten vermeldde dat hij Dexia onrechtmatig handelen verweet specifiek (ook) op grond van artikel 41 NR Pro 1999.
4.6.
De conclusie is dat [appellante] de verjaring heeft gestuit, zodat het beroep van Dexia op verjaring faalt.
Klachtplicht
4.7.
Het beroep van Dexia op schending van de klachtplicht faalt. De klachtplicht (artikel 6:89 BW Pro) ziet op prestaties van een schuldenaar die niet aan zijn verbintenis beantwoorden. Artikel 6:89 BW Pro geldt dus niet voor een vordering uit onrechtmatige daad, waarvan hier sprake is (HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1176, rov. 3.6).
Juridisch kader
4.8.
Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [appellante] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met Contractant (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan Contractant is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met Contractant Spaar Select als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang. [2]
Advisering
4.9.
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
  • i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
  • ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
  • iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten. [3]
4.10.
[appellante] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder “Advisering door Spaar Select” onder meer in het eerste processtuk van [appellante] in eerste aanleg. De stellingen van [appellante] komen, samengevat, op het volgende neer. Contractant is door een medewerker van Spaar Select thuis bezocht voor een adviesgesprek. Tijdens het gesprek is gesproken over financiële situatie en wensen van Contractant. De medewerker vertelde Contractant dat hij een overwaarde op zijn woning had en dat op een goede manier kon laten renderen. De medewerker adviseerde Contractant om zijn hypotheek te verhogen en met dat geld een effectenleaseproduct van Dexia af te nemen. Contractant heeft op het advies vertrouwd, het advies opgevolgd en de overeenkomst afgesloten, aldus [appellante] .
4.11.
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen Contractant en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen betwist. Dexia betoogt dat uit de blote – en overigens ook onjuiste – stellingen van [appellante] en de overgelegde producties niet volgt dat Spaar Select vergunningplichtig advies heeft uitgebracht aan Contractant. Dexia wijst er daarnaast op dat er rekening mee dient te worden gehouden dat de stellingen van [appellante] sjabloonmatig zijn opgesteld. Dexia meent dat deze omstandigheid een zwaarwegende aanwijzing vormt voor de onjuistheid van de stellingen van [appellante] . Dexia stelt dat het onjuist is dat Spaar Select een vaste werkwijze had, waarbij altijd een gepersonaliseerde aanbeveling werd gegeven. Daarbij wijst Dexia onder meer op een verklaring van de oprichter en toenmalig bestuursvoorzitter van Spaar Select, waaruit volgens Dexia blijkt dat het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling voor het jaar 2000 geen deel was van de werkwijze van Spaar Select. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van de tussenpersoon bij Contractant en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [appellante] voor waar worden gehouden. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.
4.12.
Meer concreet heeft Dexia in dit geval nog aangevoerd dat de feitelijke stellingen van [appellante] niet kloppen en gestandaardiseerd zijn. Uit de uiteenzetting van de feiten in de conclusie van antwoord blijkt namelijk niet dat Spaar Select met Contractant heeft gesproken over zijn financiële situatie en doelstellingen of dat in dat processtuk door [appellante] de stelling is betrokken dat de overeenkomst als geschikt voor Contractant is gepresenteerd. Dat [appellante] deze stellingen wel in de laatste akte van haar inneemt, komt omdat Leaseproces namens [appellante] feitelijke stellingen inneemt al naar gelang de jurisprudentie zich verder ontwikkelt.
4.13.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [appellante] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.
4.14.
Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële) afnemers, terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen afnemers slechts zelden in algemene zin pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Het betreft hier een eigen verantwoordelijkheid van Dexia. Zij heeft niet erop mogen vertrouwen dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet in strijd met de wet handelden. Dat Dexia de stellingen van [appellante] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico. In de verhouding met [appellante] komt ook voor haar risico dat zij – naar eigen zeggen – pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) wist dat de inhoud van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon van doorslaggevende betekenis zouden zijn.
4.15.
Naar het oordeel van het hof moet de door [appellante] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [appellante] volgt namelijk dat (i) de tussenpersoon met Contractant heeft gesproken over zijn financiële situatie en wensen, (ii) Contractant het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct aan Contactant heeft voorgesteld als geschikt voor hem, en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Naar het oordeel van het hof bieden de door [appellante] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten voor het standpunt van [appellante] dat Spaar Select met Contractant de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [appellante] de stelling dat er is geadviseerd, hiermee voldoende gemotiveerd onderbouwd. De omstandigheid dat [appellante] haar stellingen eerst later in deze procedure heeft geconcretiseerd, maakt anders dan wat Dexia betoogt niet dat deze nadere concretisering op voorhand als ongeloofwaardig moet worden aangemerkt.
4.16.
Dexia heeft de door [appellante] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal haar daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dexia heeft immers onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [appellante] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid.
4.17.
De stellingen die Dexia voor het overige heeft ingenomen, gaan uit van een onjuist (achterhaald) adviesbegrip. Het hof gaat uit van het begrip ‘advies’ zoals omschreven door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing.
4.18.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat Spaar Select vergunningplichtig advies heeft gegeven aan Contractant in de zin van de prejudiciële beslissing.
Wetenschap Dexia
4.19.
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [appellante] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [appellante] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [appellante] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan Contractant.
4.20.
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [appellante] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist of moest weten dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst tegenover Contractant als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat Spaar Select aan de eisen van artikel 41 NR Pro 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat Contractant door Spaar Select werd geadviseerd. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat Spaar Select Contractant advies heeft gegeven.
4.21.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Tussenconclusie
4.22.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 1 slaagt. Dexia heeft onrechtmatig gehandeld en moet de schade volledig aan [appellante] vergoeden.
4.23.
De door [appellante] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door Contractant betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus (dividend)uitkeringen) en het niet vergoede gedeelte van de eventueel betaalde (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. De berekening kan worden gebaseerd op het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [appellante] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Ook dient een eventueel eerder betaalde schadevergoeding in aanmerking te worden genomen. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf elk moment waarop schade wordt geleden. Het voorgaande betekent voor de onderhavige inleg, bestaande uit termijnbetalingen en eventuele aflossingen, dat de wettelijke rente over elk betaald gedeelte van de inleg verschuldigd wordt vanaf de dag van betaling van het desbetreffende gedeelte (ECLI:NL:HR:2015:1198). Daarbij geldt dat er geen voordeelstoerekening plaatsvindt op de ten tijde van de schadebegroting reeds verschenen wettelijke rente omdat een aanspraak op wettelijke rente over nadeel dat bij de voordeelstoerekening tegen voordelen wegvalt, moet worden geacht niet te zijn ontstaan. Slechts over het nadeel dat na voormelde wijze van voordeelstoerekening resteert, kan wettelijke rente in aanmerking worden genomen (ECLI:NL:HR:2017:164, rov. 3.6.3). Indien in het verleden een uitbetaling op grond van het zogenoemde Hofmodel heeft plaatsgevonden, dient Dexia nog 1/3 deel van de restschuld te voldoen. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van dat deel van de restschuld door [appellante] aan Dexia tot de voldoening door Dexia.
Slotsom en proceskosten
4.24.
Uit het voorgaande volgt dat de eerste grief van [appellante] slaagt. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Grief 2 en 3 hoeven geen behandeling. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd.
4.25.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Contractant/ [appellante] is daarom ten onrechte in de proceskosten veroordeeld zodat grief 4 slaagt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.

5.De uitspraak

Het hof:
5.1.
vernietigt het bestreden vonnis,
en opnieuw rechtdoende:
5.2.
verklaart voor recht dat Dexia aan al haar verplichtingen met betrekking tot de overeenkomst met nummer [nummer] heeft voldaan nadat zij alle schade die [Contractant] uit hoofde van de overeenkomst heeft geleden, heeft vergoed in overeenstemming met rechtsoverweging 4.23 in dit arrest;
5.3.
veroordeelt Dexia in de proceskosten in eerste aanleg, en begroot die kosten aan de zijde van [appellante] op € 150,00;
5.4.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 314,00 aan griffierecht en op € 2.580,00 (2 punten × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.5.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
5.6
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, R.F. Groos en H.F.P. van Gastel, en is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

1.HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:274.
2.HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935.
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862 (hierna: de prejudiciële beslissing).