ECLI:NL:GHDHA:2026:128

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
200.349.648/01
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843a RvArt. 1019a RvArt. 1019h RvArt. 194 RvArt. 195 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen spoedeisend belang bij handhaving inbreukverbod en inzageveroordeling na bodemvonnis in merkenzaak

Sisley, houdster van de Sisley-merken, vorderde in kort geding tegen parallelhandelaar B. Futurist een inbreukverbod en inzageveroordeling wegens merkinbreuk. De voorzieningenrechter wees deze vorderingen toe. Ondertussen heeft de bodemrechter een gelijkluidend inbreukverbod met nevenvorderingen opgelegd en is uitvoering gegeven aan de inzageveroordeling.

In hoger beroep oordeelt het hof dat Sisley geen spoedeisend belang meer heeft bij handhaving van deze veroordelingen voor de toekomst, omdat de bodemrechter reeds een uitvoerbaar verbod heeft uitgesproken en de inzageveroordeling is uitgevoerd. Het hof bevestigt dat de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand blijft.

B. Futurist voerde onder meer uitputting van merkrechten aan en stelde dat de inzagevordering te ruim was en haar bedrijfsvertrouwelijke gegevens onvoldoende beschermd werden. Het hof volgt deze grieven niet, wijst de vorderingen voor de toekomst af, bekrachtigt de beslissingen voor het verleden en veroordeelt B. Futurist in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof wijst handhaving van het kortgedinginbreukverbod en inzageveroordeling af voor de toekomst, bekrachtigt eerdere beslissingen voor het verleden en veroordeelt B. Futurist in proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.349.648/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/672749 / KG ZA 24-874
Arrest van 10 februari 2026 in kort geding
in de zaak van
B. Futurist B.V.,
gevestigd in Capelle aan den IJssel,
appellante,
advocaat: mr. T. Geerlof, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
de vennootschap naar Frans recht
c.f.e.b. Sisley,
gevestigd in Parijs, Frankrijk ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.E. Stols, kantoorhoudend in Amsterdam.
Het hof noemt partijen hierna B. Futurist en Sisley .

1.De zaak in het kort

1.1
Sisley heeft eerst in een bodemzaak een merkenrechtelijk inbreukverbod met nevenvorderingen ingesteld tegen B. Futurist, en later in dit kort geding een inbreukverbod en een inzagevordering. De voorzieningenrechter heeft in het hier bestreden kortgedingvonnis beide vorderingen toegewezen, en hangende het onderhavige hoger beroep tegen dit kortgedingvonnis heeft de bodemrechter vervolgens een gelijkluidend inbreukverbod toegewezen, met nevenveroordelingen.
1.2
Het hof wijst voor de toekomst de handhaving af van de door de voorzieningenrechter toegewezen veroordelingen, omdat Sisley daar op dit moment geen (spoedeisend) belang meer bij heeft: de bodemrechter heeft een identiek inbreukverbod uitgesproken en de inzageveroordeling is uitgewerkt. Het hof heeft met het oog op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg de grieven van B. Futurist beoordeeld en komt tot de slotsom dat die proceskostenveroordeling in stand moet blijven.

2.Procesverloop in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 30 december 2024 waarmee B. Futurist in hoger beroep is gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 24 december 2024 (hierna: het kortgedingvonnis); [1]
  • de memorie van grieven van B. Futurist, met bijlagen;
  • de memorie van antwoord van Sisley , met bijlagen;
  • de akte met bijlagen HBS10 tot en met HBS13 van Sisley ;
  • de akte met bijlagen HBF17 tot en met HBF 27 van B. Futurist;
  • de akte met bijlagen HBF28 en HBF29 van B. Futurist;
  • de akte met bijlage HBS14 van Sisley .
2.2
Op 16 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

3.Feitelijke achtergrond

3.1
Sisley is een producent van luxe cosmetica en B. Futurist is een wereldwijde parallelhandelaar in dergelijke cosmetica.
3.2
Sisley verkoopt haar producten wereldwijd via een selectief distributiestelsel en is houdster van Unie- en Beneluxmerken SISLEY (hierna: de Sisley -merken). Haar meest succesvolle product heet
Emulsion Ecologique, in het Engels
Ecological Compound, en bestaat in verschillende varianten.
3.3
Bij e-mails van 16 maart 2023 en 13 mei 2024 heeft B. Futurist aan grote groepen potentiële afnemers binnen de Europese Economische Ruimte (hierna: EER) producten aangeboden voorzien van de Sisley -merken (hierna: de massa-aanbiedingen). Bij de massa-aanbieding van 16 maart 2023 ging het om een breed scala aan Sisley -producten en op 13 mei 2024 alleen om twee varianten van
Emulsion Ecologique.
3.4
Op 12 juli 2024 heeft Sisley , na daartoe verkregen verlof, conservatoir bewijsbeslag laten leggen onder B. Futurist. De deurwaarder die dat beslag heeft gelegd (hierna: de deurwaarder) heeft de door hem in beslag genomen stukken onderverdeeld in twee verzamelingen, waaronder een verzameling met exports uit de administratie met betrekking tot “facturen, in- en verkooporders, mutaties uit het voorraadbeheersysteem en een overzicht van alle Sisley -producten” vanaf 1 januari 2023 (hierna: verzameling 1). Ten tijde van de beslaglegging heeft de deurwaarder geen Sisley -producten bij B. Futurist aangetroffen.
3.5
Bij dagvaarding van 9 augustus 2024 heeft Sisley tegen B. Futurist een bodemprocedure ingeleid waarin zij heeft gevorderd een merkinbreukverbod met nevenvorderingen, waaronder:
(i) een inzageveroordeling op grond van de artikelen 843a (oud) en 1019a (oud) Rv [2] ; en
(ii) een opgavegebod op grond van artikel 130 lid 2 UMVo Pro [3] en artikel 2.22 lid 4 BVIE [4] . Sisley heeft daartoe aangevoerd dat B. Futurist met de massa-aanbiedingen zonder haar toestemming gebruik had gemaakt van haar merken voor identieke waren in het economisch verkeer. B. Futurist heeft betwist dat de massa-aanbiedingen een merkinbreuk opleveren, aangezien zij uitsluitend parallelhandel drijft in authentieke producten en Sisley daarom volgens haar had moeten stellen dat de met de massa-aanbieding aangeboden producten merkinbreuk maken omdat die producten hetzij namaakproducten zijn, hetzij producten waarvan de merkrechten niet zijn uitgeput. Daarnaast heeft zij als verweer gevoerd dat zij binnen de EER uitsluitend handelt in producten die in dat gebied door of met toestemming van de betrokken merkhouder in het verkeer zijn gebracht, en waarvan de merkrechten dus zijn uitgeput.
3.6
Bij dagvaarding van 15 oktober 2024 heeft Sisley het onderhavige kort geding tegen B. Futurist ingeleid, waarin zij eveneens een inbreukverbod heeft gevorderd, en een inzageveroordeling (zie hierna onder 4.1).
3.7
De voorzieningenrechter heeft in die procedure op 24 december 2024 het bestreden kortgedingvonnis gewezen (zie hierna onder 4.3). B. Futurist heeft vervolgens in een executiegeschil de schorsing van de inzageveroordeling gevorderd. De executierechter in de rechtbank Den Haag heeft die schorsing afgewezen bij mondelinge uitspraak van 7 januari 2025.
3.8
Daarna heeft de deurwaarder met toestemming van B. Futurist uitvoering gegeven aan de inzageveroordeling in kort geding en de door hem geselecteerde en geredigeerde stukken uit verzameling 1 ter beschikking gesteld aan de advocaat van Sisley .
3.9
Op 4 juni 2025 heeft de rechtbank Den Haag vonnis gewezen in de bodemzaak (hierna: het bodemvonnis). [5] Zij heeft daarin, met verklaring van uitvoerbaarheid bij voorraad, een inbreukverbod uitgesproken dat woordelijk gelijk is aan dat uit het kortgedingvonnis, met nevenveroordelingen waaronder een opgavegebod. Zij oordeelde daarbij onder andere dat de massa-aanbiedingen inbreuken hebben opgeleverd op de Sisley -merken en dat B. Futurist niet is geslaagd in haar uitputtingsverweer. De inzageveroordeling heeft de rechtbank afgewezen, omdat zij van oordeel was dat Sisley daar geen belang bij had naast het door haar toe te wijzen opgavegebod.
3.1
Op 11 juli 2025 heeft B. Futurist tegen dit bodemvonnis hoger beroep ingesteld, dat bij dit hof is ingeschreven onder nummer 200.358.609. Ten tijde van de mondelinge behandeling in het onderhavige hoger beroep was in dat andere hoger beroep een mondelinge behandeling vastgesteld in januari 2027 in een inzage-incident op grond van (inmiddels) de artikelen 194 en 195 Rv.
3.11
Op 1 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam vonnis gewezen in een executieprocedure die door B. Futurist was ingeleid met betrekking tot het in het bodemvonnis toegewezen opgavegebod. [6]

4.Procedure bij de rechtbank

4.1
Sisley heeft B. Futurist in kort geding gedagvaard en gevorderd, samengevat:
A. een inbreukverbod; en
B. een veroordeling tot het dulden van inzage, binnen de in beslag genomen verzameling 1, in de stukken met betrekking tot alle producten met (i) de merknaam Sisley en (ii) het merk of de naam [a]
Emulsion Ecologique, [b]
Ecological Compound, [c]
Ecological Compound (AF) Discovery Program, en/of [d]
all purpose (lotion);
beide verzwaard met een dwangsomveroordeling.
Aan de inbreukverbodvordering heeft Sisley primairdezelfde merkinbreuk ten grondslag gelegd als in de bodemprocedure. Haar inzagevordering heeft zij gegrond op artikel 843a (oud) Rv, gelezen in samenhang met artikel 1019a (oud) Rv. Zij heeft toegelicht dat die inzagevordering betrekking had op de stukken uit verzameling 1 geselecteerd met een combinatie van de zoektermen (i) Sisley en (ii) een van de aanduidingen van haar product
Emulsion Ecologiquedat B. Futurist had aangeboden in de massa-aanbieding van 13 mei 2024.
4.2
B. Futurist heeft in dit kort geding net als in de bodemprocedure betwist dat haar massa-aanbiedingen als merkinbreuk moeten worden aangemerkt en dat was voldaan aan de vereisten van de artikelen 843a (oud) en 1019a (oud) Rv. Zij heeft in dit kort geding in eerste aanleg geen beroep gedaan op uitputting.
4.3
De voorzieningenrechter heeft in het bestreden kortgedingvonnis een inbreukverbod en een inzageveroordeling toegewezen, met dwangsommen, en B. Futurist in de proceskosten veroordeeld. Zij oordeelde dat Sisley voldoende spoedeisend belang had bij haar vorderingen in kort geding, dat B. Futurist met de massa-aanbiedingen inbreuk heeft gemaakt op de Sisley -merken en dat was voldaan aan de voorwaarden voor inzage op grond van de artikelen 843a (oud) en 1019a (oud) Rv.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
B. Futurist is van dit kortgedingvonnis in hoger beroep gekomen en wil dat het hof de vorderingen van Sisley alsnog afwijst. Haar bezwaren hebben betrekking op de in de vorige alinea samengevatte beoordeling van de voorzieningenrechter. Daarnaast heeft zij in hoger beroep subsidiair een beroep gedaan op uitputting van de Sisley -merkrechten.

6.Beoordeling in hoger beroep

Bevoegdheid

6.1
Het hof is bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Sisley om de redenen die de voorzieningenrechter heeft genoemd in de r.o. 4.2 tot en met 4.4 van het kortgedingvonnis, die ook in dit hoger beroep gelden.
Beoordelingskader
6.2
Als de voorzieningenrechter in kort geding een vordering heeft toegewezen en het hoger beroep zich (mede) richt tegen die veroordeling, moet de rechter in hoger beroep ambtshalve beoordelen of ten tijde van de beslissing in hoger beroep bij de toegewezen vordering nog spoedeisend belang bestaat. Als de rechter in hoger beroep tot het oordeel komt dat het spoedeisend belang bij de vordering ten tijde van de beslissing in hoger beroep ontbreekt, zal de rechter die vordering moeten afwijzen. Voor wat betreft de periode tot aan de uitspraak in hoger beroep geldt dat de omstandigheid dat ten tijde van de beslissing in hoger beroep het spoedeisend belang bij de in eerste aanleg toegewezen vordering ontbreekt, er niet aan in de weg behoeft te staan dat het vonnis in eerste aanleg juist is gewezen. Dit kan ingeval aan een veroordeling dwangsommen zijn verbonden, betekenen dat de veroordeelde partij in de periode tussen de uitspraak van de voorzieningenrechter en de beslissing in hoger beroep dwangsommen heeft verbeurd. Met het oog daarop moet de rechter in hoger beroep in zo’n geval, binnen de omvang van het hoger beroep en het door de grieven ontsloten gebied, beoordelen of de toewijzing van de vordering in eerste aanleg terecht was. Dat moet hij doen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van de beslissing in hoger beroep, met dien verstande dat het vereiste van spoedeisend belang ten tijde van de beslissing in eerste aanleg moet worden beoordeeld naar de toestand zoals die zich destijds voordeed. Als de rechter in hoger beroep binnen dit beoordelingskader tot het oordeel komt dat de toewijzing van de vordering met dwangsomveroordeling in stand moet blijven, dan moet hij aldus beslissen wat betreft de periode tot de uitspraak in hoger beroep. [7]
Geen spoedeisend belang meer bij handhaving van de veroordelingen in eerste aanleg
6.3
Sisley heeft op dit moment geen (spoedeisend) belang meer bij handhaving van het door de voorzieningenrechter toegewezen inbreukverbod, aangezien de bodemrechter inmiddels een precies gelijkluidend verbod heeft toegewezen en uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard.
6.4
Sisley heeft op dit moment evenmin (spoedeisend) belang bij handhaving van de door de voorzieningenrechter toegewezen inzageveroordeling. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de deurwaarder – na afronding van het door B. Futurist met betrekking tot deze veroordeling ingeleid executiekortgeding – uitvoering heeft gegeven aan die veroordeling, en B. Futurist heeft de resultaten hiervan overgelegd als productie 2 in hoger beroep. Sisley heeft aangevoerd dat zij misschien nog in de toekomst een beroep zou willen doen op deze veroordeling, maar B. Futurist heeft daar terecht tegenovergesteld dat de deurwaarder in opdracht van Sisley precies de in die veroordeling bedoelde handelingen heeft verricht met betrekking tot verzameling 1 door daaruit documenten te selecteren aan de hand van de in het vonnis bepaalde zoektermen, dat dat de nadere selectie heeft opgeleverd die is overgelegd als Productie 2 van B. Futurist in hoger beroep en dat daarom niet valt in te zien wat Sisley op grond van die veroordeling op een later moment nog meer aan stukken zou kunnen verlangen.
6.5
Dit betekent dat de in dit kort geding door Sisley gevorderde voorzieningen voor de toekomst moeten worden afgewezen. Het hof zal hierna de grieven beoordelen met het oog op de situatie hangende dit hoger beroep.
Beoordeling van de grieven
Procesbelang
6.6
B. Futurist heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij belang heeft bij beoordeling van haar grieven, omdat een oordeel van dit hof in het onderhavige hoger beroep dat anders luidt dan dat van de rechtbank in het bodemvonnis haar, hangende het hoger beroep in de bodemzaak, zou kunnen helpen in haar verhouding met Sisley , omdat daar een zekere precedentwerking vanuit zou gaan. Ook stelt zij belang te hebben bij beoordeling van haar grieven om de proceskostenveroordeling in eerste aanleg van tafel te krijgen. B. Futurist heeft niet gesteld dat zij voldoende belang heeft bij beoordeling van haar grieven in verband met mogelijk door haar als gevolg van het kortgedingvonnis verbeurde dwangsommen.
6.7
De eerste door B. Futurist aangevoerde reden levert geen voldoende belang op voor beoordeling van de grieven, omdat de beslissingen bij voorraad (dat wil zeggen in kort geding) geen nadeel toebrengen aan de zaak ten principale (dat wil zeggen de bodemzaak, artikel 257 Rv Pro). De proceskostenveroordeling in eerste aanleg levert wel een voldoende belang op [8] en het hof zal daarom met het oog daarop de grieven van B. Futurist beoordelen.
Afstemmingsregel
6.8
Het hof stelt daarbij voorop dat de voorzieningenrechter die op een vordering in kort geding moet beslissen nadat de bodemrechter reeds een vonnis in de bodemzaak heeft gewezen, in beginsel zijn uitspraak moet afstemmen op de beslissingen in het bodemvonnis, ongeacht of die beslissingen in de overwegingen of in het dictum van het bodemvonnis staan. Evenmin is van belang of het bodemvonnis kracht van gewijsde heeft: als een rechtsmiddel tegen het vonnis is ingesteld mag de voorzieningenrechter de kans van slagen van het rechtsmiddel niet bij zijn voorlopige oordeel betrekken. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan worden aanvaard onder andere indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust en de zaak dermate spoedeisend is dat de beslissing op een tegen dat vonnis aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht. [9] Een en ander geldt ook in hoger beroep.
Inbreuk en uitputting
6.9
Het hof is daarom in beginsel gebonden aan het oordeel van de rechtbank in het bodemvonnis met betrekking tot inbreuk en uitputting, zodat het voorbij moet gaan aan de grief en het verweer in hoger beroep van B. Futurist op deze punten.
6.1
B. Futurist heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat dat oordeel in het bodemvonnis op misslagen berust:
- een juridische misslag omdat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het arrest van dit hof
LB11/MHCS [10] , waarin dit hof volgens B. Futurist de rechtsregel heeft gegeven dat in geval van parallelhandel merkgebruik is toegestaan, tenzij de onderliggende producten inbreukmakend zijn; en
- een feitelijke misslag omdat de rechtbank in r.o. 4.28 van haar bodemvonnis overweegt dat B. Futurist haar beroep op uitputting niet zou hebben doen gelden voor de Sisley -goederen die zij had vermeld in haar massa-aanbiedingen, terwijl dat juist wel het geval was.
6.11
Het hof gaat aan deze stellingen voorbij omdat B. Futurist niet heeft toegelicht dat en waarom het afwenden van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg ten bedrage van € 12.016,62 dermate spoedeisend is dat de beslissing in het hoger beroep tegen het bodemvonnis niet kan worden afgewacht. Het hof is daarom gebonden aan het oordeel van de rechtbank: de massa-aanbiedingen leveren in beginsel een inbreuk op en het uitputtingsverweer van B. Futurist slaagt niet.
6.12
Nu het geen oordeel velt met betrekking tot de door B. Futurist gestelde misslagen, ziet het hof geen aanleiding om het onder die voorwaarde ingestelde verzoek van B. Futurist in te willigen om zijn beslissing in het onderhavige, volledig uitgeprocedeerde hoger beroep aan te houden tot aan zijn beslissing in het hoger beroep in de bodemzaak.
Inzagevordering
- De afstemmingsregel geldt hier niet
6.13
Het hof is voor wat betreft de juistheid van de inzageveroordeling in dit kort geding niet gebonden aan de weigering van de rechtbank om de in de bodemzaak gevorderde inzageveroordeling toe te wijzen. De rechtbank heeft die weigering namelijk gebaseerd op een belangenafweging ten opzichte van het door haar toegewezen opgavegebod, dat in kort geding nog niet aan de orde was.
- Beslissing van de voorzieningenrechter
6.14
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat Sisley voldoende spoedeisend belang had bij (ook) de inzageveroordeling, omdat (ook) deze ertoe strekte de gestelde inbreuk zo snel mogelijk een halt toe te roepen en de uitspraak in de bodemprocedure naar verwachting nog even op zich liet wachten (r.o. 4.1) In het licht van de vereisten van de artikelen 843a (oud) en 1019a (oud) Rv heeft zij vervolgens geoordeeld (r.o. 4.22 tot en met 4.27) dat:
(a) Sisley een rechtmatig belang had bij inzage;
(b) de vordering betrekking had op bepaalde bescheiden;
(c) deze bescheiden verband houden met een rechtsbetrekking waarbij Sisley partij is;
(d) deze bescheiden ter beschikking staan van B. Futurist; en
(e) de bescherming van vertrouwelijke informatie kan worden gewaarborgd door te bepalen dat de deurwaarder:
[1] de relevante stukken binnen de in beslag genomen verzameling 1 moet selecteren met de door Sisley gevorderde combinatie van de zoektermen (i) Sisley en (ii) diverse aanduidingen van het product
Emulsion Ecologique;
[2] de aldus geselecteerde stukken onleesbaar moet maken voor zover zij (ook) betrekking hebben op andere producten van Sisley dan wel op producten van andere fabrikanten;
[3] de aldus geselecteerde en geredigeerde stukken vooraf moet voorleggen aan B. Futurist, die om correctie kan vragen van eventueel ten onrechte geselecteerde of niet geredigeerde stukken voordat de deurwaarder die aan de advocaat van Sisley stuurt.
Zij heeft de inzageveroordeling onder die voorwaarden toegewezen.
- Spoedeisend belang
6.15
B. Futurist bestrijdt dat Sisley in eerste aanleg voldoende spoedeisend belang had bij de door haar gevorderde inzage.
6.16
Zij voert
ten eersteaan dat de inzageveroordeling geen toegevoegde waarde had ten opzichte van het door de voorzieningenrechter toegewezen inbreukverbod als het gaat om het beëindigen van de gestelde inbreuk. Daarnaast heeft Sisley volgens haar niet gesteld dat andere ongeautoriseerde verkopen door niet-erkende wederverkopers inbreukmakend zouden zijn en heeft zij geen informatie over leveranciers en afnemers van B. Futurist nodig om vermeend inbreukmakende online aanbiedingen vast te stellen.
6.17
Het hof volgt B. Futurist niet in deze standpunten. Sisley voert terecht aan dat zij (spoedeisend) belang had bij die inzage, omdat zij wilde kunnen controleren of B. Futurist elders ongeoorloofde voorraad had staan en of naast B. Futurist ook andere partijen bij de gestelde merkinbreuken waren betrokken. Dat andere niet-erkende wederverkopers mogelijk ook Sisley -producten aanbieden waarvan de merkrechten niet zijn uitgeput, is daarbij niet van belang.
6.18
B. Futurist voert
ten tweedeaan dat Sisley op 15 oktober 2024, bij het instellen van het kort geding, geen spoedeisend belang meer had bij de inzagevordering, aangezien zij al op 9 augustus 2024 de bodemprocedure had ingeleid. De voorzieningenrechter had zich daarom terughoudend moeten opstellen bij de beoordeling van de vordering en heeft geen rekening gehouden met het feit dat de eerste massa-aanbieding al op 16 maart 2023 is gedaan, ruim anderhalf jaar eerder, en dat Sisley bij wijze van
fishing expeditionbewijs wil vergaren om haar zwakke bodemzaak te versterken.
6.19
Het hof volgt B. Futurist hier niet in.
6.19.1
Sisley had ten tijde van het instellen van dit kort geding weliswaar met betrekking tot dezelfde massa-aanbiedingen ook een bodemprocedure ingesteld maar de uitkomst daarvan zou op dat moment, zoals de voorzieningenrechter heeft opgemerkt, enige tijd op zich laten wachten en in die bodemzaak had de rechtbank op dat moment geen (tussen)beslissingen genomen waarmee de voorzieningenrechter rekening had moeten houden.
6.19.2
Sisley heeft er terecht op gewezen dat zij na haar aanschrijving aan B. Futurist naar aanleiding van de massa-aanbieding van 16 maart 2023 een reactie heeft gekregen op grond waarvan zij op dat moment kon oordelen dat geen verdere actie was vereist, en dat zij daarom pas na de tweede massa-aanbieding, van 13 mei 2024, aanleiding zag om actie te ondernemen, waarna zij binnen korte tijd bewijsbeslag heeft laten leggen en de bodemzaak heeft ingeleid. Vlak daarna, op 20 september 2024, heeft zij met een conceptdagvaarding voor dit kort geding om een behandeldag gevraagd, die door omstandigheden bij de rechtbank en de verhinderdagen van partijen pas voor 3 december 2024 is vastgesteld.
6.19.3
Ten tijde van het instellen van dit kort geding, toen de inzagevordering nog werd geregeld in artikel 843a (oud) Rv, was het geoorloofd om hangende een bodemprocedure een dergelijke vordering in te stellen met als doel om de eigen bewijspositie te versterken, hetzij als incident in de bodemprocedure, hetzij in een afzonderlijke kortgedingprocedure. Of daarbij in dit geval sprake is geweest van een
fishing expeditionis niet van belang voor de vraag naar het spoedeisend belang in kort geding, maar een inhoudelijk beoordelingspunt dat hierna aan de orde komt. In de bodemprocedure had nog geen mondelinge behandeling plaatsgevonden, zodat Sisley eventueel uit de exhibitie verkregen stukken als bewijs in de bodemprocedure zou kunnen indienen.
6.2
B. Futurist voert
ten derdeaan dat de voorzieningenrechter haar belangen onvoldoende in aanmerking heeft genomen bij de in kort geding te maken afweging van de belangen van partijen, waaronder met name haar belang bij de bescherming van haar bedrijfsvertrouwelijke gegevens. Het hof gaat hier aan dit bezwaar voorbij omdat de belangen van B. Futurist, waaronder de bescherming van haar bedrijfsvertrouwelijke gegevens, hierna aan de orde komt bij de inhoudelijke beoordeling.
- Inhoudelijke beoordeling
6.21
B. Futurist voert aan dat niet is voldaan aan de inhoudelijke vereisten voor toewijzing van de inzagevordering.
6.22
Op grond van artikel 843a lid 1 (oud) Rv kan diegene die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage vorderen van bepaalde stukken aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is, van degene die deze stukken tot zijn beschikking heeft. Artikel 1019a lid 1 (oud) Rv bepaalt met betrekking tot inzagevorderingen in verband met de handhaving van een IE-recht in de zin van artikel 1019 Rv Pro onder andere dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een IE-recht geldt als een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a lid 1 (oud) Rv. Artikel 1019a lid 3 (oud) Rv bepaalt dat 843a lid 4 (oud) Rv bij dergelijke vorderingen niet van toepassing is, maar dat de inzagevordering moet worden geweigerd voor zover de bescherming van vertrouwelijke informatie niet is gewaarborgd. Daarmee zijn in IE-handhavingszaken niet van toepassing de weigeringsgronden dat (i) degene die de stukken tot zijn beschikking heeft gewichtige redenen heeft om geen inzage te verlenen, of (ii) redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder die inzage is gewaarborgd.
6.23
Het hof is om de hierna volgende redenen van oordeel dat de bezwaren van B. Futurist er niet toe kunnen leiden dat de inzageveroordeling (voor het verleden) in haar geheel moet worden vernietigd. In combinatie met het in stand blijven van het inbreukverbod is er daarom geen aanleiding om de proceskostenveroordeling in het kortgedingvonnis te vernietigen. Zoals hiervoor overwogen, is het belang van B. Futurist bij vernietiging van het kortgedingvonnis inmiddels alleen nog maar gelegen in die proceskostenveroordeling.
6.24
B. Futurist betwist dat tussen haar en Sisley sprake is van een
rechtsbetrekkingen dat Sisley
rechtmatig belanghad bij haar inzagevordering en voert daartoe aan dat haar massa-aanbiedingen niet als inbreuk kunnen worden aangemerkt. Het hof gaat op grond van de afstemmingsregel voorbij aan deze betwistingen. Bovendien voert Sisley terecht aan dat voor toewijzing van inzage niet vereist is dat een inbreuk komt vast te staan, maar dat voldoende aannemelijk moet zijn dat inbreuk op een IE-recht is of dreigt te worden gemaakt. [11]
6.25
B. Futurist bestrijdt eveneens dat sprake was van
voldoende bepaalde bescheiden: volgens haar was de vordering te ruim en kwam zij neer op een
fishing expedition. De voorzieningenrechter heeft de veroordeling weliswaar beperkt door te voorzien in de hiervoor onder 6.14 beschreven procedure, maar daarmee was die veroordeling volgens B. Futurist nog steeds te ruim, omdat zij nog steeds mede zag op mogelijke stukken met betrekking tot:
- transacties die zich geheel buiten de EER hebben voltrokken;
- transitohandel onder de unitaire douaneregeling voor extern vervoer; of
- geoorloofde parallelhandel.
6.26
Deze betwisting stuit af op het volgende.
6.26.1
De in kort geding gevorderde inzageveroordeling had betrekking op verzameling 1, zoals de deurwaarder die heeft geselecteerd en beschreven tijdens het conservatoir bewijsbeslag. Daardoor staat vast dat ten tijde van de kortgedingdagvaarding sprake was van bepaalde bestaande bescheiden, en de voorzieningenrechter heeft inzage in die verzameling 1 beperkt door een bepaalde zoektermcombinatie voor te schrijven, gevolgd door een procedure voor het redigeren van niet-relevante informatie en controle door B. Futurist op selectie en redactie. Hierdoor is geen sprake van een
fishing expedition.
6.26.2
Of de voorzieningenrechter de inzageveroordeling, zoals door B. Futurist bepleit, verder had moeten inperken tot stukken over transacties ten gevolge van de twee massa-aanbiedingen, kan hier in het midden blijven. Ook indien de voorzieningenrechter die beperking had behoren aan te brengen zou daarmee namelijk nog steeds een inzageveroordeling zijn overgebleven die, in combinatie met het toegewezen inbreukverbod, zou hebben geleid tot een proceskostenveroordeling ten nadele van B. Futurist.
6.27
B. Futurist bestrijdt tenslotte dat de
bescherming van haar vertrouwelijke gegevensvoldoende was gewaarborgd, aangezien de voorzieningenrechter geen maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat Sisley ook inzage zou krijgen in stukken met betrekking tot de niet door het unitaire of Beneluxmerkenrecht geraakte transacties, bedoeld hiervoor onder 6.25. Ook dit bezwaar stuit af op het oordeel in de vorige alinea.
Slotsom en proceskosten
6.28
Het hoger beroep van B. Futurist heeft alleen gevolgen voor de toekomst. Het hof zal daarom het bestreden vonnis (i) wat de toegewezen materiële vorderingen betreft bekrachtigen voor het verleden en vernietigen voor de toekomst, en de gevraagde voorzieningen voor de toekomst weigeren, en (ii) voor het overige bekrachtigen. Het hof zal B. Futurist als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.
6.29
Sisley heeft gevorderd dat het hof B. Futurist op de voet van artikel 1019h Rv veroordeelt in haar redelijke en evenredige proceskosten en heeft daarvoor gespecificeerde overzichten overgelegd die optellen tot [€ 7.310,- (HBS9, kosten advocatenkantoor Nefkens) + € 22.848,- (HBS14 , kosten advocatenkantoor Boekx) =] € 30.158,- aan salaris van de advocaten. Partijen zijn het erover eens dat het onderhavige hoger beroep in zijn geheel betrekking heeft op een IE-handhavingszaak in de zin van artikel 1019 Rv Pro. Het hof zal binnen de Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven uitgaan van het tarief voor een normaal kort geding, ad € 15.000,-. De € 1.328,- die Sisley heeft opgegeven als kosten voor tolken komen ook voor vergoeding in aanmerking.
6.3
Het hof begroot de proceskosten aan de zijde van Sisley daarom op:
griffierecht € 827,-
salaris advocaat € 15.000,-
verschotten € 1.328,-
nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 17.344,-.

7.Beslissing

Het hof:
  • bekrachtigt de beslissingen onder 5.3, 5.4 en 5.5 van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 24 december 2024;
  • bekrachtigt de beslissingen onder 5.1 en 5.2 van dat vonnis voor de periode tussen die datum en gisteren en vernietigt die voor de periode vanaf vandaag en, in zoverre opnieuw rechtdoende;
o wijst het gevorderde inbreukverbod en de gevorderde inzageveroordeling af voor de periode vanaf vandaag;
  • veroordeelt B. Futurist in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Sisley begroot op € 17.344,-;
  • bepaalt dat als B. Futurist niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze proceskostenveroordeling heeft voldaan en Sisley haar vervolgens dit arrest betekent, B. Futurist de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-.
  • verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. H.M.H. Speyart van Woerden, mr. F.M. Bus en mr. P.B. Hugenholtz en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Voetnoten

2.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 843a Rv is per 1 januari 2025 vervallen en vervangen door de regeling van de artikelen 194 en 195 Rv en de verwijzingen in artikel 1019a Rv naar artikel 843a Rv zijn per die datum vervangen door verwijzingen naar de artikelen 194 tot en met 196 Rv. Ten tijde van het instellen van het onderhavige kort geding gold nog artikel 843a (oud) Rv.
3.Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk.
4.Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen).
7.HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1541 (
8.HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782 (
9.HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015 (
10.Hof Den Haag 30 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1537 (
11.HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (