Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats], België,
gevestigd te Alkmaar,
gevestigd te Utrecht,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 mei 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen ouders over het gezamenlijk ouderlijk gezag na hun echtscheiding. De rechtbank had het gezamenlijk gezag over de kinderen voor de duur van een jaar beëindigd zonder dat een verzoek op grond van art. 1:266-267 BW was ingediend. Het hof bekrachtigde deze beslissing en baseerde zich op art. 1:253a BW als grondslag.
De Hoge Raad stelt vast dat de wet in art. 1:266-267 BW een specifieke regeling bevat voor beëindiging van het gezag, waarbij alleen bepaalde verzoekers bevoegd zijn. Art. 1:253a BW regelt slechts geschillen over de feitelijke uitoefening van het gezag en biedt geen bevoegdheid tot beëindiging van het gezag. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat art. 1:253a BW een grondslag biedt voor beëindiging van het gezag.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van het hof en de rechtbank voor zover het gezag van de moeder over de kinderen voor de duur van een jaar werd beëindigd. Het gezag van de moeder bleef daardoor in stand tot de definitieve beschikking van de rechtbank van 29 mei 2020. De Hoge Raad wijst het hoger beroep van de moeder toe en laat het verzoek om haar alleen het gezag te geven verder buiten beschouwing.
De uitspraak benadrukt het belang van de wettelijke procedure voor beëindiging van ouderlijk gezag en bevestigt dat tijdelijke beëindiging zonder de juiste grondslag niet is toegestaan. De griffier wordt verzocht de beslissing in het gezagsregister aan te tekenen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking waarbij het gezamenlijk gezag tijdelijk werd beëindigd zonder de juiste wettelijke grondslag.