Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2026:133

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
BK-24/300
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Wet WOZArt. 22 Wet WOZArt. 40 Wet WOZArt. 7:4 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen WOZ-waarde woning en verzoek uitstel zitting afgewezen

Belanghebbende, eigenaar van een vrijstaande woning, stelde beroep in tegen de WOZ-waarde van €596.000 vastgesteld door de heffingsambtenaar. De rechtbank wees het beroep af en weigerde uitstel van de zitting ondanks ziekte van de gemachtigde. Belanghebbende ging in hoger beroep.

Het Hof oordeelt dat het verzoek om uitstel ten onrechte is afgewezen omdat ziekte een gewichtige reden is en de rechtbank onvoldoende belangenafweging maakte. De zaak wordt daarom door het Hof zelf afgedaan. De informatieverplichting van de heffingsambtenaar is niet geschonden; de gebruikte waarderingsmethode en vergelijkingsobjecten zijn adequaat en transparant.

De WOZ-waarde van €596.000 wordt bevestigd omdat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en rekening is gehouden met de matige staat van de woning en perceelsomstandigheden. Verzoeken tot uitbetaling van proceskosten aan de gemachtigde worden afgewezen omdat de belastingrechter hierover niet bevoegd is. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitkomst: Het Hof vernietigt het vonnis over het uitstel, bevestigt de WOZ-waarde van €596.000 en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/300

Uitspraak van 8 januari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: G. Gieben)
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 14 februari 2024, nummer SGR 22/7008.

Procesverloop

1.1.
De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2021 van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats] (de woning), voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 596.000 (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan belanghebbende voor het jaar 2022 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (de aanslag).
1.2.
De Heffingsambtenaar heeft het tegen de beschikking en de aanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 50. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 138. De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk ingediend, aangeduid als verweerschrift.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 oktober 2025. De Heffingsambtenaar is verschenen. Belanghebbende is met bericht van verhindering niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een vrijstaande woning uit 2007 en beschikt over drie bouwlagen en twee dakkapellen. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 349 m2 en het gebruiksoppervlakte van de woning is ongeveer 162 m2.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft – voor zover in hoger beroep van belang – geoordeeld:
“Verzoek tot uitstel van de zitting
1. De gemachtigde van belanghebbende heeft de ochtend van de zitting schriftelijk aan de rechtbank bericht dat hij vanwege ziekte niet aanwezig is bij de zitting, daarbij heeft hij tevens een verzoek tot uitstel ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, nu het op de weg van gemachtigde had gelegen zorg te dragen voor vervanging. Dat gemachtigde geen vervanging kon regelen, komt, gelet op de omvang van diens organisatie, voor zijn rekening en risico te komen.
Waarde van de woning
2. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 569.000.
3. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar met de matrix en wat overigens is aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag is vastgesteld. De rechtbank acht de door verweerder gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar met de woning. In tegenstelling tot wat belanghebbende stelt, zijn de vergelijkingsobjecten gelegen in dezelfde wijk als de woning. Met de scheurvorming heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden door in de matrix uit te gaan van een matige staat van de woning. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat het perceel ondoelmatig is en dat hiermee in de waardering rekening moet worden gehouden. De blote stelling van belanghebbende dat het huis te groot is in verhouding tot de tuin, is hiervoor onvoldoende. De heffingsambtenaar heeft tot slot 28 m² van het perceel op nihil gewaardeerd omdat dit deel van het perceel sloot is. Hij heeft de grootte van de sloot op het perceel van belanghebbende onderbouwd aan de hand van een luchtfoto en kadastrale kaart.
Overleggen van stukken
5. Belanghebbende heeft gesteld dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase diverse stukken had moeten verstrekken waarover hij beschikte en waarmee belanghebbende de juistheid van de vastgestelde waarde kan controleren, dan wel waarmee de vastgestelde waarde inzichtelijk wordt gemaakt. De rechtbank stelt vast dat in de bezwaarfase het taxatieverslag met daarop drie referentiewoningen aan belanghebbende is toegezonden.
6. De heffingsambtenaar heeft verklaard geen gebruik te maken van grondstaffels, liggingsfactoren, indexeringscijfers van de onderbouwingen naar de waardepeildatum en KOUDV-factoren. De rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen. Deze gegevens konden dus niet aan belanghebbende worden verstrekt. Belanghebbende heeft ook om de waardering van de bijgebouwen verzocht. De heffingsambtenaar is niet verplicht om deze te verstrekken. Waarderen is geen exacte wetenschap en het beoordelen van de juistheid van de waarde gaat niet over de vraag of de juiste bedragen van samenstellende onderdelen van het object zijn vastgesteld, maar om de beoordeling van de WOZ-waarde als geheel.[1] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar aan zijn verplichting van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ voldaan, ook in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 18 augustus 2023.[2]
7. Ook is de rechtbank niet gebleken van schending van het motiveringsbeginsel dan wel schending van enig ander rechtsbeginsel. De heffingsambtenaar is in de uitspraak op bezwaar voldoende ingegaan op de gronden van belanghebbende.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
[1] Gerechtshof Den Haag 19 mei 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:886.
[2] Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of de Rechtbank het verzoek om uitstel van de zitting ten onrechte heeft afgewezen, of de Heffingsambtenaar de informatieverplichting heeft geschonden en of de waarde van de woning op een te hoog bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Heffingsambtenaar ontkennend.
4.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, wijziging van de beschikking naar een waarde van de woning van € 476.000, tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslag en tot vergoeding van de proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep.
4.3.
De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Uitstel zitting
5.1.
Belanghebbende heeft gesteld dat zijn gemachtigde de avond voor de zitting ziek is geworden. Om die reden is de ochtend van de zitting een verzoek gedaan tot uitstel van de zitting. Op de zitting stonden twaalf zaken gepland waarin de gemachtigde zou optreden. Het was niet mogelijk om een kantoorgenoot van de gemachtigde op de dag van de zitting vrij te maken en ervoor te zorgen dat deze persoon om 10 uur in de ochtend in Den Haag zou zijn, nog daargelaten dat de tijd ontbrak voor de voorbereiding van de twaalf zaken.
5.2.
Het Hof stelt het volgende voorop. Indien een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig, onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of hij zich daarop niet kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen dag te doen plaatsvinden, dient de rechter dat verzoek in te willigen, tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende belangen aan uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient de rechter in zijn uitspraak te motiveren (zie HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:358, r.o. 3.2 en HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:789, r.o. 2.2.2 en HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529, r.o. 3.3.1).
5.3.
De omstandigheid dat de gemachtigde wegens ziekte verhinderd was de zitting bij te wonen, vormt een gewichtige reden die ertoe leidt dat de rechter het uitstelverzoek in de regel toewijst. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat de rechter tot het oordeel komt dat ondanks de ziekte (i) het belang van een behoorlijke procesorde – die afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat – ernstig in het gedrang zou komen indien het onderzoek ter zitting zou worden aangehouden, en (ii) dit belang onder de gegeven omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de belanghebbende om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn (HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:525). Het oordeel van de Rechtbank geeft geen blijk van een zodanige belangenafweging. Het oordeel dat het op de weg van de gemachtigde had gelegen om zorg te dragen voor vervanging en dat de omstandigheid dat dit niet gelukt is voor rekening en risico van belanghebbende komt, is onbegrijpelijk gelet op de korte tijdspanne tussen de ziekte en de zitting en het aantal zaken waarin vervanging zou moeten plaatsvinden en de voorbereiding van het aantal zaken door die vervanger.
5.4.
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de uitspraak van de Rechtbank om die reden moet worden vernietigd. Belanghebbende heeft het Hof verzocht de zaak zelf af te doen. Ook het Hof ziet daartoe aanleiding om redenen van efficiency en voortgang van de zaak. Het Hof zal de zaak daarom zelf afdoen.
Schending informatieverplichting
5.5.
Belanghebbende stelt dat sprake is van schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het kan niet zo zijn dat de Heffingsambtenaar bij de waardebepaling niets heeft gedaan met de verschillen in kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen (de KOUDV-factoren) tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. Het tegendeel blijkt uit het taxatieverslag onder het kopje ‘kenmerken object’ en uit de gedingstukken van de beroepsprocedure. De Heffingsambtenaar had inzicht in die factoren moeten geven en hij had de gevraagde gegevens op verzoek moeten verstrekken. Verder is vergeefs in de bezwaarfase om een onderbouwing van de indexeringspercentages verzocht . In de bezwaarfase is überhaupt geen geïndexeerd verkoopcijfer genoemd van de vergelijkingsobjecten. Volgens belanghebbende is de waarde van de woning in de bezwaarfase niet inzichtelijk gemaakt, waardoor hij gehouden was in beroep te gaan.
5.6.
De op de heffingsambtenaar rustende informatieverplichting houdt in dat hij aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen (de waardebeschikking), en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens moet verstrekken. Deze gegevens kunnen ook betrekking hebben op voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten. Deze gegevens zijn van belang om de juistheid van de waardebeschikking te kunnen controleren om daarmee een eventuele bezwaarprocedure op zinvolle wijze te kunnen benutten en vervolgens te kunnen beoordelen of het zinvol is beroep in te stellen. Aan de verplichting tot het verstrekken van deze gegevens doet niet af dat het op de zaak betrekking hebbende stukken zijn, die daarom tevens voorafgaand aan het horen in een bezwaarprocedure op grond van artikel 7:4, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter inzage moeten worden gelegd. Indien een voldoende specifiek verzoek tot het verstrekken van de in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde gegevens in de bezwaarfase wordt gedaan, moeten deze gegevens, met het oog op een zinvolle benutting van de bezwaarprocedure, voortvarend en in ieder geval uiterlijk bij het doen van uitspraak op bezwaar worden verstrekt (vgl. HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052 en HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.3.1).
5.7.
In het verweerschrift in beroep heeft de Heffingsambtenaar een toelichting gegeven op de wijze waarop woningen in de gemeente Den Haag worden gewaardeerd. Hij heeft aangevoerd dat bij de modelmatige waardering de verschillen tussen de onroerende zaken worden verrekend in prijs per m2 van de gebruiksoppervlakte. Er wordt gezocht naar verkoopcijfers van objecten die, wat de taxateur betreft, zo goed mogelijk vergelijkbaar zijn en zo dicht mogelijk bij de waardepeildatum liggen. Er wordt geen gebruik maakt van indexeringscijfers, KOUDV- en liggingsfactoren en waarden van objectonderdelen. Het Hof heeft geen reden aan deze toelichting te twijfelen. Hieruit volgt dat de (gegevens die ten grondslag liggen aan) indexeringscijfers en KOUDV- en liggingsfactoren de Heffingsambtenaar niet ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en dus niet aan belanghebbende in de bezwaarfase konden worden verstrekt. Voor zover belanghebbende heeft verzocht om inzicht in de waardebepaling, overweegt het Hof dat de verplichting zich uitstrekt tot gegevens en niet tot het geven van inzicht in deze gegevens. Er is dan ook geen sprake van een schending van de informatieverplichting als bedoeld in artikel 40, lid 2, Wet WOZ.
Waarde van de woning
5.8.
Belanghebbende stelt dat de waarde van de woning verder moet worden verminderd.
5.9.
De waarde van de woning wordt volgens artikel 17, lid 2, Wet WOZ bepaald op de waarde die daaraan dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom van de woning zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de woning in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever “de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding” (Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, p. 43-44).
5.10.
Naar volgt uit de door de Heffingsambtenaar overgelegde matrix is de waarde van de woning bepaald met behulp van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. In de matrix is de waarde bepaald op € 596.000. Daarbij is verwezen naar de prijs behaald bij verkoop van de vergelijkingsobjecten. Niet vereist is dat de vergelijkingsobjecten identiek zijn aan de woning. Voldoende is dat de vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn, mits de Heffingsambtenaar bij de bepaling van de waarde voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen. De gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn, evenals de woning, vrijstaande woningen, alle gelegen in dezelfde wijk en hebben vergelijkbare gebruiksoppervlakten. De verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten kunnen als richtsnoer dienen bij het bepalen van de waarde van de woning.
5.11.
De laagste prijs per m2 (gebruiksoppervlakte) die uit de verkoopcijfers volgt is € 3.870 ( [adres 2] ). Dit vergelijkingsobject bevindt zich, evenals de woning, in een matige staat. De gemiddelde prijs per m2 die uit deze verkopen volgt is € 4.240. Gelet op de bij de waardering van de woning gehanteerde prijs van € 3.679 per m2 gebruiksoppervlakte, is in voldoende mate rekening gehouden met de matige staat van de woning. De stelling van belanghebbende dat blijkens de opmerkingen in de matrix over de staat van de woning en van de vergelijkingsobjecten de beschikte waarde van de woning onvoldoende inzichtelijk is, faalt reeds omdat belanghebbende die stelling niet heeft onderbouwd, zodat hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
5.12.
Voor zover belanghebbende stelt dat zijn woning in een matigere staat verkeert dan de vergelijkingsobjecten, heeft hij daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd. De enkele verwijzing naar de in het geding gebrachte foto’s is zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, onvoldoende. De Heffingsambtenaar heeft in dit verband onweersproken gesteld dat de scheurvorming in de woning hem bekend is en dat daarmee bij de waardebepaling rekening is gehouden door de woning op een matige staat te waarderen. Tevens is rekening gehouden met de omstandigheid dat 28 m2 van het perceel in een sloot is gelegen, door dit deel op nihil te waarderen. De grootte van de sloot op het perceel van belanghebbende heeft de Heffingsambtenaar onderbouwd aan de hand van een luchtfoto en een kadastrale kaart. Belanghebbende heeft hier in hoger beroep niets tegen ingebracht. De door belanghebbende in zijn taxatieverslag vermelde objecten [adres 3] , [adres 4] en [adres 5] leiden niet tot een ander oordeel, aangezien de transactieprijzen van deze objecten aanzienlijk meer bedragen dan de vastgestelde waarde van de woning (respectievelijk € 1.300.000, € 750.000 en € 787.000). Deze objecten kunnen daarom niet dienen als vergelijkbare objecten voor de waardebepaling van de woning.
5.13.
Belanghebbende voert voorts aan dat de Heffingsambtenaar de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten indexeert vanaf de transportdatum. Indien de Heffingsambtenaar van de transportdata uitgaat en de periode tussen de data van het sluiten van de koopovereenkomsten en de overdrachten bij de notaris meer dan drie maanden bedraagt, is dat volgens vaste jurisprudentie een onjuist uitgangspunt voor het berekenen van de geïndexeerde verkoopprijzen, aldus belanghebbende. Door het ontbreken van de data van het sluiten van de koopovereenkomsten kan volgens belanghebbende niet worden uitgesloten dat de aankoopdata van de vergelijkingsobjecten te ver van de waardepeildatum zijn gelegen.
5.14.
Aan belanghebbende zij toegegeven dat uit het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:113 volgt dat de heffingsambtenaar voor het berekenen van een geïndexeerde transactieprijs naar de waardepeildatum niet mag uitgaan van de leveringsdatum maar moet uitgaan van de datum waarop de (obligatoire) koopovereenkomst tot stand is gekomen. Belanghebbende gaat echter ten onrechte ervan uit dat de Heffingsambtenaar de transactieprijzen van de vergelijkingsobjecten heeft geïndexeerd. Zoals uit overweging 5.7 volgt is dat niet het geval. Ook in het geval de transactieprijzen wel zouden zijn geïndexeerd zou dat belanghebbende niet kunnen baten. In een markt met stijgende woningprijzen, zoals in de onderhavige periode het geval was, is indexering vanaf de aankoopdata tot de waardepeildatum immers in het nadeel van belanghebbende. Bij indexering naar een waardepeildatum in de toekomst leidt dit tot een grotere positieve correctie dan indien zou zijn uitgegaan van de latere datum van de levering.
5.15.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de beschikte waarde van de woning van € 595.000 niet te hoog.
Slotsom
5.16.
Het hoger beroep is op grond van hetgeen in 5.4 is overwogen, gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling van de Heffingsambtenaar in de door belanghebbende in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten en tot vergoeding van de betaalde griffierechten.
6.2.
Het Hof stelt de kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75 Awb Pro in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.027,40 (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1, en 1 punt voor het hogerberoepschrift à € 934, wegingsfactor 1, vermenigvuldigd met 0,1). Het hoger beroep is gericht tegen een uitspraak van de Rechtbank die is bekendgemaakt na 1 januari 2024, zodat op grond van artikel 30a, lid 2, letter b, Wet WOZ de wettelijke vermenigvuldigingsfactor van 0,1 voor de hogerberoepsfase van toepassing is. Voor een hogere vergoeding ziet het Hof geen aanleiding. De gemachtigde, een no cure no pay bureau, heeft dienaangaande geen feiten en omstandigheden gesteld en ook overigens is niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde een van de drie kenmerken zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670, niet heeft. Belanghebbende heeft daartoe de gelegenheid gehad, maar is niet ter zitting verschenen om zijn bezwaren toe te lichten.
6.3.
Verder dient aan belanghebbende de voor de behandeling in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van respectievelijk € 50 en € 138 te worden vergoed.
Verzoek om uitbetaling op rekening van de gemachtigde
6.4.
Belanghebbende heeft het Hof verzocht te bepalen dat de betaling van de vergoeding voor de proceskosten en de griffierechten, in overeenstemming met hetgeen is opgenomen in de aan de gemachtigde verleende volmacht, rechtstreeks aan de gemachtigde dient plaats te vinden. Belanghebbende heeft hiertoe aangevoerd dat de vorderingen nog vóór de inwerkingtreding van artikel 30a, lid 4 en lid 5, Wet WOZ rechtsgeldig aan de gemachtigde zijn gecedeerd. Verder heeft belanghebbende aangevoerd dat het verpandings-/ vervreemdingsverbod dat is opgenomen in artikel 30a, lid 5, Wet WOZ onrechtmatig is. Volgens belanghebbende is sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op het ongestoorde recht van eigendom en is het cessieverbod discriminatoir en in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
6.5.
Wat betreft het verzoek van belanghebbende, is de belastingrechter niet bevoegd een oordeel te geven over de wijze waarop de betaling van de proceskostenvergoeding dient plaats te vinden. Belanghebbende dient zich bij een geschil over de uitbetaling van de proceskostenvergoeding te wenden tot de burgerlijke rechter (HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:156, r.o. 5.4.).

Beslissing

Het Gerechtshof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor wat betreft de beslissing op het verzoek om uitstel;
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van het beroep en hoger beroep van belanghebbende tot een bedrag van € 1.027,40; en
- draagt de Heffingsambtenaar op aan belanghebbende de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 188 te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, T.A. de Hek en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.
De griffier, de voorzitter,
J. Azmi Shenouda Chr.Th.P.M. Zandhuis
De beslissing is op 8 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.