Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 7 juli 2020
[appellant] ,
1. [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
Het verloop van het geding
Beoordeling van het hoger beroep
principaal hoger beroepheeft [appellant] het hof verzocht het bestreden vonnis te vernietigen voor zover dit betrekking heeft op de vordering in conventie en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde 1] c.s. niet ontvankelijk te verklaren in de vorderingen in conventie, althans deze vorderingen van [geïntimeerde 1] c.s. integraal af te wijzen, althans te matigen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de kosten van beide instanties.
incidenteel appelhebben [geïntimeerde 1] c.s. gevorderd dat het hof het bestreden vonnis in conventie zal vernietigen, voor zover het betreft de veroordelingen onder a), b) en d) en opnieuw rechtdoende, (samengevat) voor recht zal verklaren dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door de (gehele) nieuwbouw uit te (doen) voeren en [appellant] primair zal veroordelen tot afbraak en tot medewerking aan het wijzigen van de kadastrale perceelsgrens, subsidiair en voorwaardelijk [appellant] te veroordelen als onder 5.2 van het bestreden vonnis en in aanvulling daarop te veroordelen tot verwijdering van de ventilatieschacht op straffe van een dwangsom en te veroordelen tot vergoeding van alle schade, op te maken bij staat. Verder is gevorderd het vonnis in reconventie te vernietigen voor wat betreft de veroordelingen in r.o. 5.5 en 5.6 en opnieuw rechtdoende deze vorderingen af te wijzen. Tot slot is verzocht om [appellant] te veroordelen in alle kosten (inclusief nakosten) van beide instanties.
grief Ahebben [geïntimeerde 1] c.s. aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld (kort gezegd) dat het gebouw aan de [B-straat] geen bestanddeel is geworden van de bebouwing van de [A-straat] [nr 1] - [nr 1e] . Volgens de toelichting op de grief is de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gegaan dat de begane grond van het gebouw aan de [B-straat] door (toedoen van) [appellant] zelf is aangemerkt als “bedrijfsruimte behorende bij [A-straat] ”. Zijn architect heeft juist daarom die ruimte buiten de vergunningaanvraag voor de nieuwbouw gelaten. Men is er dus vanuit gegaan dat de parterre van het gebouw aan de [B-straat] feitelijk behoorde tot [A-straat] [nr 1] - [nr 1e] en daarom alleen vergunning nodig was voor verbouwing/ophoging van de entresol/eerste verdieping tot drie woonlagen. Dat strookt volgens [geïntimeerde 1] c.s. ook met de zeker sinds 1969 totstandgekomen juridische, bouwkundige en praktische verwevenheid van beide bebouwingen, resulterend in een onafgebroken ruimte die doorliep van de [A-straat] tot aan de [B-straat] en telkens als één geheel in gebruik was bij de opvolgende eigenaren van beide tezamen (zoals thans ook [appellant] ). Dat het verhoogde gedeelte met doorsmeerruimte (naderhand entresol/eerste verdieping) van de achterkant van de bebouwing van [A-straat] [nr 1] - [nr 1e] daarbij de kadastrale perceelsgrens overschreed, laat zich dan ook alleen verklaren doordat de eigenaars de beide bebouwingen telkens feitelijk als één “bedrijfsruimte behorende bij [A-straat] ” beschouwden, waarin de bebouwing van de [B-straat] volledig was opgegaan. Dat verklaart ook waarom de begane grond van [A-straat] [nr 1] - [nr 1e] tot aan de perceelgrens in de splitsing betrokken is.
grief Bheeft de rechtbank [geïntimeerde 1] c.s. ten onrechte veroordeeld tot medewerking (op straffe van verbeurte van een dwangsom) aan wijziging van de kadastrale perceelsgrens en daarentegen de vordering van [geïntimeerde 1] c.s. afgewezen. Deze grief bouwt voort op grief A en moet daarom het lot daarvan delen. Datzelfde geldt voor
grief Cdie is gericht tegen de veroordeling tot vergoeding van de door [geïntimeerde 1] c.s. schade, nader op te maken bij staat, en die volgens [geïntimeerde 1] c.s. aangevuld zou moeten worden met de schade ten gevolge van de nieuwbouw als geheel.
grief II en Vin het principaal appel) aangevoerd dat [geïntimeerde 1] c.s. ten onrechte ontvankelijk zijn verklaard nu hier sprake is van deelgenoten in een gemeenschap en de wijze waarop de gemeenschappelijke eigenaars richting derden kunnen worden vertegenwoordigd is geregeld in art. 3:171 BW Pro. Indien een deelgenoot in een gemeenschap namens de gemeenschap optreedt, treedt hij dus ook op namens de andere deelgenoten en moet hij dat kenbaar maken, temeer omdat de deelgenoten hier verschillende belangen hebben. Er is daarom volgens [appellant] geen sprake van het optreden namens de gemeenschap. Deze grieven falen. Ingevolge art. 3:189 lid 1 BW Pro zijn de bepalingen van Boek 3 Titel 7 (waaronder art. 3:171 BW Pro) niet van toepassing op de gemeenschap van een in appartementsrechten gesplitst gebouw. Vorderingen op basis van artikel 5:108 BW Pro kunnen uit de aard der zaak door iedere appartementseigenaar zelfstandig worden ingesteld. Voor wat betreft de vordering op grond van art. 5:50 BW Pro geldt dat de strekking van deze bepaling de bescherming van de privacy is. Het recht op privacy moet worden aangemerkt als een persoonlijk recht dat niet in enige gemeenschap valt, waarop artikel 6:15 lid 2 BW Pro dus niet van toepassing is, zodat ook langs die weg artikel 3:171 BW Pro niet aan de orde komt. Weliswaar geldt het burenrecht in beginsel jegens eigenaars van naburige erven maar uit de wetgeschiedenis (Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 4, onder 9) blijkt dat de bepalingen uit Boek 5 die rechten toekennen aan de eigenaar van een zaak, van overeenkomstige toepassing kunnen zijn op niet-eigenaars, die tot de zaak in een zekere verhouding staan, bijv. bevoegd zijn de zaak te gebruiken. Het hof is van oordeel dat de rechthebbende op een appartement die rechten kan uitoefenen jegens de eigenaar van het buurperceel (zeker nu die ook de rechthebbende is op het andere appartementsrecht). Ten overvloede merkt het hof nog op dat de bevoegdheden van de VvE beperkt zijn tot beheershandelingen: wanneer een rechtshandeling de eigendomsverhoudingen tussen de appartementseigenaars of ten opzichte van derden raakt, is dat een daad van beschikking waartoe niet de VvE maar de appartementseigenaars zelf bevoegd zijn.
grief Iin het principaal appel heeft de rechtbank geoordeeld zonder een daaraan ten grondslag liggende vordering, waardoor [appellant] ernstig is benadeeld. Op geen enkele wijze was op te maken dat een beroep werd gedaan op het burenrecht (art. 5:50 of Pro 5:54 BW). [appellant] heeft hier geen verweer tegen gevoerd en ook niet (subsidiair) een beroep kunnen doen op het tweede deel van art. 5:54 BW Pro. De kwestie met betrekking tot de balkons is eerst tijdens de comparitie van partijen van 28 juni 2017 naar voren gekomen en [appellant] heeft expliciet gevraagd een akte te mogen nemen als de vordering gefundeerd zou zijn op het burenrecht. Er is sprake van een verrassingsoordeel. Ook als de vordering wel ingesteld zou zijn, kan het oordeel niet in stand blijven. De wet stelt immers dat balkons moeten worden verwijderd voor zover deze uitzicht geven op het erf en voor zover de eigenaar van het aangrenzende erf (de gemeenschappelijke eigenaren van [A-straat] [nr 1] ) geen toestemming heeft verleend. Of deze wel of niet toestemming hebben verleend, is niet bekend. Ten aanzien van het zicht geldt dat de omheining van de balkons zou kunnen worden verhoogd zodat er geen zicht meer bestaat op het aangrenzende erf. De ramen zouden voorts ondoorzichtig gemaakt kunnen worden. [appellant] is hiertoe echter niet gehouden omdat dit niet aan de vordering ten grondslag is gelegd.
ramenop gewezen dat [geïntimeerde 1] c.s. (althans de huurders) geen onrechtmatig uitzicht kunnen ervaren nu de appartementen zich op ongeveer zes meter van de achtergevel van de [B-straat] bevinden. Deze stelling wordt verworpen nu de rechtbank tijdens de plaatsopneming heeft geconstateerd dat de inkijk aanzienlijk is (welk oordeel door het hof op basis van de aan het proces-verbaal gehechte foto’s ook wordt onderschreven) en [appellant] daar (thans) onvoldoende tegenin heeft gebracht.
balkonsgewezen op de mogelijkheid van minder ingrijpende maatregelen zoals een ondoorzichtige omheining op de balkons tot een hoogte dat de overburen aan het zicht worden onttrokken.
Grief Din het incidenteel appel is voorwaardelijk ingesteld om te verzekeren dat [appellant] hoe dan ook veroordeeld zal blijven conform 5.2 van het vonnis. Nu de grieven in het principaal appel op dit punt niet slagen, behoeft deze grief geen verdere bespreking.
Grief Ein het incidenteel appel klaagt dat de rechtbank heeft nagelaten om [appellant] c.s. als mede-eigenaar en/of achterbuurman te veroordelen tot verwijdering van de ventilatieschacht die door (toedoen van) [appellant] is aangebracht op het plat. De huidige ventilatieschacht is dermate omvangrijk en gaat dusdanig ten koste van het plat dat [geïntimeerde 1] c.s. die niet behoeven te dulden. [appellant] heeft opgemerkt dat hij de grote, gebrekkige en sterk verouderde afvoerpijpen op eigen kosten heeft vervangen door kleine en goede afvoerpijpen die op betere plekken aan de zijkant van het plat zitten. De pijpen zijn nodig voor de exploitatie van de onderliggende toko en er is geen enkele reden bekend waarom deze afvoerpijpen verboden zouden zijn. In ieder geval geldt dat de afvoerpijpen al meer dan 20 jaar uit het plat steken zodat ieder recht dat [geïntimeerde 1] c.s. zou hebben, reeds lange tijd verjaard is. [geïntimeerde 1] c.s. hebben geen enkel belang bij de vordering.
grief Fis het [geïntimeerde 1] c.s. ten onrechte verboden om het niet verstevigde deel van het plat als terras te gebruiken en is hij ten onrechte veroordeeld ervoor zorg te dragen dat derden evenmin gebruik maken van dat deel als terras.
Grief VIIin het principaal appel die gericht was tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg faalt daarmee ook. Bij deze uitkomst past dat [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel en [geïntimeerde 1] c.s. in de kosten van het incidenteel appel.