De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter die de ondertoezichtstelling van een minderjarige heeft verlengd tot 24 mei 2023. De moeder, die het gezag uitoefent, betwist de verlenging en stelt dat de vader geen belanghebbende is en dat de gecertificeerde instelling (GI) niet ontvankelijk is in haar verzoek tot verlenging.
Het hof stelt vast dat de vader geen belanghebbende is omdat hij geen gezag heeft en geen contact met de minderjarige. De GI is ontvankelijk omdat de verlenging van de ondertoezichtstelling een zelfstandige beschikking is die niet haar rechtskracht verliest door vernietiging van een eerdere beschikking. Het hof overweegt dat de moeder geen belang heeft bij haar grief dat de vader ten onrechte als belanghebbende is aangemerkt.
Inhoudelijk oordeelt het hof dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarige. De minderjarige heeft een goede ontwikkeling, een rijk sociaal leven en geen concrete signalen van ernstige bedreigingen. De verlenging van de ondertoezichtstelling wordt daarom vernietigd en het verzoek van de GI afgewezen. Het recht op omgang tussen vader en kind blijft onaangetast, maar ondertoezichtstelling is niet het geschikte middel.
De beschikking van de kinderrechter van 22 november 2022 wordt vernietigd en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen. Het hof wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.