ECLI:NL:GHDHA:2024:2245
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake vergoeding immateriële schade bij overschrijding redelijke termijn WOZ-waarde
Belanghebbende, gebruiker van een winkelruimte, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting voor 2021. De Heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €1.550.000 en verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in bij de Rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afwees.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het Hof stelde vast dat de Rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de overdracht van de vergoeding aan de gemachtigde betekende dat belanghebbende geen recht had op persoonlijke compensatie voor spanning en frustratie. De Hoge Raad heeft immers bepaald dat een dergelijke overdracht niet uitsluit dat immateriële schadevergoeding wordt toegekend.
Het Hof concludeerde dat de redelijke termijn van twee jaar was overschreden met circa acht maanden, waarvan drie maanden aan de bezwaarfase en vijf maanden aan de beroepsfase toerekenbaar zijn. Daarom kende het Hof een immateriële schadevergoeding toe van €1.000, verdeeld over Heffingsambtenaar (€375) en de Staat (€625).
Daarnaast veroordeelde het Hof de Heffingsambtenaar en de Minister tot vergoeding van proceskosten en griffierechten in zowel beroep als hoger beroep. De uitspraak van de Rechtbank werd vernietigd voor zover deze betrekking had op de immateriële schadevergoeding.
Uitkomst: Belanghebbende krijgt vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn en proceskosten toegewezen.